Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4041

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
16-600901-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag. Een gevangenisstraf van 150 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600901-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

Raadsvrouwe mr. M.S. Gerson, advocaat te Amsterdam, is uitdrukkelijk gemachtigd.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

opzettelijk zijn minderjarige dochter heeft onttrokken aan het over haar gestelde gezag.

3. De voorvragen

3.1. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging. De raadsvrouwe heeft dit verweer onderbouwd door te stellen dat het op de weg van de moeder van [betrokkene 1], [aangever 1] (hierna [aangever 1]) had gelegen een civiele procedure te starten indien zij meende dat door de verdachte de zorgregeling niet werd nagekomen. Kennelijk waren er (achteraf gezien) onduidelijkheden ter zake de invulling van de zorgregeling, echter van het ontrekken aan het gezag is geen sprake.

3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in haar vervolging. De afspraken tussen aangeefster en verdachte over de duur van de vakantie waren helder. [aangever 1] heeft aangifte gedaan omdat verdachte deze afspraken niet is nagekomen. De mogelijkheid die [aangever 1] heeft om een civiele procedure te starten staat niet aan vervolging door het openbaar ministerie in de weg.

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat aangeefster [aangever 1] aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit. Het is vervolgens aan het openbaar ministerie om te beslissen of er al dan niet een vervolging wordt ingesteld. Dat aangeefster tevens de gelegenheid heeft een civielrechtelijke procedure te starten, doet hier niet aan af. Het verweer van de raadsvrouwe faalt derhalve. Naar het oordeel van de rechtbank is het Openbaar Ministerie dan ook ontvankelijk in zijn vervolging.

3.2. De overige voorvragen

De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsvrouwe heeft dit onderbouwd door te stellen dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is, nu niet vast te stellen is wie in de ten laste gelegde periode de zorg voor [betrokkene 1] had of desbevoegd opzicht over haar uitoefende. Daarom kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onttrekking aan het wettig over [betrokkene 1] gestelde gezag. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat verdachte zich hieraan wel schuldig heeft gemaakt, heeft hij het gezag van [aangever 1] over [betrokkene 1] niet opzettelijk, noch in de zin van voorwaardelijk opzet, gefrustreerd. Gelet hierop dient de verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouwe zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht, de in de tenlastelegging genoemde periode niet bewezen kan worden verklaard.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Bewijsmiddelen

Op 24 augustus 2011 doet [aangever 1] aangifte bij de politie van onttrekking aan het ouderlijk gezag van haar 9 jaar oude dochter [betrokkene 1] door verdachte. Zij heeft bij de politie verklaard dat zij samen met haar ex-man [verdachte] belast is met het ouderlijk gezag over hun dochter [betrokkene 1]. Het opgestelde ouderschapsplan van 6 juni 2009 vermeldt dat het kind bij de vrouw woonachtig zal zijn en op de vrouw de zorgplicht van het kind rust in al zijn facetten en in de ruimste zin. De man heeft het recht om het kind in de grote vakantie twee aaneengesloten weken bij zich te hebben.

Op 8 augustus 2011 heeft aangeefster haar dochter meegegeven aan verdachte. Verdachte is met hun dochter [betrokkene 1] op vakantie gegaan naar Tenerife. Aangeefster heeft haar dochter voor het laatst gesproken op 13 augustus 2011. Verdachte en de dochter zouden op vrijdag 19 augustus 2011 terugkeren naar Nederland. Echter, op deze datum heeft aangeefster een sms-bericht van [betrokkene 1] gekregen waarin stond dat verdachte te veel bagage bij zich had en dat zij zondag 21 augustus 2011 een vlucht naar Nederland zouden nemen. Maar op zondag 21 augustus 2011 kreeg aangeefster een sms-bericht van verdachte dat de vlucht overboekt was. Maandag 22 augustus 2011 zou [betrokkene 1] naar school moeten, zij is echter niet teruggekeerd. Op maandag 22 augustus 2011, omstreeks 11.55 uur, kreeg aangeefster opnieuw een sms bericht dat er geen vlucht geboekt kon worden. Op 22 augustus 2011, omstreeks 18.23 uur, kreeg zij een e-mailbericht van verdachte waarin stond: "Tenerife-Amsterdam, vlucht IB 977. Deze vlucht is definitief". Aangeefster heeft verdachte en hun dochter vervolgens opgewacht op Schiphol maar verdachte en [betrokkene 1] zijn niet aangekomen. Vervolgens is aangeefster naar de Koninklijke Marechaussee gegaan op Schiphol. Die konden haar vertellen dat zij inderdaad waren uitgecheckt uit het hotel, maar dat zij een machtiging nodig hadden om de vluchtgegevens te checken. Hiervoor was een aangifte nodig. Aangeefster maakte zich ontzettende zorgen.

Er heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen verdachte en zijn vader op 27 en 28 augustus 2011.

De vader van verdachte heeft op 28 augustus 2011 aan de politie verklaard dat zijn zoon en zijn kleindochter de laatste twee nachten hebben gelogeerd in Hotel Best Tenerife en dat de vader van verdachte zojuist voor een derde nacht de verblijfskosten via internet aan dat hotel heeft overgemaakt. De verbalisant heeft vervolgens contact opgenomen met KLPD Sirene en aan hen de hotelgegevens doorgegeven. Op 29 augustus 2011 is verdachte op Tenerife gearresteerd.

Verdachte heeft op 15 september 2011 bij de politie verklaard dat hij beduidend minder verantwoordelijk bezig is geweest door het niet innemen van zijn medicatie. Hierdoor wordt hij “makkelijker”. Verdachte heeft verklaard de beslissing om op 19 augustus niet terug te komen, nog heel bewust te hebben genomen, maar daarna heeft hij zich onverantwoord gedragen. De vakantie begon op 8 augustus en verdachte zou met [betrokkene 1] in eerste instantie op 19 augustus terugkomen. Verdachte heeft toen besloten dat zij op zondag 21 augustus terug zouden gaan. Op 18 augustus besloot hij samen met vliegwinkel.nl dat hij op 21 augustus terug zou komen. Dat heeft verdachte ook laten weten en het had niets te maken met zware koffers. Er is nooit een koffer op het vliegveld geweest. Verdachte heeft zelf de nieuwe vlucht voor 21 augustus geboekt. Verdachte is op die datum niet teruggevlogen. Toen heeft verdachte eerst gezorgd voor een hotel met internet. Verdachte heeft toen met zijn vader overlegd. Zijn pinpas was geblokkeerd. Verdachte weet niet meer waarom hij tegen de moeder heeft gezegd dat zij op 23 augustus terug zouden vliegen. Verdachte denkt dat hij heeft getracht een vlucht te boeken. Verdachte denkt niet dat er een vlucht geboekt is voor die datum.

De vader van verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij veel contact met verdachte heeft gehad. Verdachte zou volgens hem op 19 augustus 2011 terugkomen van vakantie. Echter, 1 of 2 dagen ervoor had verdachte hem al laten weten dat hij een hotel geboekt had en een vlucht voor 21 augustus. Verdachte gaf daarbij aan zijn vader aan dat het nog te gezellig was en dat verdachte dit op een goedkope manier had kunnen regelen. Achteraf heeft de vader van verdachte dit hotel moeten betalen. [aangever 1] stond vervolgens op het vliegveld, maar verdachte en [betrokkene 1] zaten niet op de vlucht. Daarna is er veel contact geweest tussen verdachte en zijn vader omdat laatstgenoemde wilde dat verdachte naar Nederland zou terugkeren. Op 24 augustus is er contact geweest via de sms en vervolgens heeft de vader van verdachte een vlucht geboekt voor 26 augustus. Verdachte heeft zijn vader hiervoor per sms bedankt. Vervolgens stond [aangever 1] op 26 augustus weer op het vliegveld, maar wederom tevergeefs. Daarna heeft verdachte aan zijn vader aangegeven, dat hij de vlucht op 26 augustus niet had genomen, omdat hij geen zin had. Er was sprake van kortsluiting bij verdachte.

4.3.2 Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte heeft een inbreuk gemaakt op het gezag van aangeefster. Hij heeft eigenmachtig beschikt over [betrokkene 1] en haar verblijfplaats, zonder toestemming van aangeefster.

Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank dat vast staat dat [betrokkene 1] vanaf 22 augustus 2011 weer naar school moest en dat valt aan te nemen dat het de afspraak was dat [betrokkene 1] op die datum in ieder geval weer in Nederland zou zijn.

Verdachte mocht op grond hiervan ook niet aannemen dat [aangever 1] in zou stemmen met een langer verblijf op Tenerife.

Niet is gebleken dat de vlucht van 21 augustus 2011 overboekt was en verdachte om die reden niet naar Nederland is gevlogen, zoals verdachte bij de politie heeft verklaard. Door de verdediging is derhalve onvoldoende onderbouwd dat het buiten de schuld van verdachte lag dat zijn dochter vanaf die datum niet in Nederland was. Derhalve acht de rechtbank onttrekking aan het gezag voor de periode van 21 augustus 2011 tot en met 29 augustus 2011 bewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de pleegplaats dat artikel 5, eerste lid, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Uit het dossier blijkt niet, dat onttrekking aan het gezag van kinderen ook in Spanje strafbaar is. De vraag rijst thans, of het feit (uitsluitend) in het buitenland (Tenerife) is begaan. Als slechts een deel van het feit in Nederland wordt gepleegd, mag immers op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht het gehele feit in Nederland vervolgd worden.

De rechtbank stelt vast dat de toen 9-jarige [betrokkene 1] in de tenlastegelegde periode conform het eerder genoemde ouderschapsplan woonachtig was bij haar moeder in Mijdrecht. Voorts stelt de rechtbank vast dat op grond van artikel 1:12, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek een minderjarige een afhankelijke of afgeleide woonplaats heeft, inhoudende dat deze de woonplaats volgt van de ouder die feitelijk het gezag over hem/haar heeft.

Hiervan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat, op grond van de leer van het constitutieve gevolg, Nederland (mede) de locus delicti is. Het handelen van verdachte heeft immers zijn uitwerking gehad in Nederland, te weten de aantasting van het ouderlijk gezag dat aan [aangever 1] toekomt. Het delict is daarom mede in Nederland gepleegd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

hij op tijdstippen in de periode van 21 augustus 2011 tot en met 29 augustus 2011 te Mijdrecht en te Tenerife opzettelijk de minderjarige [betrokkene 1] heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (van [aangever 1], haar moeder), door voornoemde [betrokkene 1] na een vakantie (in Spanje) niet volgens afspraak terug te brengen naar Nederland/haar moeder.

Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouwe een beroep gedaan op overmacht, in de zin van noodtoestand, op grond waarvan de verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging indien de rechtbank het ten laste gelegde feit bewezen acht. Volgens de verdediging bestaat de noodtoestand hieruit dat verdachte wegens onvoorziene omstandigheden (een overboekte vlucht) op 21 augustus 2011 niet kon terug vliegen. Hij heeft vervolgens een nieuwe vlucht proberen te boeken. Dit was echter niet mogelijk vanwege de hoge vluchtprijzen en de problemen met de geblokkeerde pinpas van verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat een noodtoestand betreft de situatie waarin men wordt geconfronteerd met twee rechtsbelangen die met elkaar conflicteren. In deze gevallen pleegt men door te kiezen voor het ene belang of de ene rechtsplicht, een strafbaar feit. Door de verdediging is niet aannemelijk gemaakt wat de conflicterende belangen van verdachte zouden zijn. Eveneens is niet aannemelijk geworden dat de vlucht van 21 augustus 2011 inderdaad overboekt was, verdachte met zijn minderjarige dochter niet op de vlucht mee mocht en/of er geen andere vlucht voor hen geregeld kon worden. Door de verdediging is de gestelde gecompliceerde financiële situatie waarin verdachte zich bevond toen hij een nieuwe vlucht wilde arrangeren, evenmin aannemelijk gemaakt. Daarnaast is gebleken dat verdachte wel vaker geen geld had en dat zijn vader de (financiële) zaken voor hem regelde. Dit blijkt uit meerdere hotelovernachtingen die niet door verdachte, maar door zijn vader, zijn betaald. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet in een situatie van overmacht verkeerde.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van de verdachte laten voorlichten door

drs. I. Maksimovic, psychiater, die op 2 januari 2012 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport van Maksimovic blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogen in de zin van een recidiverende depressieve stoornis en van alcoholafhankelijkheid, thans in remissie. Echter, ten tijde van het ten laste gelegde, was er geen sprake van een welomschreven depressieve periode. Ook heeft de alcoholafhankelijkheid van verdachte geen rol gespeeld in die periode. Verder is de deskundige van mening dat verdachte in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde in staat geacht mag worden, gezien zijn behandelverleden en de goede conditie waarin hij op vakantie vertrok, verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor het adequaat omgaan met zijn eigen medicatie. Op grond van deze overwegingen kan worden gesteld, dat de stoornissen van verdachte geen doorwerking hebben gehad in het ten laste gelegde. Verdachte kan op grond van het voorgaande als toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aldus Maksimovic.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige met betrekking tot de toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportage niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een werkstraf voor de duur van 200 uren met aftrek.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat indien het tot een bewezenverklaring komt, er rekening gehouden moet worden met de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Daar komt bij dat de termijn waarop de verdenking is gebaseerd, kort is en de intentie van verdachte nooit is geweest om zijn dochter te onttrekken aan het gezag. Verder zet de verdediging vraagtekens bij de conclusie van de pro justitia rapportage.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van zijn minderjarige dochter aan het gezag over een periode van 8 dagen. Hij heeft hiermee de moeder van [betrokkene 1] verhinderd haar opvoedende taak, waaronder het beschermen van de minderjarige, te kunnen uitoefenen en daarmee heeft hij niet alleen de belangen van de moeder maar ook die van de minderjarige [betrokkene 1] geschonden. Zij kon immers ruim een week niet naar school gaan.

De moeder is enige tijd in het ongewisse gelaten over de verblijfplaats van [betrokkene 1] en wist evenmin in welke omstandigheden haar minderjarige dochter zich bevond. Zij heeft hieromtrent op verschillende momenten (door tussenkomst) van verdachte zorgwekkende informatie ontvangen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Gelet hierop heeft in beginsel als uitgangspunt te gelden een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op het schrikeffect van de detentie op Tenerife en de voorlopige hechtenis in Nederland kan met een straf van die duur worden volstaan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een delict als het onderhavige;

- een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland van 29 februari 2012, opgemaakt door mevrouw E. Ebbinkhuijsen, reclasseringswerkster;

- een de verdachte betreffend rapport van I. Maksimovic, psychiater, genoemd onder 5.2.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 120 dagen geboden is. De voorwaardelijke straf dient ook als waarschuwing en als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich gedurende de proeftijd nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] heeft voor zich en als wettelijk vertegenwoordiger van haar dochter [betrokkene 1],overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 3.500,00, bestaande uit een bedrag van € 3.000,00 wegens immateriële schade (waarvan € 2.000,00 ten aanzien van [aangever 1] en € 1.000,00 ten aanzien van [betrokkene 1]) alsmede een bedrag van € 500,00 wegens kosten voor rechtsbijstand.

De officier van justitie en de raadsvrouwe hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade zowel van de moeder als van de dochter een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde bedrag aan kosten voor rechtsbijstand acht de rechtbank, gelet op het liquidatietarief in civiele zaken, toewijsbaar tot een bedrag van € 150,00. Ten aanzien van de immateriële schade zal de rechtbank in totaal een bedrag van € 1.500,00 toewijzen (waarvan € 1.000,00 ten aanzien van [aangever 1] en € 500,00 ten aanzien van [betrokkene 1]).

Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk, zodat zij deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 279 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] een bedrag van

€ 1.500,00 (te weten € 1.000,- voor zich, en € 500,-- in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [betrokkene 1]);

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [aangever 1], € 1.500,00 te betalen (te weten € 1.000,- voor zich, en € 500,-- in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [betrokkene 1]), bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op € 150,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 juli 2012.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.