Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX5445

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
SBR 12/292
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om planschade ten gevolge van uitbreiding stadskantoor afgewezen. Een verbouwing en een relatief beperkte uitbreiding op die plek kan als normale maatschappelijke ontwikkeling worden aangemerkt

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2012/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Vianen, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, verweerder,

(gemachtigde: J. Ariaans).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Eiser is hier in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [eisers echtgenote]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd, bijgestaan door mr. J.H.M. van Iersel, werkzaam bij Van Iersel Juridisch Advies.

Overwegingen

1. Eiser en zijn echtgenote zijn sinds [1979] de eigenaar/bewoners van de woning met bijbehorend perceel aan de [adres] te Vianen, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [kadastraal nummer]. De voorgevel van de woning is tegenover de achterzijde van het stadskantoor van de gemeente Vianen gelegen; de afstand tussen beide gevels bedraagt ongeveer 10 meter.

2. Bij besluiten van 10 oktober 2006 heeft verweerder ten behoeve van de vernieuwing en vergroting van het stadskantoor met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een vrijstelling van de bepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en een bouwvergunning verleend. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk zijn geworden.

3. Eiser heeft op 18 december 2009 een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade gedaan. Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vernieuwing en vergroting van het stadskantoor ertoe heeft geleid dat de waarde van de woning is gedaald als gevolg van vermindering van woongenot en lichtinval en als gevolg van visuele vervuiling.

4. Ten behoeve van de beoordeling van het verzoek van eiser heeft verweerder een advies gevraagd aan Van Iersel Juridisch Advies (verder: Van Iersel). Van Iersel heeft verweerder geadviseerd de aanvraag af te wijzen. Het advies mondt, na bespreking van de verschillende aspecten van de aanvraag uit in de volgende conclusie: “Gezien de ligging van het object van de aanvrager in stedelijk gebied, in het hart van Vianen en op zo’n korte afstand van het stadskantoor, kan een ontwikkeling als de onderhavige, waarbij slechts sprake is van een marginale planologische verruiming met een slechts beperkte ruimtelijke invloed op de planologische positie van het object van de aanvrager, worden geacht te behoren tot het normale maatschappelijk risico van de aanvrager”. Van Iersel meent dat daarmee sprake is van omstandigheden op grond waarvan de eventuele schade voor rekening van aanvrager hoort te blijven. Verweerder heeft het advies van Van Iersel overgenomen en eisers verzoek bij het primaire besluit afgewezen.

Nadat eiser daartegen bezwaar heeft gemaakt, is hij gehoord door de Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Vianen (hierna: de commissie). De commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, omdat zij, onder verwijzing naar artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van oordeel is dat het verweerder niet zonder meer van het advies van Van Iersel had mogen uitgaan. De commissie vindt de motivering in het advies dat de planologische verslechtering in casu binnen het maatschappelijk risico van eiser valt, onvoldoende. De enkele omstandigheid, dat eiser in stedelijk gebied in het hart van Vianen en op zo’n korte afstand van het stadskantoor woont, rechtvaardigt niet dat een dergelijke al dan niet marginale verruiming voor risico van eiser dient te komen. Ook is met het advies niet aangetoond dat deze verruiming als marginaal moet worden aangemerkt. Nu niet voldoende is aangetoond dat sprake is van een marginale verruiming die binnen eisers normaal maatschappelijk risico valt, is niet uit te sluiten dat verweerder zal moeten onderzoeken of daadwerkelijk een waardevermindering heeft plaatsgevonden, aldus de commissie.

Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit, in afwijking van het advies van de commissie en met vermelding van een nadere motivering over de toepasselijkheid van artikel 6.2, eerste lid van de Wro, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5. Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden, als opvolger van de WRO. Uit het toepasselijke overgangsrecht, opgenomen in artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro (Stb. 2008, 180), volgt dat op dit planschadeverzoek de Wro van toepassing is. De aanvraag is immers ingediend ná 1 juli 2008 en heeft betrekking op een planologische maatregel die dateert van ná 1 september 2005.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het tweede lid van artikel 6.1 bepaalt welke gevallen aangemerkt worden als oorzaak voor een verzoek om tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid. Niet in geschil is dat de ten behoeve van de uitbreiding van het stadskantoor verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO een oorzaak is als bedoeld in dit artikel.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Het tweede lid van artikel 6.2, aanhef en onder b, bepaalt dat bij schade in de vorm van vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

Ingevolge artikel 9.1.18, het tweede lid, van de Invoeringswet Wro geldt dit artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

6. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit niet ingaat op het advies van de commissie en geen verklaring geeft waarom het advies niet is gevolgd.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten behoeve van de beoordeling van eisers verzoek advies heeft gevraagd aan een ter zake van planschade beoordelingen gespecialiseerd adviesbureau, in casu Van Iersel. Het advies van Van Iersel heeft verweerder als een advies van een extern, onafhankelijk deskundige aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Indien een bestuursorgaan zijn besluitvorming baseert op een dergelijk uitgebracht advies, geldt het bepaalde in artikel 3:9 van de Awb: indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 3:49 van de Awb kan ter motivering van een besluit worden verwezen naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien dit advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het advies van de commissie is op zichzelf evenzeer een extern advies waarop deze bepalingen van toepassing zijn.

De commissie heeft verweerder op artikel 3:9 van de Awb gewezen en de rechtbank begrijpt hieruit dat de commissie het hanteren van de termen ‘marginaal’ en van het begrip ‘normaal maatschappelijk risico’ door Van Iersel, zonder concrete onderbouwing in de vorm van een waardebepaling, onvoldoende zorgvuldig achtte. De rechtbank overweegt dat er geen regel is in het recht die verweerder verbiedt af te wijken van een advies dat in het kader van de besluitvorming op bezwaren door een externe commissie. Integendeel, artikel 3:50 van de Awb bepaalt dat indien een bestuursorgaan afwijkt van een dergelijk advies, de redenen voor afwijking daarvan in het besluit worden vermeld. Anders dan eiser meent, heeft verweerder in het bestreden expliciet gemotiveerd waarom hij in afwijking van het advies van de commissie toch vasthoudt aan het advies van Van Iersel. Verweerder heeft hiertoe in het bestreden besluit uiteen gezet dat hij het aspect ‘normaal maatschappelijk risico’ zoals neergelegd in artikel 6.2, eerste lid van de Wro, met Van Iersel uitdrukkelijk van toepassing acht op deze zaak, hoewel daaromtrent ten tijde van het bestreden besluit nog geen rechtspraak voor handen was van de hoogste rechter op dit gebied, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Verder heeft verweerder gemotiveerd dat hij de door de deskundige gebruikte argumenten voor de bepaling van de aard van de schade niet onvoldoende acht. Nu de aard van de schade als marginaal is gekwalificeerd, vindt verweerder de conclusie dat de omvang van de schade daarmee ook marginaal is en derhalve behoort tot het normaal maatschappelijk risico, niet onredelijk. De rechtbank stelt daarmee vast dat verweerder bij het bestreden besluit niet ongemotiveerd is afgeweken van het advies van de commissie.

In zoverre slaagt eisers betoog dan ook niet.

8. Uit eisers beroepsgrond, zoals hij die ter zitting heeft toegelicht, leidt de rechtbank vervolgens af dat eiser de inhoudelijke overwegingen van Van Iersel die verweerder heeft overgenomen bij de afwijzing van zijn verzoek, niet deugdelijk vindt. Eiser heeft ter zitting herhaald dat de wijziging van het stadskantoor een negatieve invloed heeft op de waarde van zijn woning, nu de bebouwing is toegenomen ten gevolge waarvan in de woning sprake is van minder lichttoetreding en woongenot en van afgenomen privacy.

9. Voor de rechtbank is daarmee ter beoordeling of verweerder zijn besluitvorming rechtens mocht baseren op de door hem ingeschakelde deskundige. Eiser heeft in deze procedure de deskundigheid van Van Iersel als zodanig niet bestreden. Evemin heeft eiser een deskundig tegenrapport overgelegd, waarmee hij de juistheid van de conclusies van Van Iersel bestrijdt. Nu er derhalve geen redenen zijn gebleken om te oordelen dat Van Iersel onvoldoende deskundig is, mocht verweerder alleen dan niet van het advies uitgaan indien zou moeten worden geoordeeld dat dat advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven.

Noch in zijn beroepschrift, noch ter zitting heeft eiser gesteld dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank begrijpt dat eisers bezwaar is gelegen in het feit dat de gevolgen van de uitbreiding van het stadskantoor door hemzelf anders worden gewaardeerd dan door Van Iersel en verweerder. Eiser stelt met name dat de hoogte en de omvang van de gerealiseerde bebouwing, vooral op de plaats waar voorheen een open plek in de bestaande bebouwing aanwezig was, en het vele glas in de gevel een waardevermindering tot gevolg heeft. Volgens vaste rechtspraak dient voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat het advies van Van Iersel, zoals nader toegelicht ter zitting, uitgaat van een juiste planologische vergelijking. Blijkens zijn rapport en de toelichting ter zitting is bij de beoordeling van hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, met name van belang geacht dat op het perceel met de bestemming ‘gd III’ bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals bijvoorbeeld een mast tot een hoogte van 15 meter, konden worden opgericht die ook een beperking van toetreding van zonlicht in de woning van eiser tot gevolg zouden hebben gehad. Een vergelijkbare beperking van lichttoetreding als met de thans gerealiseerde uitbreiding zou derhalve onder het oude regime evenzeer mogelijk zijn geweest. Datzelfde geldt voor de inbreuk op de privacy, nu het bestemmingsplan ter plaatse de mogelijkheid bood om daar bijvoorbeeld een brandtrap aan te brengen, aldus Van Iersel. Verder is in het advies een vergelijking gemaakt met hetgeen onder het oude regime aan functies en omvang van bebouwing was toegestaan op de bestemming ‘O’ en ‘GD III’ en hetgeen met de vrijstelling is gerealiseerd.

De rechtbank acht dit een juiste vergelijking en kan de conclusie dat op de diverse aspecten sprake is van marginale uitbreiding, volgen.

Eiser heeft ten aanzien van de beperking van lichttoetreding gewezen op de bezonningsstudie waaruit zou volgen dat er sprake is van 7% lichtvermindering. Daarover is in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat deze studie zag op een eerder ontwerp van het bouwplan en heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerp waarop de afname van het licht is teruggebracht tot 4%. Eiser heeft dit niet bestreden. Verweerder heeft verder benadrukt dat Van Iersel in zijn rapport echter wel heeft gerekend met 7% lichtvermindering en dus is uitgegaan van een slechtere situatie dan daadwerkelijk is gerealiseerd. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de toelichting van verweerder op dit punt en concludeert daarom met verweerder dat Van Iersel hiermee is uitgegaan van een voor eiser ongunstiger situatie dan zich in feite voordoet, hetgeen niet in eisers nadeel is. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook niet gebleken dat het advies van Van Iersel op een onjuiste planologische vergelijking berust of anderszins ernstige gebreken vertoont, zodat verweerder het om die reden niet had mogen overnemen.

10. De rechtbank begrijpt verder uit eisers beroepsgrond verder dat hij, met de commissie, meent dat Van Iersel en verweerder ten onrechte concluderen dat de beperkte wijziging van de situatie ten nadele van eiser en de daardoor ontstane marginale schade, tot het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid van de Wro behoort en daarom ten zijnen laste moet blijven.

De rechtbank stelt vast, zoals verweerder ook zijn verweerschrift heeft opgemerkt, dat door de ABRvS inmiddels uitspraak is gedaan over de toepasselijkheid van genoemd artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, onder meer in zijn uitspraak van 29 februari 2012 (LJN: BV7254). De ABRvS heeft in deze uitspraak bevestigd dat artikel 6.2, eerste lid van de Wro (‘binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager’) van toepassing is op aanvragen die, net als in het geval van eiser, zien op een besluit dat de gestelde schade zou hebben veroorzaakt in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008, terwijl de aanvraag om tegemoetkoming in die schade in ingediend tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010. Dat de forfaitaire aftrek van 2%, zoals genoemd in het tweede lid van artikel 6.2 ten gevolge van het overgangsrecht op deze aanvragen nog niet van toepassing is, doet niet af van de toepasselijkheid van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, aldus de ABRvS. De rechtbank concludeert derhalve dat verweerder in navolging van Van Iersel terecht bij de beoordeling van eisers aanvraag heeft betrokken of hier sprake is van eventuele schade die binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

11. In deze uitspraak heeft ABRvS hieromtrent het volgende overwogen: “De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Omstandigheden die in acht worden genomen zijn verder de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.”

12. Verweerder heeft er op gewezen dat in het bestreden besluit dezelfde criteria als de ABRvS aanlegt, zijn gehanteerd. In het bestreden besluit heeft verweerder opgemerkt dat de omgeving van eisers woning een stedelijk karakter heeft met een hoge bebouwingsdichtheid. Door de planologische wijziging wordt geen nieuwe functie toegestaan maar een beperkte uitbreiding van een al bestaande functie. Verweerder heeft verder meegewogen dat er in de oude situatie ook sprake was van rechtstreekse inkijkmogelijkheden en dat de verleende vrijstelling ten opzichte van de oude situatie leidt tot een marginale zichtbeperking en schaduwwerking en een beperkte vermindering van daglichttoetreding. Nu daarmee de aard van de schade marginaal is, acht verweerder ook de omvang van de schade marginaal. In het verweerschrift heeft verweerder uit de ruimtelijke onderbouwing aangehaald op welke punten het bouwplan is vormgegeven met het oog op aansluiting bij het karakter en de schaal van de bestaande historische omgeving.

De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat, mede gelet op die toelichting uit de ruimtelijke onderbouwing, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van het stadskantoor tot een normale maatschappelijke ontwikkeling kon worden beschouwd. Het stadhuis/stadskantoor is sinds jaar en dag ondergebracht in de historische binnenstad van Vianen in een complex van gebouwen en monumentale panden aan de Voorstraat in combinatie met achter- en naastgelegen gebouwen; blijkens de stukken is in de jaren tachtig van de vorige eeuw de eerder bestaande bebouwing aan de Kerkstraat ten behoeve van uitbreiding van het stadskantoor verbouwd. De woning van eiser is eveneens gelegen in het stadscentrum aan (de overzijde van) de Kerkstraat, op circa 10 meter afstand van de uitbreiding. Gelet op de bijzondere plaats die een stadhuis in het centrum van een historische binnenstad als Vianen inneemt, kan naar het oordeel van de rechtbank in alle redelijkheid gezegd worden dat een uitbreiding van een dergelijk stadskantoor naar een of meer direct aanliggende panden of percelen in de lijn der verwachting ligt. Hierbij betrekt de rechtbank dat de omvang van de hier in geding zijnde uitbreiding niet uitzonderlijk was nu het perceel/de bebouwing met de bestemming GDIII voorheen al als fietsenstalling ten behoeve van het stadskantoor in gebruik was. Verder is van belang dat de woning van eiser ook in het stadscentrum is gelegen en niet in een woonwijk, waar uitbreiding van centrumfuncties veel minder voor de hand zou liggen. Een en ander maakt dat een verbouwing en relatief beperkte uitbreiding op die plek naar het oordeel van de rechtbank als normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Verweerder heeft verder betoogd, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, dat bij de vormgeving van het nieuwe gebouw uitdrukkelijk aansluiting is gezocht bij de bestaande gebouwen in de omgeving. De rechtbank kan ook dat volgen. Eiser heeft daaromtrent blijkens zijn toelichting ter zitting een andere opvatting over. De rechtbank stelt echter vast dat de vraag of de uitbreiding qua vormgeving, materialisatie en schaal passend is in de omgeving, aan de orde is gekomen bij de verlening van de bouwvergunning. Het bouwplan heeft in die procedure de instemming gekregen van de welstands- en monumentencommissie en de bouwvergunning is vervolgens in rechte komen vast te staan. Dat eiser de uitbreiding niet mooi vindt, is geen aspect dat in het kader van een tegemoetkoming in planschade voor vergoeding in aanmerking komt.

13. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiser ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.