Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX5457

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
327843 / HA RK 12-371
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Wraking arbiter Raad van Arbitrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 327843 / HA RK 12-371

beslissing van 22 augustus 2012 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, ten deze optredend als voorzieningenrechter

op het verzoek van:

[verzoeker sub 1]

en

[verzoekster sub 2]

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [verzoekers c.s.]

verzoekers

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 25 juni 2012 heeft [verzoekers c.s.] bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: de Raad van Arbitrage) een verzoek tot wraking ingediend van mr. [X] in zijn hoedanigheid van voorzitter van het scheidsgerecht belast met de behandeling van het geschil tussen [verzoekers c.s.] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]). Bij brief van 4 juli 2012 aan de Raad van Arbitrage heeft [bedrijf] zijn reactie gegeven op het wrakingsverzoek. Bij brief van 6 juli 2012 heeft mr. [A], secretaris/adjunct-directeur van de Raad van Arbitrage aan [verzoekers c.s.] meegedeeld dat mr. [X] zich niet uit de arbitrage terugtrekt.

1.2. [verzoekers c.s.] heeft op grond van artikel 1035 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek gedaan te beslissen over de gegrondheid van zijn wraking van mr. [X] in bovengenoemd geschil.

1.3. De griffier van deze rechtbank heeft [verzoekers c.s.] en mr. [X] opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 9 augustus 2012. De Raad van Arbitrage is van de behandeling in kennis gesteld.

1.4. Het wrakingsverzoek is op 9 augustus 2012 in het openbaar behandeld. Daarbij was [verzoekers c.s.] aanwezig. Mr. [X] heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. [A] voornoemd. De Raad van Arbitrage heeft zich eveneens door mr. [A] doen vertegenwoordigen. [verzoekers c.s.] heeft zijn wrakingsverzoek aan de hand van een spreeknotitie toegelicht. Mr. [A] heeft een pleitnotitie voorgedragen.

1.5. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Naar aanleiding van een arbitrage-uitspraak in eerste aanleg in het geschil tussen [verzoekers c.s.] en [bedrijf], heeft [verzoekers c.s.] hoger beroep ingesteld bij de Raad van Arbitrage. Dit hoger beroep is op 13 juni 2012 behandeld. Ter zitting is [verzoekers c.s.] verschenen,

zonder juridische bijstand. [bedrijf] werd bijgestaan door zijn advocaat mr. R. Kerckhoffs. Na schorsing van de zitting hebben de arbiters een voorlopig oordeel gegeven met het oogmerk partijen een schikking te laten beproeven. Een schikking is niet bereikt.

3. Het verzoek

3.1. [verzoekers c.s.] legt aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat mr. [X] door zijn bejegening van [verzoekers c.s.] ter zitting de schijn van partijdigheid heeft gewekt. [verzoekers c.s.] stelt dat hij daardoor de indruk kreeg met een tegenstander te maken te hebben, in plaats van met een onpartijdige arbiter. In dit verband heeft [verzoekers c.s.] naar voren gebracht dat zijn woordvoerder, de heer [B], herhaaldelijk voor de voeten werd geworpen “dat hij intelligent” was, waarmee volgens [verzoekers c.s.] eigenlijk werd bedoeld: “hoe kunt u zulke stommiteiten uithalen”. De vraag van mr. [X] of hij juridisch advies had ingewonnen over de positie van [B] deed volgens [verzoekers c.s.] afbreuk aan zijn vertrouwen dat mr. [X] over deze kwestie een oordeel zou kunnen vellen dat uitsluitend op de inhoud van de stukken zou zijn gebaseerd. [verzoekers c.s.] stelt verder dat mr. [X] de volgende - volgens hem onjuiste - opmerking heeft gemaakt: “ de fouten van [B] kunnen (wij) niet [bedrijf] voor de voeten werpen”. Hieruit blijkt volgens [verzoekers c.s.] dat mr. [X] onvoldoende kennis heeft van het dossier en van de UAV.

3.2. Voorts betoogt [verzoekers c.s.] dat mr. [X] heeft verzuimd naar aanleiding van zijn grieven concrete vragen aan hem te stellen. Het voorlopig oordeel dat de arbitragecommissie na een korte schorsing van de zitting bekend maakte was volgens [verzoekers c.s.] niet afgewogen, nu zij tot dat oordeel is gekomen zonder dat de 25 door hem ingediende grieven waren besproken en zonder dat de gedeeltelijke afwijzing (summier) werd verklaard.

3.3. Verder stelt [verzoekers c.s.] dat er communicatie heeft plaatsgevonden tussen mr. Kerckhoffs en één of meer arbiters, hetgeen volgens hem kan worden afgeleid uit een e-mail van mr. Kerckhoffs van 15 juni 2012 waarin deze schrijft:

“(…)

Van bouwtijdoverschrijding is geen sprake, terwijl mijns inziens van extra uitvoeringskosten, zo kon ik de arbiters uiteindelijk overtuigen, wel sprake is.

(…)”

4. De reactie van de arbiter

4.1. Namens mr. [X] heeft mr. [A] naar voren gebracht dat [verzoekers c.s.] zonder juridische procesvertegenwoordiging ter zitting was verschenen, als gevolg waarvan de visie van [verzoeker sub 1] door een gebrek aan juridisch inzicht en noodzakelijke juridische begeleiding niet goed uit de verf kwam. Mr. [X] stelt dat hij [verzoekers c.s.] daarom op dit punt heeft willen helpen. Volgens mr. [X] hebben de arbiters na schorsing van de zitting een voorlopig oordeel gegeven en partijen voorgehouden dat het voor hen beiden, ook uit kostenoogpunt, het beste zou zijn dat zij zouden schikken langs de lijnen van het voorlopig oordeel van de arbiters. Daarbij heeft mr. [X] toegelicht dat één principale grief van [verzoekers c.s.] slaagde en één incidentele grief van [bedrijf], waarmee de vorderingen tegen elkaar konden worden weggestreept. Mr. [X] stelt dat hij [verzoekers c.s.] in dit verband heeft uitgelegd dat wanneer een grief slaagt en daarmee de vordering in hoger beroep kan worden toegewezen, de andere grieven onbesproken kunnen blijven. Mr. [X] betwist dat er buiten [verzoekers c.s.] om tussen (de advocaat van)

[bedrijf] en een of meer leden van het scheidsgerecht communicatie heeft plaatsgevonden. Volgens mr. [X] is voor deze stelling van [verzoekers c.s.] geen begin van bewijs.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank heeft de stelling van de Raad van Arbitrage, dat het wrakingsverzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard nu dit in strijd met het bepaalde in artikel 278 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) juncto artikel 1071 Rv niet door een advocaat is ondertekend, ter zitting verworpen. De rechtbank handhaaft deze beslissing en acht [verzoeker sub 1] ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek

5.2. Ingevolge artikel 1033 Rv kan een arbiter worden gewraakt indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Hiervan kan, afgezien van een persoonlijke vooringenomenheid van de arbiter, sprake zijn indien feiten en omstandigheden reden geven om te vrezen dat het de arbiter aan de vereiste onpartijdigheid of onafhankelijkheid ontbreekt. Ook de schijn van partijdigheid dient te worden vermeden.

5.3. Van een persoonlijke vooringenomen van mr. [X] jegens [verzoekers c.s.] is niet gebleken. Ter beoordeling staat daarom of er, objectief bezien, gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van mr. [X]. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Het volgende is hiervoor redengevend.

5.4. De omstandigheid dat mr. [X] [verzoekers c.s.] ter zitting anders bejegende dan [bedrijf], rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat het hem ontbreekt aan onpartijdigheid. Dit verschil in bejegening wordt afdoende verklaard door de door mr. [X] genoemde omstandigheid dat [verzoekers c.s.] ter zitting van de Raad van Arbitrage niet werd bijgestaan door een juridisch geschoolde gemachtigde en [bedrijf] wel.

5.5. Het verwijt dat [verzoekers c.s.] mr. [X] maakt over de bejegening van zijn woordvoerder de heer [B], is onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen concluderen dat mr. [X] in het geschil tussen [verzoeker sub 1] en [bedrijf] niet onpartijdig zou zijn.

5.6. Voorts getuigt de vraag van mr. [X] aan [verzoekers c.s.] of hij juridisch advies heeft ingewonnen over de positie van [B] niet van vooringenomenheid. [verzoeker sub 1] heeft ook niet onderbouwd waarom deze vraag hem er aan deed twijfelen dat mr. [X] een onafhankelijk oordeel zou kunnen vellen. Mede gelet op de stelling van [verzoekers c.s.] dat het mr. [X] niet ontbrak aan de wens tot welwillendheid ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de door mr. [X] geschetste gang van zaken, dat hij ter zitting heeft getracht de juridische aspecten van de zaak – en vooral de juridische consequenties van de verhouding tussen [B] en [verzoeker sub 1] – te verhelderen. Dat hij in zijn streven die verduidelijking te geven wellicht wat verder is gegaan in zijn vraagstelling en zijn opmerkingen, dan wanneer hij zou doen indien hij een juridisch geschoolde gemachtigde tegenover zich had, maakt nog niet dat er een schijn van partijdigheid is gewekt. Daarbij komt dat een arbiter tijdens de mondelinge behandeling een zekere mate van vrijheid toekomt of, en zo ja in hoeverre en op welk moment, hij zijn voorlopige beoordeling van de aangevoerde argumenten aan partijen kenbaar maakt. Ook de door [verzoekers c.s.] aangehaalde opmerking van mr. [X], er op neerkomend dat de fouten van [B] [bedrijf] niet kunnen worden aangerekend, kan in dit licht worden bezien.

De omstandigheid dat [verzoekers c.s.] van mening is dat de conclusie van mr. [X] niet juist is, zoals hij in zijn wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht, maakt nog niet dat er bij mr. [X] sprake is van vooringenomenheid.

5.7. Voorts overweegt de rechtbank dat een arbiter met het geven van een voorlopig oordeel aan partijen duidelijk maakt wat - behoudens verandering van opvatting of het inbrengen van nieuw materiaal - zijn oordeel is op basis van hetgeen in de zaak ter kennis is gekomen en bestudering van de zaak. Zoals mr. [X] heeft toegelicht lag in het door de arbiters gegeven voorlopig oordeel besloten dat één grief van [verzoeker sub 1] slaagde en de vordering reeds daarom kon worden toegewezen. Het is onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk dat mr. [X] de overige grieven van [verzoekers c.s.] onbesproken heeft gelaten en geen aanleiding zag tot het stellen van nadere vragen naar aanleiding van die grieven. Van de schijn van partijdigheid of van vooringenomenheid is ook om deze reden dan ook geen sprake.

5.8. Uit de door [verzoekers c.s.] overgelegde e-mail van 15 juni 2012 van mr. Kerckhoffs blijkt dat mr. Kerckhoffs van mening is dat hij de arbiters heeft overtuigd van de door hem ingenomen stelling in het geschil. Dat dit overtuigen van de arbiters heeft plaatsgevonden op een ander moment dan ter zitting van de Raad van Arbitrage, zoals [verzoeker sub 1] kennelijk veronderstelt, kan uit deze e-mail echter niet worden afgeleid. Het betoog van [verzoekers c.s.] dat buiten zijn aanwezigheid communicatie heeft plaatsgevonden tussen Kerckhoffs en mr. [X] of een van de andere arbiters, kan daarom evenmin leiden tot gegrondheid van de wraking.

5.9. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen. Voor het vergoeden van reiskosten zoals door [verzoekers c.s.] is verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding. De wet voorziet hierin niet.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst het wrakingsverzoek af,

6.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan [verzoekers c.s.], aan mr. [X] en aan de Raad voor Arbitrage voor de Bouw,

6.3. bepaalt dat de arbitrage dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. P. Bender (voorzitter), mr. P. S. Elkhuizen-Koopmans en mr. A.C. van den Boogaard en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012 in aanwezigheid van de griffier.