Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4782

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
16-654273-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens een overval op straat. Fotobewijsconfrontatie. Alternatief scenario.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/654273-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1996] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

op 2 december 2011 in Amersfoort, al dan niet samen met een ander, goederen heeft gestolen van [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) en/of [aangever 2] (hierna: [aangever 2]) en daarbij gebruik heeft gemaakt van geweld, dan wel heeft gedreigd met geweld

en/of

op 2 december 2011 in Amersfoort, al dan niet samen met een ander, [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft afgeperst door gebruik te maken van geweld, dan wel te dreigen met geweld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander het aan hem ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij onder andere op de aangiften in het dossier, de herkenning van verdachte door aangever [aangever 1], de afstand tussen de plaats delict en de woning van verdachte en het telecomonderzoek.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hiertoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

De herkenning van verdachte door aangever [aangever 1] is onbetrouwbaar en dient van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging is niet uitgenodigd om bij de fotoconfrontatie aanwezig te zijn en is niet betrokken bij de samenstelling van de fotoselectie.

De kwaliteit van de fotoselectie is onbehoorlijk, dan wel suggestief. Door [aangever 1] en [aangever 2] is verklaard dat de dader een boller gezicht had dan de andere jongen. Van de foto’s van een aantal personen in de fotoselectie is te zien dat zij geen rond gelaat hebben, maar dat juist duidelijk hun kaaklijn zichtbaar is, in tegenstelling tot de foto’s waarop verdachte te zien is.

Daarbij komt bij - aldus de raadsman - dat getuige [aangever 1] beïnvloed is door het zogenaamde overdrachtseffect. [aangever 1] heeft voordat de fotoconfrontatie plaatsvond een jongen op straat gezien, waarvan hij meent dat dit één van de daders was. Vervolgens heeft [aangever 1] tijdens de fotoconfrontatie verdachte aangewezen als één van de daders. Niet valt uit te sluiten dat [aangever 1] verdachte herkent als de persoon die hij eerder op straat heeft gezien, in plaats van hem te herkennen als één van de daders. Dit volgt ook uit de verklaring van [aangever 1], afgelegd bij de rechter-commissaris, waarin hij zegt ‘ik beschrijf hem op het moment dat ik hem begin januari in werkelijkheid zag’. Voorts is in dit verband van belang dat aan [aangever 1],voorafgaand aan de fotoconfrontatie, is medegedeeld dat de hoofdverdachte in de fotoconfrontatie aanwezig was. [aangever 2] daarentegen heeft verdachte niet herkend als één van de daders.

Getuige [getuige] (hierna: [getuige]) heeft de verklaring van verdachte dat hij die dag thuis is geweest bevestigd. [getuige] was de desbetreffende dag, binnen de tijdsspanne waarin het strafbare feit is gepleegd, samen met verdachte bij verdachte thuis. Daarbij straalde het telefoonnummer dat bij verdachte in gebruik is op een moment dat het strafbare feit werd gepleegd alsmede daarna de paallocatie [adres] aan. Niet is gebleken dat verdachte in de tussenliggende periode van paallocatie is gewijzigd. Dit bevestigt het verhaal van verdachte dat hij het strafbare feit niet heeft begaan.

Het klopt dat het nummer van verdachte in de weggenomen [aangever 2] heeft gezeten. Er hebben echter ook andere nummers in de telefoon gezeten. Het is onbegrijpelijk waarom de politie geen onderzoek heeft gedaan naar het nummer [telefoonnummer], met welk nummer gebruik is gemaakt van de [aangever 2]. Daarbij zegt het feit dat de simkaart van verdachte even in de telefoon van [aangever 2] heeft gezeten, niets over zijn betrokkenheid bij het aan hem ten laste gelegde feit. Verdachte heeft hierover verklaard dat een bekende van hem bij hem kwam met de vraag of hij zijn telefoon op mocht laden en zijn e-mail mocht checken. Hiertoe heeft verdachte zijn simkaart in de desbetreffende telefoon gedaan. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat dit alternatieve scenario de waarheid behelst.

Er is enkel bewijs in het dossier aanwezig voor het voor handen hebben/heling van de Blackberry, maar dat is niet tenlastegelegd.

De raadsman is dan ook van mening dat verdachte van het aan hem tenlastegelegde vrij dient te worden gesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.1. De fotoconfrontatie

Door de raadsman is aangevoerd dat de fotoconfrontatie niet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen voldoet.

Het Besluit Toepassing Maatregelen in het Belang van het Onderzoek (hierna: Besluit), gebaseerd op artikel 61a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, bevat enige voor de rechter toetsbare voorschriften voor de toepassing van de fotoconfrontatie.

Volgens artikel 1, onder c van het Besluit dient een meervoudige fotoconfrontatie te bestaan uit een confrontatie, waarbij de verdachte en minimaal vijf andere personen die uiterlijk gelijkenis vertonen met de verdachte worden getoond aan de getuige. De feitelijke samenstelling van de fotoselectie moet worden ingekleurd door het signalement van de verdachte dat door de getuige in een eerder stadium, voorafgaand aan de fotoconfrontatie, is gegeven.

Door aangever [aangever 1] is verklaard dat dader 1 tussen de 16 en 17 jaar was, ongeveer 170 centimeter lang was en een licht getinte huidskleur had en vermoedelijk Marokkaans was. Dader 2 was ongeveer 15 jaar oud, 178 centimeter lang, had eveneens een licht getinte huidskleur, vermoedelijk van Marokkaanse komaf, had zwart haar in korte stekels en zijn gelaat had een iets rondere vorm dan het gelaat van de andere jongen.

Getuige [aangever 2] heeft op zijn beurt eveneens verklaard dat dader 1 ongeveer 16 à 17 jaar oud was, ongeveer 1.70 meter lang was, een licht getinte huidskleur had en vermoedelijk van Turkse of Marokkaanse afkomst was. Dader 2 was ongeveer 15 jaar oud, ongeveer 1.78 meter lang, had eveneens een lichte huidskleur, lichter dan die van dader 1 en was vermoedelijk ook van Turkse of Marokkaanse afkomst, had kort zwart haar en een boller gezicht dan dader 1, maar niet dik.

Uit het proces-verbaal van de fotobewijsconfrontatie volgt dat bij het samenstellen van de fotoselectie 12 foto’s van figuranten zijn geselecteerd die qua etnische afkomst, huidskleur, geslacht, gelaatskenmerken, haarkleur en haardracht gelijkenis vertoonden met de foto van verdachte. Vervolgens is de fotoselectie door twee testobservatoren getoetst. Elk van de testobservanten was van hetzelfde geslacht als getuige [aangever 1] respectievelijk [aangever 2], waren van dezelfde generatie en van dezelfde etnische afkomst. Aan beide testobservanten werden de signalementkenmerken van de dader voorgelezen. Hierna werd hen gevraagd of er in de getoonde fotoselectie iemand was opgenomen die - om welke reden dan ook - door hen zou worden aangewezen. Beiden testobservanten antwoordden dat hen niets bijzonders opviel.

De rechtbank stelt vast dat de getoonde fotoselectie die aan getuige [aangever 1] is getoond voldoet aan artikel 1, onder c van het Besluit en op zorgvuldige wijze is samengesteld. Het enkele feit dat getuige [aangever 1] heeft verklaard dat het gelaat van jongen 2 een iets rondere vorm had dan het gelaat van de andere jongen, doet niet aan de juistheid van de selectie af. Daarmee is immers niet gezegd dat jongen 2 een bol gezicht, dan wel rond gelaat heeft dat zodanig kenmerkend is voor de dader dat daarmee extra rekening diende te worden gehouden bij het samenstelling van de fotoselectie. Daarbij is door de testobservatoren niet aangegeven dat de foto’s waarop verdachte is te zien opvallen omdat hij bollere wangen heeft dan de andere personen op de geselecteerde foto’s.

Voorts is het, gelet op artikel 9 van het Besluit niet verplicht dat de raadsman en officier van justitie in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie. Dat in de onderhavige zaak de raadsman niet vooraf betrokken is bij de beoordeling van de selectie is achteraf wellicht jammer, maar op zichzelf maakt zulks niet dat de selectie niet zorgvuldig is samengesteld.

Ten aanzien van het gestelde overdrachtseffect wordt als volgt overwogen.

Getuige [aangever 1] heeft verklaard dat hij in de eerste week van dit jaar op straat drie jongens zag staan. Eén van hen herkende hij direct als één van de jongens die hem op 2 december 2011 had beroofd van zijn Blackberry. Vervolgens heeft [aangever 1] tijdens de fotoconfrontatie verdachte aangewezen als één van de daders van de overval. Dit was dezelfde jongen als de jongen die [aangever 1] begin van dit jaar op straat had herkend als één van de daders.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het zogenaamde overdrachtseffect geen rol heeft gespeeld voor wat betreft de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte. Immers, getuige [aangever 1] heeft op straat spontaan een jongen herkend als één van de daders, van enigerlei beïnvloeding was op dat moment geen sprake. Hierna heeft [aangever 1] tijdens de fotoconfrontatie verdachte aangewezen als één van de daders. Hij was daarin zeer stellig. [aangever 1] heeft aangegeven dat de jongen die hij op straat zag dezelfde jongen is die hem had overvallen en deze jongen heeft hij aangewezen bij de fotoconfrontatie. Aldus heeft [aangever 1] verdachte herkend als de jongen die hij eerder op straat herkende als de dader. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning. Zonder de fotoconfrontatie had [aangever 1] verdachte immers ook al herkend.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de fotobewijsconfrontatie onbetrouwbaar is. Om die reden wijst de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om dr. Sauerland en/of dr. Van Koppen als getuige-deskundigen over de totstandkoming en waarde van de fotobewijsconfrontatie te rapporteren af.

4.3.2. De bewijsmiddelen

[aangever 1] en [aangever 2] hebben verklaard dat zij op 2 december 2011, omstreeks 17:50/17:55 uur samen in Amersfoort fietsten. Ze kwamen twee jongens tegen. Eén van de jongens (jongen 2) sprak hen aan en vroeg of zij [betrokkene 1] kenden. De andere jongen kwam er ook bij staan. Jongen 2 zei dat er iets ergs was gebeurd met [betrokkene 1] en vroeg aan aangevers of zij mee wilden komen. Hierop liepen [aangever 1] en [aangever 2] met de jongens mee een steegje in. De andere jongen (jongen 1) pakte een mes. Aangever [aangever 1] voelde dat hij het mes tegen zijn keel aan zette. Hij voelde de punt in zijn huid drukken. Vervolgens zette de jongen het mes op de wang van [aangever 1]. Jongen 2 zei dat [aangever 1] zijn telefoon moest inleveren. [aangever 1] gaf zijn Blackberry en een pakje sigaretten af. Hierop werd [aangever 1] door jongen 2 gefouilleerd. Jongen 1 zei tegen aangever [aangever 2] ‘je moet niet proberen weg te gaan, ik heb hier een geladen wapen’ en ‘ik heb al twee jaar vastgezeten, dus ik gebruik hem zo. Jongen 2 vroeg aan jongen 1 het mes. Vervolgens werd door jongen 2 een mes op de keel van [aangever 2] gezet. [aangever 2] moest zijn telefoon afgeven. Ook gaf [aangever 2] zijn portemonnee aan jongen 2. Jongen 2 haalde er twee briefjes van € 5,00 uit en wat kleingeld. In totaal betrof het € 16,60. Door jongen 2 werd zijn broek nagevoeld en hij vond de [aangever 2]. De Blackberry was voorzien van registratienummer [nummer]. Voordat de jongens weggingen, zei jongen 1 ‘niet de politie bellen, we weten je te vinden. Ik schiet je zo de auto uit’.

Van de Blackberry met imei-nummer [nummer] werden de historische printgegevens opgevraagd. Op 2 december 2011 om 17.51.34 zat de simkaart van aangever in de genoemde Blackberry. Om 18.45.23 diezelfde dag werd in deze telefoon gebruikt gemaakt van een sim-kaart behorende bij telefoonnummer [telefoonnummer]. Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat op naam van [naam] - de moeder van verdachte - , [adres] te Amersfoort. Op dit adres staat ook verdachte ingeschreven. Verdachte maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer].

Getuige [aangever 1] heeft verklaard dat hij in de eerste week van dit jaar op straat drie jongens zag staan. Hij herkende één van hen direct als de jongen die hem op 2 december 2011 had beroofd. Vervolgens heeft aangever [aangever 1] verdachte op 20 januari 2012 tijdens een fotoconfrontatie aangewezen als één van de daders. Dit was dezelfde jongen als de jongen die hij op straat had gezien. Deze jongen was degene die in eerste instantie geen mes had, maar later het mes van de andere jongen kreeg en [aangever 2] daarmee bedreigde.

4.3.3. Aanvullende bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 december 2011 de hele dag thuis was en niet weg is geweest. Getuige M’hand heeft bevestigd dat hij met verdachte bij hem thuis is geweest. Hij kwam daar op 2 december 2011 rond 16.30/17.00 uur aan en is rond 22.00 uur naar huis gegaan. Voorts heeft verdachte verklaard dat er op 2 december 2011 een jongen genaamd [naam] aan zijn raam was geweest met de vraag of verdachte zijn Blackberry voor hem wilde opladen en of hij zijn e-mail even mocht checken. Hierop heeft verdachte, naar eigen zeggen, zijn simkaart in de Blackberry gedaan, opdat [naam] zijn e-mail kon checken. Vervolgens zou Mohammed de Blackberry een à twee dagen bij verdachte hebben achtergelaten. Al die tijd zat de simkaart van verdachte in de Blackberry.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, in weerwil van het verleende alibi door getuige [getuige], niet aannemelijk. Immers, kort na de overval wordt met het telefoonnummer dat verdachte gebruikt, gebruik gemaakt van de nog geen uur daarvoor ontvreemde telefoon van aangever [aangever 2]. Zonder van dit feit op de hoogte te zijn, wijst aangever [aangever 1] vervolgens tijdens een fotoconfrontatie verdachte aan als één van de daders van de overval. Hij herkende verdachte meteen en had hierover geen enkele twijfel.

Deze beide omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat het verdachte is geweest die, samen met een nog onbekend gebleven andere dader, aangevers [aangever 2] en [aangever 1] heeft overvallen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 02 december 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één Blackberry toebehorende aan [aangever 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

en

op 02 december 2011 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] en [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van één Blackberry en een Iphone en geld (ongeveer 16 euro) en sigaretten, toebehorende aan die [aangever 1] en/of [aangever 2],

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader

- die [aangever 1] en [aangever 2] hebben meegelokt naar een steegje en

- die [aangever 1] en [aangever 2] een mes, tegen de keel en/of wang hebben gezet of gedrukt en

- tegen die [aangever 1] en [aangever 2] hebben gezegd dat zij hun telefoon moesten inleveren en

- tegen die [aangever 2] hebben gezegd: "Je moet niet proberen weg te lopen, ik heb hier een geladen wapen" en "Ik heb al twee jaar vastgezeten dus ik gebruik hem zo"

- die [aangever 1] en [aangever 2] aan hun kleding hebben gefouilleerd en

- tegen die [aangever 1] en [aangever 2] hebben gezegd: "Niet de politie bellen, we weten je te vinden. Ik schiet je zo de auto uit".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Meerdaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 241 dagen, waarvan 60 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren, alsmede de volgende bijzondere voorwaarden:

* de maatregel Hulp en Steun;

* de ITB Plus maatregel;

* een ambulante behandeling bij Barentsz of een soortgelijke instelling.

Voorts heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft de raadsman verzocht, mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, niet de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden uit te spreken en de schorsing van de voorlopige hechtenis niet door te laten lopen tot het moment dat de uitspraak in onderhavige zaak onherroepelijk is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een ander twee jongens op straat overvallen. Onder valse voorwendselen werden ze een steegje in genomen. Onder bedreiging van een mes, welk mes tegen de hals van beide slachtoffers is gezet, werden de slachtoffers daar gedwongen spullen af te geven aan verdachte en zijn mededader. Om er zeker van te zijn dat de slachtoffers al hun spullen hadden afgegeven, werden zij ook gefouilleerd.

Het behoeft geen uitleg dat het ondergaan van een gewapende overval, waarbij een mes op de keel van het slachtoffer wordt gezet, zeer traumatiserend voor de betrokkene moet zijn geweest. Dit volgt ook uit de onderbouwingen van de vorderingen tot vergoeding van geleden schade door de beide benadeelden. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stil gestaan en zijn eigen (financiële) gewin vooropgesteld. Daarbij heeft verdachte eraan bijgedragen dat in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid en onrust worden versterkt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 30 mei 2012. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een soortgelijk delict. Wel heeft verdachte in 2010 eenmaal een transactie aangeboden gekregen wegens een winkeldiefstal en is hij op 29 september 2010 veroordeeld wegens heling.

Omtrent de persoon van verdachte is d.d. 26 juni 2012 een (lijvig) Pro Justitia rapport opgesteld door M.D. Holtman, GZ-psycholoog en B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater, naar aanleiding van het verblijf van verdachte in Forensisch Centrum Teylingereind. Hierin staat onder meer dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis te omschrijven als een dysthyme stoornis en dat hij aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens lijdt die te omschrijven is als een oppositionele gedragsstoornis en een bedreigde persoonsontwikkeling. Beide zijn van structurele aard. Over de invloed die genoemde stoornissen zouden hebben kunnen gehad op het gedrag van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben de rapporteurs geen antwoord kunnen geven, nu verdachte het tenlastegelegde ontkent. Gelet op de problematiek van verdachte achten de rapporteurs het evenwel van belang dat verdachte een intensief behandeltraject in gaat, waarbij aandacht is voor zijn wantrouwen, somberheid en zijn grote moeite zich te laten kennen en een behandelrelatie aan te gaan. Geadviseerd wordt toezicht door de Jeugdreclassering in de vorm van ITB Plus aan verdachte op te leggen, zodat hij een dagbehandeling kan volgen, waarin hem scholing en therapie wordt aangeboden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op uitspraken in soortgelijke zaken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank acht daarentegen geen gronden aanwezig de, door de officier van justitie gevorderde, dadelijke uitvoerbaarheid uit te spreken.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 1] integraal toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit en komt om die reden niet toe aan een inhoudelijk verweer ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De vordering van benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 1.822,20, ter zake materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 1.822,20 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en bovendien niet weersproken. De rechtbank zal de vordering volledig en hoofdelijk toewijzen inclusief de wettelijke rente over de gevorderde bedragen.

Met betrekking tot de toe te kennen vordering van [aangever 2] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De vordering van benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 657,30, waarvan € 7,30 ter zake materiële schade en € 650,00 ter zaken immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 657,30 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en bovendien niet weersproken. De rechtbank zal de vordering volledig en hoofdelijk toewijzen inclusief de wettelijke rente over de gevorderde bedragen.

Met betrekking tot de toe te kennen vordering van [aangever 1] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. Het beslag

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen betreffende het beslag.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen betreffende het beslag

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.4. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77i. 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Voorwaardelijk verzoek

- de rechtbank wijst af het voorwaardelijk verzoek van de raadsman;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Meerdaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 241 (tweehonderdeenenveertig) dagen, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel hulp en steun moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht,waarvan de eerste tijd en voor zo lang Bureau Jeugdzorg dat wenselijk acht in de vorm van ITB-plus, ook als die aanwijzingen inhouden dat verdachte zal meewerken aan een ambulante behandeling bij Barentsz of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van €1.822,20 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van €657,30, waarvan € 7,30 ter zake van materiële schade en € 650,00 ter zaken van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen:

- benadeelde partij [aangever 2], € 1.822,20 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2011 tot de dag der voldoening en bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 28 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- benadeelde partij [aangever 1], € 657,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2011 tot de dag der voldoening en bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 en 2;

Voorlopige hechtenis

- Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van de dag waarop onderhavig vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. E.A. Messer en mr. I. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 juli 2012.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.