Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4712

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
16/655698-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld in vereniging (straatroof) tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655698-12; 16/512507-10 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

gedetineerd in PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen

raadsman mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen heeft geprobeerd om [aangever 1] op straat te beroven van zijn tas, laptop en/of Ipad.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de aangifte, de in het dossier opgenomen camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen gelet op het feit dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft bekend.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt.

Aangever [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 19 april 2012 om 00.55 uur via de [adres] te Utrecht richting zijn woning liep. In zijn rechterhand had hij een zwarte aktetas. In zijn aktetas zaten een laptop en een Ipad. Ter hoogte van café [naam] op de [adres] zag hij buiten op het terras een Hollandse jongen en twee buitenlandse jongens zitten. Aangever liep langs de jongens. Ineens hoorde hij voetstappen achter zich. Aangever zag en voelde dat de Hollandse jongen die hij eerder op het terras had gezien zijn aktetas probeerde af te pakken. De jongen trok hard aan zijn aktetas. Aangever zag dat de Hollandse jongen op de grond ging liggen om zo meer kracht te zetten en zich af te zetten. Aangever hield de aktetas stevig vast. Hij zag dat via de linkerzijde een getinte jongen hem probeerde om te duwen. De jongen probeerde hem uit balans te halen. Dit was de getinte jongen die ook op het terras zat. Aangever blokte de duw, heeft zich omgedraaid en is hard weggerend.

Deze verklaring van aangever wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de in het dossier opgenomen beelden van de bewakingscamera’s. [verbalisant] heeft in een proces-verbaal beschreven wat hij op de beelden heeft waargenomen. Verbalisant zag op de beelden dat de drie verdachten hadden plaatsgenomen op een terras. Op de achtergrond komt aangever voorbij lopen. Enkele ogenblikken later staan de drie verdachten op en zij lopen achter aangever aan. De drie verdachten beginnen te rennen met verdachte 1 voorop, verdachte 2 op de tweede plek en verdachte 3 als laatste. Verdachte 1 bereikt aangever als eerste en hij rukt aan de tas van aangever. Aangever houdt de tas stevig vast en verdachte 1 komt ten val. Verdachte 2 komt bij aangever en duwt hem tegen een winkelruit. Aangever kan zich losrukken en rent weg.

De rechtbank heeft de camerabeelden ter zitting bekeken. De door verbalisant [verbalisant] gegeven beschrijving van de camerabeelden wordt ondersteund door de beelden die de rechtbank op de zitting heeft gezien.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met twee andere jongens, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], in de nacht van 19 april 2012 op een bankje bij een café zat en dat er een man met een tas voorbij liep. Verdachte was opgestaan toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opstonden. Vervolgens waren ze met z’n drieën gaan rennen. Verdachte verklaarde dat hij de tas van de man had vastgepakt en dat hij aan de tas had getrokken. Verdachte verklaarde dat hij was gevallen en de aktetas had losgelaten. [medeverdachte 1] had de man vervolgens een duw gegeven. Verdachte heeft voorts verklaard dat de twee jongens die op de beelden het eerst richting de man renden, hij en [medeverdachte 1] waren.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd om door middel van geweld een aktetas, een laptop en een Ipad van aangever [aangever 1] weg te nemen. Nu de rechtbank op de camerabeelden heeft gezien dat de derde verdachte achterbleef op het moment dat verdachte en de medeverdachte richting aangever renden en deze verdachte niet bij aangever in de buurt was op het moment van het trekken aan de tas en het duwen van aangever acht de rechtbank bewezen dat verdachte de poging tot diefstal met geweld samen met één mededader heeft gepleegd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 april 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een aktetas en een laptop en een Ipad, toebehorende aan [aangever 1], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen die [aangever 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- (met kracht) aan die aktetas getrokken en

- (met kracht) die [aangever 1] geduwd en geprobeerd uit balans te krijgen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaar en verplicht reclasseringstoezicht en het deelnemen aan de noodzakelijk geachte cursussen als bijzondere voorwaarden.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en een voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering en zich onder behandeling laat stellen van De Waag. De verdediging heeft daarbij gewezen op het strafadvies van de William Schrikker Groep.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een mededader geprobeerd een aktetas met daarin een laptop en een Ipad van het slachtoffer te stelen. Daarbij is tegen het slachtoffer geweld gebruikt. Het slachtoffer liep in de nacht door het centrum van Utrecht en werd uit het niets door verdachte en zijn mededader overvallen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Dat het bij een poging is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte of zijn mededader te danken, maar aan het feit dat aangever bij machte was om zich te kunnen verzetten en weg te rennen. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer. Het handelen van verdachte moet zeer beangstigend zijn geweest voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog lange tijd gevoelens van angst kunnen ondervinden.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend betrokken te zijn geweest bij het delict. Verdachte legt daarbij het initiatief bij zijn mededader. De rechtbank heeft, gelet op het verhandelde ter zitting, de indruk dat verdachte zijn eigen aandeel in het delict hiermee bagatelliseert en dat hij niet de volledige openheid van zaken geeft die hij lijkt te geven.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 5 juni 2012 volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten en vermogensdelicten, waarvoor laatstelijk op 10 februari 2011 voor een openlijke geweldpleging en het medeplegen van een mishandeling tot een voorwaardelijke werkstraf.

Uit het voorlichtingsrapport van de William Schrikker Groep d.d. 26 juni 2012 blijkt dat verdachte een beïnvloedbare jongen is die uit impulsieve overwegingen een delict heeft gepleegd. Het is van belang dat verdachte zich in de toekomst niet laat meeslepen door verkeerde vrienden en dat hij de gevaren kent van alcohol en drugs. Voor een geslaagd traject en het verlagen van het recidiverisico zal verdachte moeten werken aan zijn huisvesting en een dagbesteding en zal hij een behandeling moeten volgen. Na detentie kan hij terecht bij de biologische vader van zijn vriendin, die dit heeft aangeboden en met wie verdachte goed contact heeft. Daarnaast kan verdachte na detentie (weer) hulp krijgen van zijn jobcoach. De jobcoach wil verdachte graag helpen om aan een dagbesteding te komen. Verdachte is bereid om een ambulante behandeling gericht op agressieregulatie te volgen. Verdachte heeft zijn gevoelens niet altijd onder controle, waardoor dit zich uit in agressief gedrag. Verdachte heeft meer structuur nodig om zijn afspraken en doelen na te komen. De William Schrikker Groep adviseert om verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan het toezicht door Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt dat verdachte moet meewerken aan het realiseren van een positieve woonsituatie en een dagbesteding en hij moet deelnemen aan een agressieregulatie-behandeling.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer in dit soort situaties terecht wil komen. Voor zijn detentie had hij goed contact met de jobcoach en opnieuw contact met de jobcoach na afloop van de detentie zou goed voor hem zijn. Verdachte verklaarde voorts bereid te zijn mee te werken aan een agressieregulatietraining.

Alles overziende en gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een passende straf is. De rechtbank houdt daarbij enerzijds rekening met de ernst van het feit en het strafblad van verdachte en anderzijds met de relatief jonge leeftijd van verdachte en de bevindingen van de William Schrikker Groep, waaruit blijkt dat begeleiding door de reclassering, met name op het gebied van huisvesting en het vinden van een dagbesteding, alsmede het volgen van een agressieregulatietraining, noodzakelijk zijn om het leven van verdachte op de rit te krijgen en te houden en om te voorkomen dat verdachte wederom strafbare feiten pleegt.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 136 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van twee jaar verbinden, alsmede de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat verdachte moet meewerken aan het realiseren van een positieve woonsituatie en een dagbesteding en moet deelnemen aan een agressieregulatietraining.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 30 uur subsidiair 15 dagen jeugddetentie, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de Kinderrechter van 10 februari 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf kan worden toegewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Nu de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om anders te oordelen, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat verdachte moet meewerken aan het realiseren van een positieve woonsituatie en een dagbesteding en moet deelnemen aan een agressieregulatietraining;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 10 februari 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/512507-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 30 uur subsidiair 15 dagen jeugddetentie;

- heft op de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 augustus 2012.