Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4241

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
297281 - FA RK 10-7238
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding. Onverkorte toepassing huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar gezien jarenlang bestendig gedrag van echtelieden zowel tijdens langdurig huwelijk als tijdens lange periode van feitelijk gescheiden leven met in stand lating van het huwelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 114
Burgerlijk Wetboek Boek 1 115
Burgerlijk Wetboek Boek 1 116
Burgerlijk Wetboek Boek 1 117
Burgerlijk Wetboek Boek 1 118
Burgerlijk Wetboek Boek 1 119
Burgerlijk Wetboek Boek 1 120
Burgerlijk Wetboek Boek 1 121
Burgerlijk Wetboek Boek 1 122
Burgerlijk Wetboek Boek 1 123
Burgerlijk Wetboek Boek 1 124
Burgerlijk Wetboek Boek 1 125
Burgerlijk Wetboek Boek 1 126
Burgerlijk Wetboek Boek 1 127
Burgerlijk Wetboek Boek 1 128
Burgerlijk Wetboek Boek 1 129
Burgerlijk Wetboek Boek 1 130
Burgerlijk Wetboek Boek 1 131
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/153 met annotatie van B.E. Reinhartz
RN 2012/105
RFR 2012/140

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector Familie & Toezicht

zaaknummer / rekestnummer: 297281 / FA RK 10-7238

Beschikking van 1 augustus 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, hierna te noemen “de man”,

advocaat mr. J. Ran

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, hierna te noemen “de vrouw”,

advocaat mr. M. Vleesch du Bois.

1. Verdere verloop van de procedure

1.1. Op 16 november 2011 heeft de rechtbank een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar die beschikking.

1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, te weten:

? de akte na afsplitsing van de vrouw van 12 januari 2012

? de antwoordakte na afsplitsing van de man van 29 februari 2012

? de brief van mr. Vleesch du Bois van 22 mei 2012 met bijlagen.

1.3. De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 4 juni 2012. Hierbij zijn verschenen partijen met hun raadslieden.

2. Vaststaande feiten

2.1. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de op 16 november 2011 gegeven beschikking. Ter zitting hebben partijen medegedeeld dat de echtscheidingsbeschikking op 26 januari 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. Beoordeling van het verzochte

Inleiding

3.1. Tussen partijen is nog in geschil de afwikkeling van de financiële gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk. De vrouw heeft de rechtbank bij verweerschrift verzocht de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen, welk verzoek zij bij haar akte na afsplitsing nader heeft geconcretiseerd. De man heeft – kort gezegd – de rechtbank eveneens verzocht ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de ontstane eenvoudige gemeenschap van inboedel te beslissen en wel op een concreet door hem aangeduide wijze. De rechtbank zal hierna op de stellingen en weren van partijen, voor zover (nog) relevant voor de beoordeling van de aan de rechtbank voorgelegde geschilpunten, ingaan.

3.2. Partijen zijn op 6 mei 1960 in Duitsland gehuwd onder opmaking van Duitse huwelijkse voorwaarden (een zogenaamd Güterrechtsvertrag). Niet in geschil is dat het Haags huwelijksvermogensverdrag 1905 van toepassing is op de gevolgen van het huwelijk van partijen. Op grond van artikel 5 van dat verdrag is het Nederlandse recht van toepassing op afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden na echtscheiding. De Duitse huwelijkse voorwaarden dienen dus naar Nederlands recht te worden uitgelegd en beoordeeld.

Het juridisch kader voor de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen

3.3. De huwelijkse voorwaarden van partijen houden een uitsluiting van elke goederen-gemeenschap in zonder verrekenplicht. De man heeft echter gesteld dat partijen er altijd vanuit zijn gegaan en hebben geleefd alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. Ter terechtzitting van 4 juni 2012 heeft de man verklaard dat hij de huwelijkse voorwaarden is aangegaan met als enige gedachte dat hij het woonhuis van partijen wilde beschermen tegen mogelijk toekomstige zakelijke schuldeisers van de man. Daarom heeft hij destijds zowel het woonhuis aan de [adres] te [woonplaats] als de grond aan de [adres] te [woonplaats] op naam van de vrouw doen stellen. Het inkomen van de man hebben partijen volgens hem echter altijd als gemeenschappelijk aangemerkt en de vrouw was dan ook gemachtigd om geld op te nemen van zijn bankrekeningen.

Partijen gingen in februari 1991 feitelijk uit elkaar. Ter terechtzitting heeft de man verklaard dat hij ook op dat moment geen gelden heeft onttrokken aan het gezin omdat de vrouw de liefde van zijn leven was geweest. De man wilde de vermogensvermenging niet ongedaan maken. Alle bankrekeningen werden door partijen ook na deze feitelijke scheiding gezamenlijk gebruikt. De vrouw was gerechtigd om hetgeen zij nodig had op te nemen van de bankrekeningen van de man. De man stelt zich op het standpunt dat de financiële afwikkeling tussen partijen moet geschieden alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd omdat dit het meest recht doet aan de wijze waarop partijen altijd hebben geleefd. De redelijkheid en billijkheid brengt de door de man voorgestane wijze van afwikkeling ook met zich mee, aldus de man.

3.4. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij het huishouden en de kinderen van partijen verzorgde en dat de man het inkomen verwierf. Zij stelt dat zij bij aanvang van het huwelijk niet de betekenis kende van de huwelijkse voorwaarden. Tevens stelt de vrouw dat de intentie van de man om het woonhuis van partijen op haar naam te stellen vanwege eventuele aanspraken van crediteuren niet bij de notaris is besproken toen het woonhuis en de grond op haar naam zijn gesteld. Wel heeft de man volgens haar bij de overdracht van het woonhuis aan partijen verklaard dat dit huis van de vrouw was. Daarvan is zij ook altijd uitgegaan omdat er nooit anders is besproken. Zij had op dat moment niet de gedachte dat de man daarbij een speciale bedoeling had, bijvoorbeeld om haar te verzorgen. Die gedachte is later wel bij de vrouw opgekomen toen haar is gebleken dat haar huwelijk niet zo goed was als zijn eerder meende. Tijdens het huwelijk kon de vrouw geld opnemen van de bankrekeningen en had zij ook inzage in de bankafschriften. Voorts heeft de vrouw verklaard dat bij het vertrek van de man uit de echtelijke woning in 1991, op de gemeenschappelijke rekening het inkomen van de man en later zijn pensioen werd gestort en dat zij, de kinderen en de man daarvan leefden.

3.5. De rechtbank overweegt dat de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden het uitgangspunt zijn bij de financiële afwikkeling van de gevolgen van het ontbonden huwelijk van partijen. Naar vaste rechtspraak heeft echter te gelden dat een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij zeer wel belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijkse voorwaarden (Hoge Raad 18 juni 2004, LJN: AO7004). De man heeft hierop een beroep gedaan en de rechtbank acht dat beroep gegrond. Immers uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank genoegzaam gebleken dat partijen inderdaad gedurende hun vijftig jaar durende huwelijk op bestendige wijze hebben geleefd als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd en aldus volledig hebben afgeweken van de inhoud en strekking van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden. Dat daarbij het woonhuis en de grond op naam van de vrouw zijn gesteld, doet daar niet aan af, nu de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard dat zij eerst toen haar bleek dat haar huwelijk niet zo goed was, bedacht dat er een bijzondere reden ten grondslag lag aan het op haar naam doen stellen van het woonhuis en de grond. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat partijen dit onderling overeenstemmende gedrag ook gedurende de 20 jaar waarin zij reeds gescheiden leefden hebben voortgezet zonder enige vorm van overleg. De rechtbank is dan ook met de man van oordeel dat gegeven voorgaande weergave van het zeer langdurige bestendige gedrag van partijen - dat er op neer komt dat partijen hebben geleefd als ware zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd - de toepasselijkheid van de tussen hen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen uitsluiting van elke goederengemeenschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid inderdaad onaanvaardbaar is. De rechtbank verbindt aan het voorgaande het gevolg dat de huwelijkse voorwaarden moeten worden afgewikkeld als ware partijen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. De rechtbank neemt dit dan ook tot uitgangspunt bij de beoordeling van het voorliggende geschil.

Peildatum verrekening huwelijkse voorwaarden

3.6. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de te hanteren peildatum voor de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden. In deze voorwaarden is ook geen datum voor afwikkeling opgenomen. De vrouw heeft gesteld dat 16 november 2011, zijnde de datum waarop de echtscheiding is uitgesproken, dient te worden aangehouden als peildatum voor de verdeling en verrekening omdat de man na deze datum € 40.000,00 van de gezamenlijke bankrekening van partijen heeft overgeboekt naar zijn privérekening. Ter terechtzitting heeft de vrouw verklaard dat het aanhouden van een andere peildatum dan 16 november 2011 meer verrekenposten oplevert en dat partijen tot aan die datum financieel nog op dezelfde voet leefden als voorheen. De man heeft dat niet betwist. Hij heeft ter zitting slechts gesteld dat als peildatum de datum van indiening van het echtscheidings-verzoekschrift moet gelden.

3.7. De rechtbank merkt allereerst op dat in de huwelijkse voorwaarden van partijen geen verrekenplicht is opgenomen zodat artikel 1:142 BW geen houvast biedt bij de bepaling van de peildatum voor de financiële afwikkeling tussen partijen. De rechtbank zal, tenzij zij hierna per vermogensbestanddeel anders bepaalt, 16 november 2011 aanhouden als peildatum voor de financiële afwikkeling tussen partijen omdat als onbetwist is komen vaststaan dat partijen tot deze datum financieel nog op gelijke voet leefden als voorheen en de rechtbank het aanhouden van deze datum als peildatum, gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.5. is overwogen, het meest in overeenstemming acht met de redelijkheid en billijkheid.

De woning aan de [adres] te [woonplaats]

3.8. De vrouw stelt zich op het standpunt dat deze woning tot haar privévermogen behoort zodat er ter zake niets te verdelen of te verrekenen is. De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat hij gerechtigd is tot de helft van de waarde van de (voormalige) echtelijke woning en de vrouw te veroordelen tot betaling hiervan aan de man. Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de waarde van de woning.

3.9. De rechtbank stelt allereerst voorop dat de woning goederenrechtelijk in eigendom toebehoort aan de vrouw. Aan de rechtbank ligt slechts de vraag voor of de waarde van de woning in de verrekening moet worden betrokken. De rechtbank heeft hiervoor in rechtsoverweging 3.5. geoordeeld dat de financiële afwikkeling tussen partijen dient te geschieden als ware er in hun huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding opgenomen inhoudende een verrekening bij echtscheiding alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. De rechtbank is daarmee dan ook van oordeel dat de waarde van de woning aan de [adres] te [woonplaats] in de verrekening dient te worden betrokken. De vrouw dient de helft van deze waarde per peildatum 16 november 2011 met de man te verrekenen. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat als waarde heeft te gelden de vrije onderhandse verkoopwaarde. De man heeft de rechtbank eveneens verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling van deze waarde. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, nu de vrouw zich daartegen niet heeft verweerd anders dan stellende dat er niets te verdelen of te verrekenen valt omdat de woning tot haar privévermogen behoort.

De bankrekeningen

3.10. Partijen hebben de diverse bankrekeningen. Uit de overgelegde dossierstukken en het verhandelde op zitting blijkt dat op naam van de vrouw zijn gesteld de bankrekening bij ABN AMRO met nummer [nummer] en de bankrekening bij SNS bank met nummer [nummer]. Op naam van de man zijn gesteld de rekening bij ING bank met nummer [nummer] en de bankrekening bij Rabobank met nummer [nummer]. Op beider namen zijn gesteld de betaal- en toprekening bij ING bank met nummer [nummer] en de bankrekeningen bij ABN AMRO met nummers [nummer] en [nummer]. Tussen partijen is niet in geschil dat bankrekening [nummer] alleen door de vrouw werd gebruikt en dat de overige twee gezamenlijke bankrekeningen (ING [nummer] en ABN AMRO [nummer]) door partijen gezamenlijk werden gebruikt.

3.11. De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen moet worden verrekend als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd, zoals hiervoor uit rechtsoverweging 3.5. reeds volgt. Partijen dienen dan ook de saldi van alle bovenstaande bankrekeningen op de peildatum 16 november 2011 met elkaar te verrekenen aldus dat ieder de helft van het totale saldo krijgt. Nu tussen partijen niet in geschil is dat bankrekening [nummer], die op beider namen is gesteld, alleen in gebruik was bij de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat de saldo-ontwikkeling van deze rekening na 16 november 2011 alleen de vrouw regardeert. Dat geldt niet voor de saldo-ontwikkeling na voornoemde datum van de overige twee gezamenlijke bankrekeningen zolang partijen deze rekeningen niet (doen) opheffen of de tenaamstelling daarvan (doen) wijzigen.

Vordering van de man op de zoon van partijen

3.12. De vrouw heeft zich in haar akte na afsplitsing op het standpunt gesteld dat tot het privévermogen van de man behoort een vordering op de zoon van partijen ter hoogte van circa € 40.000,00. Ter terechtzitting heeft de vrouw zich echter op het standpunt gesteld dat als de rechtbank van oordeel is dat er tussen partijen moet worden verrekend als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd, dat deze vordering dan ook moet worden meegenomen in de financiële afwikkeling tussen partijen. De man heeft dat niet weersproken, zodat de rechtbank zal bepalen dat in de interne verhouding tussen partijen aan de vrouw de helft van de vordering op de zoon van partijen toekomt.

De auto (Honda)

3.13. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw aan hem € 19.000,00 dient te vergoeden op grond van artikel 1:87 (nieuw) BW omdat zij voor dit bedrag op 18 augustus 2011 een auto heeft gekocht van de gemeenschappelijke bankrekening met nummer [nummer]. Ter terechtzitting heeft de man in dat kader verklaard dat de auto is betaald met gelden die hem toebehoren.

3.14. De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat de man er bij haar al jarenlang op heeft aangedrongen een andere auto te kopen. Hij heeft zelfs haar auto naar de sloop gebracht zodat zij in de auto van de zoon van partijen moest rijden. De vrouw had een tweedehands auto willen kopen, maar door de dalende autoprijzen kon zij voor het geld dat zij wilde besteden nu een nieuwe auto kopen en dat heeft zij gedaan. Zij verklaarde ter terechtzitting tevens dat de man haar zelfs gezegd heeft welke auto zij moest kopen.

3.15. De rechtbank is van oordeel dat, nu partijen moeten verrekenen als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd, de waarde van de auto die de vrouw heeft aangeschaft in de verrekening moet worden betrokken aldus dat ieder de helft van deze waarde toekomt. Tussen partijen is niet in geschil dat deze auto is aangeschaft op 18 augustus 2011 voor

€ 19.000,00. Partijen hebben zich niet verder uitgelaten over de waarde van deze auto op de peildatum 16 november 2011, maar gegeven het feit dat deze peildatum slechts 3 maanden na de aanschaf van de auto is gelegen, gaat de rechtbank er vanuit dat deze auto op de peildatum nog altijd € 19.000,00 waard was. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw aan de man ter zake deze auto € 9.500,00 moet vergoeden.

Inboedel

3.16. Ter terechtzitting hebben partijen afgesproken dat zij de resterende geschilpunten ten aanzien van de verdeling van de inboedel en de inhoud van de kluis in onderling overleg zullen regelen, zodat deze verdeling voor de rechtbank geen beslispunt (meer) is.

Pensioenrechten

3.17. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de pensioenen van partijen moeten worden verevend volgens de Wet. Ter terechtzitting hebben partijen afgesproken dat zij over en weer de benodigde formulieren ten behoeve van deze pensioenverevening zullen uitwisselen, zodat de rechtbank over de pensioenverevening geen beslissing hoeft te nemen.

Finale kwijting

3.18. De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de huwelijkse voorwaarden van partijen na afwikkeling op de door haar voorgestane wijze geheel zullen zijn afgewikkeld en dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit verzoek zal toewijzen.

Slot

3.19. Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. bepaalt in het kader van de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden dat:

? de vrouw de helft van de vrije verkoopwaarde per 16 november 2011 van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de man moet vergoeden,

? partijen de saldi van de in rechtsoverweging 3.10. geduide bankrekeningen op de peildatum 16 november 2011 met elkaar moeten verrekenen aldus dat ieder de helft van het totale saldo krijgt,

? in de interne verhouding tussen partijen aan de vrouw de helft van de vordering op de zoon van partijen toekomt,

? de vrouw aan de man ter zake de auto (Honda) € 9.500,00 moet voldoen aan de man,

4.2. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van:

? de helft van de vrije verkoopwaarde per 16 november 2011 van de woning aan de [adres] te [woonplaats],

? een bedrag van € 9.500,00 ter zake de auto (Honda),

4.3. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4. wijst het meer of anders verzochte af,

4.5. bepaalt dat ieder van partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.G.M. Buys, rechter, in het bijzijn van mr. C.W.N.C. van den Brandt-Simons, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2012.?