Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4061

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
16-655581-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor eendaadse samenloop van A diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655581-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein.

Raadsman mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een diefstal met geweld heeft gepleegd

en/of

een poging zware mishandeling, althans een mishandeling, heeft gepleegd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, wat bewezen dient te worden als een eendaadse samenloop van diefstal met geweld en poging tot zware mishandeling.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is zowel ten aanzien van de diefstal als ook voor de ten laste gelegde geweldscomponent. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, er hooguit sprake is van een eenvoudige mishandeling.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Bewijsmiddelen

Op 21 maart 2012 heeft aangeefster [aangever 1] bij de politie verklaard dat zij op woensdag 21 maart 2012 omstreeks 12.45 uur in Utrecht was. Zij zat met haar man in de [bedrijf 1] in restaurant [bedrijf 1]. Aangeefster is aan een tafel gaan zitten, heeft haar jas over een stoel gehangen en zij is zelf op de stoel er tegenover gaan zitten. Toen haar man eten had gehaald, is hij tegenover haar komen zitten op de stoel waarop aangeefster haar jas had gehangen. Enige tijd later zag aangeefster een man aan de tafel achter haar man plaats nemen. De man had een rode jas aan. Zij zag vervolgens dat de man met zijn hoofd naar achteren en naar rechts leunde. Aangeefster vond dit vreemd. Zij zag dat de leuningen van de stoel van haar man en de man met de rode jas bijna tegen elkaar aankwamen. Aangeefster zag dat de man schuin naar achteren keek. Zij zag ook dat de man met de rode jas iets met zijn handen deed aan de zijkant. Hierdoor kreeg aangeefster argwaan. Zij is toen gelijk gaan staan en naar haar jas gelopen. Zij voelde aan de linker binnenzak van haar jas en zij zag dat de rits van de binnenzak open stond, terwijl zij zeker wist dat de rits dicht zat. Zij voelde in de zak en ontdekte dat haar portemonnee weg was. Op het moment dat aangeefster haar jas pakte, zag zij dat de man met de rode jas opstapte en weg liep. Samen met haar man is zij toen achter de man aangegaan. Op een gegeven moment rende de man van aangeefster haar voorbij. Vervolgens is aangeefster haar man en de man in de rode jas uit het oog verloren. Bij de [bedrijf 2] zag aangeefster dat haar man de man met de rode jas vasthad. Hij werd daarbij geholpen door drie andere personen.

[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij tegenover zijn vrouw aan een tafeltje in het restaurant van de [bedrijf 1] zat. Plotseling zag hij aan zijn linkerzijde dat de mouw van de jas van zijn vrouw, die over de leuning van zijn stoel hing, bewoog. Hij zag dat zijn vrouw opstond en naar haar jas liep. Hij hoorde haar vervolgens zeggen dat zij gerold was. Hij zag dat zijn vrouw in haar jas voelde en hij hoorde haar zeggen dat haar portemonnee gestolen was. Zij riep nog tegen hem: “Daar gaat hij”. Direct hierop is [betrokkene 1] achter de man aangelopen. Hij heeft meerdere malen geroepen: "Houd die man tegen, want die heeft een portemonnee gestolen”. [betrokkene 1] liep hard achter de man aan op ongeveer dertig meter afstand. Toen hij aan het eind van de [adres] bij de [adres] was, zag hij dat er drie mannen bij de man stonden. Er werd getrokken en geduwd door de drie personen. Hij zag dat de mannen met elkaar in gevecht waren. Hij zag dat de man weg wilde komen, maar vervolgens weer werd vastgepakt door de andere mannen. Als gevolg van de schermutseling viel de man door de glazen ruit van de [bedrijf 2]. Kort daarna kwam de politie ter plaatse.

Aangever [aangever 2] heeft bij de politie verklaard dat hij zich op 21 maart 2012 omstreeks 12.45 uur ter hoogte van de [adres] in de gemeente Utrecht bevond. Hij was in zijn privétijd in burger gekleed en, hoewel werkzaam bij de spoorwegpolitie, toen niet als politiemedewerker in dienst. [aangever 2] hoorde dat iemand riep: “Houd de dief, hou hem tegen”. Hierop draaide hij zich om en zag een man zijn richting op komen rennen. Hij stapte naar voren en riep met luide stem: “Stop politie!” Hij zag dat verdachte zijn linkerarm omhoog haalde en hem sloeg. Hij is toen gelijk achter verdachte aangerend en riep nogmaals “Politie, blijven staan”. En: “Je bent aangehouden!” Ter hoogte van de bloemenkiosk haalde hij verdachte in. Hij pakte verdachte vast aan zijn linkerarm. Hij zag dat verdachte verzet pleegde door de andere kant op te bewegen en zijn linkerarm aan te spannen. Hij riep nogmaals dat hij was aangehouden. Verdachte werd agressief en begon om zich heen te slaan. Hierdoor had hij verdachte niet meer vast. Hij nam wat afstand en een aantal omstanders hielpen hem vervolgens.

Hij hoorde verdachte tegen hem zeggen: “Ik ken jou, ik weet waar jij werkt, jij bent van mij. Ik onthoud jouw gezicht en kom je wel tegen.” Hij zag dat verdachte hem aankeek toen hij deze woorden uitte tegen hem. Hierdoor voelde hij zich bedreigd. Tevens zag hij dat verdachte zijn zonnebril, welke hij op zijn hoofd droeg, van zijn hoofd af sloeg. Deze bril is hierdoor verbogen.

De geneeskundige verklaring, d.d. 22 maart 2012, betreffende [aangever 2] die inhoudt dat hij pijn heeft in zijn onderrug en lokaal verharde en pijnlijke spieren heeft. Er is verder sprake van een kneuzing en een verdraaiing.

Aangever [aangever 3] heeft bij de politie verklaard dat op 21 maart 2012 op de [adres] te Utrecht een man op hem kwam afgerend. De man had in zijn rechterhand een grote zwarte portemonnee. [aangever 3] zag dat de man hem voorbij rende richting de [adres]. Hij zag dat er nog een man aangerend kwam. Ter hoogte van de [bedrijf 2] zag hij dat de man door omstanders was vastgepakt. Hierop belde hij de politie. De vastgepakte man probeerde zich los te rukken. Aangever zag de portemonnee niet meer. Op een gegeven moment heeft [aangever 3] een paar omstanders geholpen om te zorgen dat de man niet ergens met een paar mannen naar binnen ging. Vervolgens zag hij dat de aangehouden man hem recht aan keek. Hij zag dat zijn hoofd naar achteren bewoog en dat hij deze vervolgens met kracht naar voren zwaaide. [aangever 3] zag en voelde dat de man hem een kopstoot gaf. Hij voelde dat de man zijn lip raakte. [aangever 3] voelde direct pijn. Vervolgens arriveerde de politie.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 21 maart 2012 met een vriend van hem, [aangever 3], op de [adres] te Utrecht liep. Hij zag dat er twee mensen (een man en een vrouw) aan het schreeuwen waren. Zij riepen “Help” of woorden van gelijke strekking. Hij zag dat een man in zijn richting kwam rennen en hem vervolgens voorbij rende. Hij hoorde dat een van de twee mensen riep “Ik ben bestolen”. Hij zag dat zijn vriend achter de man aan rende. Hij zag dat de man een portemonnee in zijn handen had. Toen [getuige 1] bij de [bedrijf 2] kwam, zag hij dat de man werd vastgehouden door een man in een joggingbroek. [aangever 3] belde de politie. [getuige 1] zag dat de man werd vastgehouden door vijf mensen die moeite hadden om de man onder controle te krijgen. Hij zag en hoorde dat de man door de ruit van de [bedrijf 2] viel. Hij zag dat de man weer werd gepakt. Hij zag dat de man nog steeds niet rustig was. Hij zag dat de man [aangever 3] een kopstoot gaf. Vervolgens kwam de politie.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 21 maart 2012 in het restaurant van [bedrijf 1] van de [bedrijf 1] te Utrecht zat. Hij heeft aangeefster daar gezien. Hij is vervolgens weggegaan. Buiten hoorde verdachte aangeefster roepen “Houd de dief”. Verdachte heeft ook gehoord dat iemand naar hem riep: “Stop, politie”. Hierop is de verdachte gaan rennen. Even later is hij aangehouden door, naar later bleek, een agent in burger. Nadat verdachte door de glazen ruit van de [bedrijf 2] viel, was hij in shock. Hij wilde vervolgens even op een trapje gaan zitten. Er waren veel mensen om hem heen. Verdachte kan zich herinneren dat hij iets voelde op zijn voorhoofd. Verdachte heeft daarover ter zitting verklaard dat hij misschien wel iemand met zijn voorhoofd heeft geraakt.

4.3.2. Bewijsoverweging

De rechtbank acht gelet op voornoemde bewijsmiddelen het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de verdediging dat verdachte geen diefstal zou hebben gepleegd en geen geweld zou hebben gebruikt om de vlucht mogelijk te maken, wordt verworpen. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich tegen zijn aanhouding heeft verzet en dat hij zich van omstanders, waaronder een agent in burger, heeft geprobeerd los te rukken en daarbij geweld heeft gebruikt.

Gelet op zijn forse verzet acht de rechtbank niet aannemelijk dat de verdachte, zoals hij verklaard heeft, de ander per ongeluk met zijn voorhoofd heeft geraakt. De rechtbank acht opzet op de kopstoot bewezen.

Vrijspraak

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank was het opzet van verdachte er niet op gericht om [aangever 3] door het geven van een kopstoot zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook naar algemene ervaringsregels de kans op zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 3] tengevolge van voormelde gedragingen van verdachte niet zonder meer aanmerkelijk is te achten, zodat ook voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel van [aangever 3] niet bewezen kan worden geacht. De rechtbank zal verdachte derhalve daarvan vrijspreken.

Eendaadse samenloop

Van eendaadse samenloop, als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, is sprake als eenzelfde feit , in meer dan één strafbepaling valt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Er is geen sprake van meerdadse samenloop nu de overtreden verboden (onder meer) eenzelfde belang beogen te beschermen, te weten de integriteit van het menselijk lichaam.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

A. hij op 21 maart 2012 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee toebehorende aan G. van Daalen,

welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en/of [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij

- wild om zich heen sloeg (in de richting van die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of

andere personen) en/of

- die [aangever 2] (met kracht) op diens borst heeft gestompt/geslagen en diens zonnebril van diens hoofd geslagen en tegen die [aangever 2] gezegd: ik onthoud jouw gezicht en ik kom je wel tegen, je bent van mij", en/of

- die [aangever 3] een kopstoot heeft gegeven;

en

subsidiair

B. hij op 21 maart 2012 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 3] een kopstoot heeft gegeven, waardoor voornoemde [aangever 3] pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Eendaadse samenloop van

A diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en

B mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met de bijzondere voorwaarde conform het reclasseringsrapport.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, maar de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in geval van een bewezenverklaring het voorstel om een voorwaardelijke straf op te leggen, ondersteunt. Ten aanzien van de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf heeft de verdediging opgemerkt dat de reclassering de financiële huishouding van verdachte heeft aangemerkt als een probleem. Daarom lijkt het de verdediging van belang dat verdachte op de kortst mogelijke termijn in vrijheid wordt gesteld.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Verdachte heeft hierbij alleen stilgestaan bij zijn eigen gewin en niet nagedacht over de gevolgen die zijn handelen voor anderen kunnen hebben. Niet alleen heeft verdachte een portemonnee gestolen, maar op het moment dat hij was betrapt en door omstanders werd aangehouden, heeft hij geweld gebruikt om weg te kunnen komen. Hierbij heeft hij onder andere een kopstoot uitgedeeld. Daarmee heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan mishandeling. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 23 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 8 juni 2012, opgesteld door R. Groenendaal, reclasseringswerker.

De reclassering adviseert om verdachte verplicht reclasseringstoezicht op te leggen met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod. Indien in aanvullend reclasseringsonderzoek blijkt dat er één of meerdere gedragsinterventies nodig zijn, zal verdachte deze moeten volgen. Ditzelfde geldt voor het eventueel volgen van het behandelaanbod van een forensisch psychiatrische polikliniek.

Verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat hij bereid en gemotiveerd is om aan bovenstaande geadviseerde voorwaarden mee te werken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een te zware sanctie is. De rechtbank zal de gevorderde straf dan ook matigen en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, waarbij een proeftijd van twee jaar volstaat. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarde opleggen conform het reclasseringsadvies.

Gelet op de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is de voorlopige hechtenis reeds bij (separate) beschikking van 4 juli 2012 opgeheven.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 249,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 250,00 wegens immateriële schade.

De officier van justitie en de raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 400,00, zijnde een bedrag van € 150,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 250,00 wegens immateriële schade. De raadsman is primair van mening dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de vrijspraak die de raadsman heeft bepleit. Subsidiair is de raadsman eveneens van mening dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu ten aanzien van de materiële schade niet is onderbouwd wat de huidige waarde is en de immateriële schade niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde bedrag aan materiële schade, acht de rechtbank –rekening houdende met de afschrijving- toewijsbaar tot een bedrag van € 150,00. De gevorderde immateriële schade zal de rechtbank in zijn geheel toewijzen. Derhalve zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 400,00.

Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk, zodat zij deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 55, 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het impliciet onder onderdeel B primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Eendaadse samenloop van

diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en

mishandeling,

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

* Veroordeelde moet zich tijdens de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen 3 dagen na dit vonnis, melden bij Reclassering Nederland. Hierna moet de veroordeelde zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als zij gedurende deze perioden nodig acht;

Dit reclasseringstoezicht houdt ook in dat veroordeelde moet meewerken aan een aanvullend reclasseringsonderzoek; Indien uit dit onderzoek blijkt dat het noodzakelijk is dat veroordeelde één of meerdere gedragsinterventies volgt, dient veroordeelde aan deze gedraginterventie(s) mee te werken; Indien uit het bovengenoemde onderzoek blijkt dat een behandeling van een forensisch psychiatrische polikliniek noodzakelijk is, dient veroordeelde eveneens mee te werken aan deze behandeling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] een bedrag van

€ 400,00;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 2], € 400,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en

mr. G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 juli 2012.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.