Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4309

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
16-711259-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak. Afwijzing verzoek van verdediging tot horen van getuigen. Dit verzoek heeft betrekking op de vraag of veroordeelde hetgeen in het onderliggende strafvonnis bewezen is verklaard heeft begaan. Voor deze verweren is in de ontnemingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16-711259-10 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 11 juli 2012

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Frans-Guyana),

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16-711259-10 waaruit blijkt dat veroordeelde op 31 oktober 2011 door de rechtbank Utrecht is veroordeeld onder meer wegens een gewoonte maken van witwassen tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de conclusie van antwoord van 15 november 2011;

- de conclusie van repliek van 29 november 2011;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 mei 2012, waarbij de officier van justitie, de veroordeelde en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De officier van justitie heeft de hoogte van het te ontnemen geldbedrag op de vordering ex artikel 511b Sv, te weten € 107.186,44, gewijzigd in een bedrag van € 110.291,44.

2 De verzoeken

Zoals de Hoge Raad in bestendige jurisprudentie tot uitdrukking heeft gebracht, is de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen, gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat wel onverlet dat aan de rechter oordelend op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.

De verdediging heeft verzocht om het horen van 16 getuigen. De rechtbank stelt vast dat het horen van het hoofd van de FIU en de opsporingsambtenaren Huijkes en Nas betrekking heeft op de vraag of het bewijs dat de rechtbank in haar uitspraak van 31 oktober 2011 ten grondslag heeft gelegd aan de bewezenverklaring, rechtmatig is verkregen. De verdediging heeft verzocht om het horen van de overige getuigen om daarmee te kunnen aantonen dat het geldbedrag op legale wijze is verkregen. De rechtbank stelt vast dat deze verweren betrekking hebben op de vraag of veroordeelde het bij uitspraak van 31 oktober 2011 reeds bewezen verklaarde heeft begaan. Voor deze verweren is in de onderhavige procedure echter geen plaats. De rechtbank is dan ook van oordeel dat veroordeelde door het niet horen van het hoofd FIU redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad en dat het horen van de overige getuigen niet noodzakelijk is. De rechtbank wijst de verzoeken af.

3 De beoordeling.

Bij vonnis van 31 oktober 2011 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde

- kort gezegd - in de periode van 21 november 2006 tot en met 13 december 2010, te Utrecht, een bedrag van in totaal 110.291,44 euro in contante betalingen en money transfers (te weten 49.246,44 euro en 61.045,00 euro), en een Volkswagen heeft witgewassen.

De omvang van het uit dat misdrijf verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt uit de volgende bewijsmiddelen .

In de periode van 21 november 2006 tot en met 13 december 2010 hebben in opdracht van veroordeelde 43 money transfers naar personen in Suriname en Frans-Guyana plaatsgevonden. In totaal heeft veroordeelde op deze wijze een bedrag van € 61.045,- naar diverse personen in deze twee landen gestuurd .

Op 13 december 2010 heeft de rechter-commissaris een groot aantal stortingsbewijzen van contant verrichte betalingen in de woning van veroordeelde aangetroffen. In het dossier bevindt zich een overzicht van deze stortingsbewijzen waaruit blijkt dat veroordeelde in de periode van 4 december 2006 tot en met 10 december 2010 een totaalbedrag van € 49.246,44 aan contant betaalde uitgaven heeft gedaan .

De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen af dat het werderrechtelijk verkregen voordeel € 110.291,44 (€ 61.045,- aan money transers en € 49.246,44 aan contant verrichte betalingen) bedraagt.

Aanvullende overweging

De raadsman heeft ter terechtzitting primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het geldbedrag van € 110.291,44 afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Zoals hiervoor onder 2 al is weergegeven, is de rechter in de ontnemingszaak in zo verre gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak.

Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 110.291,44.

Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting te matigen zal de rechtbank veroordeelde veroordelen tot betaling van dat bedrag.

4 De beslissing.

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 110.291,44;

- legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 110.291,44, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juli 2012.