Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4202

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
16-655729-12 [p]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dealen van drugs op straat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655729-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

Gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

raadsman mr. B. Leemhuis, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 juli 2012, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. meermalen harddrugs heeft verkocht;

2. een hoeveelheid bolletjes harddrugs aanwezig heeft gehad;

3. als ongewenst vreemdeling in Nederland heeft verbleven.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen harddrugs heeft verkocht en 14 bolletjes heroïne en cocaïne aanwezig heeft gehad. Zij baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien. Zij acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in Nederland als vreemdeling verbleef terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard, nu uit de stukken niet blijkt dat verdachte op de hoogte was of had kunnen zijn van het besluit daartoe.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het dealen van harddrugs. De raadsman wijst erop dat getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris heel anders heeft verklaard dan bij de politie waar zij zonder tolk is gehoord, terwijl de rechter-commissaris oordeelde dat zij de Nederlandse taal niet behoorlijk machtig was. Voorts heeft ook de getuige [getuige 2] aanvankelijk verklaard niets van cliënt te hebben gekocht. Ook is door de getuigen tot twee keer toe verklaard dat er hasj wordt verkocht op de [adres]. Dit is van belang voor de beoordeling van de observaties van de verbalisanten: als er al iets verkocht wordt, dan is het nog maar de vraag of het gaat om harddrugs. In ieder geval kan een langere periode niet bewezen verklaard worden. Alles aldus de verdediging.

De verdediging is met de officier van justitie van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. De raadsman heeft daartoe stukken overgelegd van mr. Drenth, die verdachte bijstaat inzake vreemdelingenkwesties.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen is het navolgende komen vast te staan:

Op 27 januari 2012 kwamen er bij de politie twee meldingen binnen van bewoners van de [adres] in Utrecht over een man die tussen 12.00 uur en 17.00 uur meermalen per dag over de [adres] heen en weer liep en vermoedelijk drugs dealde op deze [adres]. De man had een lichtgetinte huidskleur, normaal postuur, kort geschoren baardje, was vaak gekleed in een donkere jas en verplaatste zich meestal te voet. Hierna is door verbalisanten geobserveerd op tijdstippen in de middag op 1 februari 2012, 23 februari 2012, 28 februari 2012 en 24 april 2012 , de dag waarop verdachte is aangehouden. In deze periode is op iedere observatiedag geconstateerd dat verdachte vanaf de [adres] de [adres] inliep, even nadat een persoon of een auto de [adres] inging en daar een wachtende indruk maakte. Verdachte had vervolgens een kortdurend contact met deze wachtenden, in een aantal gevallen is gezien dat er door de ene persoon iets aan verdachte werd gegeven, waarna verdachte iets teruggaf. Tijdens de observatie op 28 februari 2012 zijn foto’s gemaakt van verdachte. Op 24 april 2012 werd gezien dat een BMW met kenteken [kenteken], die bij een eerdere observatie ook was gesignaleerd , vanaf de [adres] de [adres] inreed en daar stopte. Vervolgens kwam verdachte uit de belwinkel [naam] en liep naar de bestuurder van de BMW, waarbij iets werd over gegeven. Verdachte liep daarna weer terug naar de belwinkel. Deze BMW is gevolgd en de inzittenden zijn aangehouden. De bestuurder [getuige 2] bleek twee bolletjes harddrugs gekocht te hebben van verdachte. Hij kende verdachte als dealer en vertelde dat verdachte iedere dag tussen 12.00 uur en 16.00 uur op de [adres] staat vlakbij een internetcafé. Iets later diezelfde middag werd gezien dat een man de [adres] inliep, waarop verdachte uit de belwinkel [naam] kwam lopen. Nadat zij samen een stukje opliepen werd er verderop iets aan elkaar overgegeven. Hierover heeft [getuige 3] verklaard dat hij voor €10,- een bolletje heroïne heeft gekocht van verdachte en dat hij daartoe met hem moest meelopen van een grote straat naar een kleine straat.

In de insluitingsfouillering van verdachte is een geldbuideltje aangetroffen waarin 4 bolletjes heroïne, met een totaalgewicht van 0.99 gram en 7 bolletjes cocaïne, met een totaalgewicht van 1.18 gram zaten De drugs waren verpakt in groen en in wit plastic. De afmeting van de bolletjes en het verpakkingsmateriaal kwam exact overeen met de bij [getuige 2] en [getuige 3] aangetroffen bolletjes.

Bij verdachte is daarnaast een portemonnee aangetroffen met één bankbiljet van €50,-, twee van €20,-, zeven van €10,- en één van €5,-.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij heroïne en cocaïne bij zich had voor eigen gebruik, dat hij soms wel en soms niet gebruikt, dat hij geen bron van inkomsten heeft en dat hij het bij hem aangetroffen geld van een vriend had gekregen. Hij herkende zich zelf op de aan hem getoonde foto’s 2 en 3 in de persoon met de blauwe spijkerbroek en de lange donkere jas.

De rechtbank concludeert uit de voorgaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, dat verdachte in de periode van 27 januari 2012 tot en met 24 april 2012 meermalen harddrugs in de vorm van heroïne en cocaïne heeft verkocht. De rechtbank concludeert tevens dat hij op 24 april 2012 14 bolletjes heroïne en cocaïne aanwezig heeft gehad, nu hij kort voor zijn aanhouding, waarbij 11 bolletjes bij hem zijn aangetroffen, 2 respectievelijk 1 bolletje heeft verkocht aan eerder genoemde [getuige 2] respectievelijk [getuige 3]. De rechtbank acht derhalve de aan verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de 11 bij hem aangetroffen bolletjes heroïne en cocaïne bij zich had voor eigen gebruik niet aannemelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid geen gebruikershoeveelheid is. De lezing van verdachte wordt daarnaast door de overige bewijsmiddelen weersproken.

De rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van de tegen verdachte afgelegde belastende verklaring bij de politie van de getuige [getuige 1], nu zij zonder tolk is gehoord, terwijl bij het verhoor bij de rechter-commissaris, waar zij verklaarde dat zij over een andere persoon dan verdachte heeft gesproken, onmiskenbaar is gebleken dat zij de Nederlandse taal niet behoorlijk machtig is en om die reden aldaar met een tolk is gehoord.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Publicatie van de beschikking in de Staatscourant en het horen van betrokkene door de korpschef van de politie regio Utrecht op het voorstel tot ongewenstverklaring is daartoe onvoldoende, te meer nu uit de beschikking en uit door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de destijds gestelde raadsman mr. H. Drenth niet in de procedure is betrokken en - ondanks het uitdrukkelijke verzoek om als bepaaldelijk gevolmachtigde van verdachte over een mogelijke ongewenstverklaring op de hoogte te worden gehouden - geen correspondentie dienaangaande heeft ontvangen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem onder 3. ten laste gelegde feit.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 27 januari 2012 tot en met 24 april 2012 te

Utrecht meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en

verstrekt en vervoerd, telkens een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 24 april 2012 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad

14 bolletjes (bevattende ongeveer 1,18 gram cocaïne en ongeveer 0,99 gram heroïne zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om bij de oplegging van de straf voor het aanwezig hebben van harddrugs de richtlijn voor verslaafden te hanteren, hetgeen neerkomt op een gevangenisstraf van twee weken. Er mag geen rekening worden gehouden met een eerdere veroordeling voor het bezit van harddrugs nu het hoger beroep daarvan nog loopt, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enige maanden schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs. De gebruikers kwamen midden op de dag in een woonstraat in de nabijheid van een kinderdagverblijf van verdachte afnemen. Hierdoor werd overlast veroorzaakt voor de omwonenden. Verdachte is hiervoor verantwoordelijk. Daarnaast is verdachte medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat heroïne en cocaïne stoffen zijn die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een lichtere sanctie.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag bestaande uit een aantal bankbiljetten en enkele munten, is vatbaar voor verbeurdverklaring

Gebleken is dat dit aan verdachte toebehoort en geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezenverklaarde feit is verkregen.

7.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen (te weten een fiets en een mobiele telefoon) aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 33, 33a, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3. tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft de voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de thans opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag te weten:

€ 165,25 (629191, datum in beslagname 24-04-12)

- gelast de teruggave aan verdachte van:

1.00 STK Fiets Kl:zwart, SPARTA Apollo

629111, fietstassen achterzijde, overgespoten

en

1.00 STK Mobiel Kl:grijs, NOKIA rh-64, 629193.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. P. Bender en

mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 augustus 2012.