Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3539

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
16-600269-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor zware mishandeling en overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600269-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1.

primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven;

subsidiair: aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

meer subsidiair: heeft geprobeerd aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

feit 2.

als bestuurder van een motorrijtuig gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit, te weten de zware mishandeling van [slachtoffer], heeft begaan. Daarnaast acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit en heeft daarbij gewezen op het volgende. De verklaringen van verdachte en aangever staan lijnrecht tegenover elkaar. De verdediging stelt zich hierbij op het standpunt dat de verklaring van aangever zeer ongeloofwaardig is, terwijl verdachte vanaf het begin consequent en consistent heeft verklaard. Echter, de rechtbank dient een keuze te maken, hetzij zij gelooft het verhaal van verdachte, hetzij dat van aangever. Het staat de rechtbank, gelet op de jurisprudentie, niet vrij om een verklaring te bezigen voor het bewijs, die de rechtbank op onderdelen niet aannemelijk acht. Daarbij merkt de raadsman verder nog op, dat de verklaring van getuige [getuige 1] als uitgangspunt dient te gelden. Deze getuige was, anders dan getuige [getuige 2], er vanaf het begin bij en stond ook op korte afstand van het incident. Op basis van de verklaringen van verdachte en [getuige 1] kan enkel bewezen worden dat verdachte aangever met zijn auto heeft achtervolgd. Verdachte heeft ook bekend dat hij deze gedraging heeft verricht. Uit het feit dat verdachte meermalen de mogelijkheid had om tijdens de achtervolging aangever aan te rijden, maar dat niet heeft gedaan, blijkt volgens de raadsman dat verdachte uitsluitend de intentie had om aangever klem te rijden. Bij deze achtervolging is het helaas gekomen tot de aanrijding van de Opel Corsa, waardoor aangever is geraakt. (Voorwaardelijk) opzet hierbij kan niet worden bewezen en daarom moet verdachte integraal worden vrijgesproken, aldus de raadsman. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat het letsel dat aangever als gevolg van het incident heeft opgelopen, niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Aangever [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat verdachte op 17 maart 2011 meerdere malen met zijn auto op hem is ingereden en dat hij dientengevolge pijn in zijn rechter enkel heeft door een dubbele fractuur welke operatief met een ijzeren plaat aan elkaar is gezet.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 17 maart 2011 op de Wittevrouwensingel fietste in de richting van de Kruisstraat te Utrecht. Hij wilde de straat oversteken en op dat moment zag hij dat een zilverkleurige Opel Astra voor een stoplicht stond. Uit de auto stapte vanaf de passagierszijde aan de voorkant een allochtone man met een pakketje in zijn hand. De man sprintte weg over de stoep richting de Kruisstraat. [getuige 1] veronderstelde dat de sprintende man zojuist iemand had beroofd. [getuige 1] hoorde toen het gierende geluid van een auto. Hij zag dat de eerder genoemde Opel zijn richting op kwam rijden, de rennende man achterna. [getuige 1] zag dat de auto de rennende man probeerde de pas af te snijden door bij een inrit linksaf de stoep op te rijden. Op deze wijze werd de rennende man de pas afgesneden. [getuige 1] zag dat de zilverkleurige auto tot stilstand kwam tegen de gevel van een woning. Hierdoor ontstond er schade aan de voorzijde van de auto. De rennende man stak de straat over en ging achter een boom staan. De zilverkleurige auto reed in zijn achteruit naar die boom. De man rende weer terug richting de eerder genoemde kruising met stoplichten. De rennende man stak de straat over en rende weer in de richting van de stoep. [getuige 1] zag dat de bestuurder van de zilverkleurige auto met hoge snelheid achteruit reed. Hij reed harder dan bij de eerste aanrijding. Hij zette de achtervolging in. [getuige 1] zag toen dat de zilverkleurige auto achteruit tegen een rode geparkeerde auto aanreed. Door de klap verschoof de rode auto van zijn plek. De zilverkleurige auto reed nog iets verder achteruit tegen de rennende man aan. De rennende man werd geraakt door de achterzijde dan wel de zijkant van de zilverkleurige auto. [getuige 1] zag dat de rennende man door de aanrijding op de grond viel. Hij slaakte een hele harde gil. [getuige 1] zag dat het bot van de enkel van de aangereden man door zijn sok naar buiten stak. [getuige 1] zag dat de bestuurder van de zilverkleurige auto was uitgestapt en op de gewonde man afliep. De gewonde man had zijn been vast en het witte pakketje lag naast hem op de grond. [getuige 1] zag dat de bestuurder van de zilverkleurige auto het pakketje van de grond pakte en meenam. De bestuurder stapte weer in zijn auto en reed weg.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij zich in zijn woning bevond toen hij een doffe klap hoorde. Hij rende naar buiten. Hij wist op dat moment nog niet wat er aan de hand was. Hij kreeg het idee dat er een auto tegen de woning aan was gereden. [getuige 2] keek om zich heen en keek uit naar de auto die tegen de gevel van het pand waar hij in woont aan had gereden. Hij hoorde geluiden van het slippen van een auto. Vijfentwintig meter verderop zag hij dat een zilverkleurige auto achteruit reed tegen een geparkeerd staande Opel Corsa aan. Het was echt een ‘shoot to kill’ (de rechtbank begrijpt: in de beleving van de getuige). De bestuurder van de Astra was heel berekenend en maakte op [getuige 2] een doelgerichte indruk. Door de klap van de aanrijding schoot de Corsa het trottoir op. De jongen werd door een van beide auto’s geraakt. [getuige 2] heeft dat niet goed kunnen zien. De jongen schreeuwde het uit. De bestuurder liep op het slachtoffer af. Er vond een kleine worsteling plaats. Het slachtoffer op de grond kon niet zoveel. Het slachtoffer had het witte plastic zakje of in zijn handen of achter zijn jasje. De bestuurder greep naar de jas van het slachtoffer. Het slachtoffer verweerde zich daar nog iets tegen, maar de bestuurder pakte het tasje af en liep daarmee weg. De bestuurder reed weg. [getuige 2] zag dat de enkel van het slachtoffer gebroken was. Het was een wild west tafereel, waarbij het echt een situatie was tussen de bestuurder en het slachtoffer.

Een motoragent die ter plaatse komt, ziet een rode Opel Corsa half op het trottoir staan met diverse deuken. Tevens ziet hij een man op de grond. De man lijkt een gebroken enkel te hebben. De man schreeuwt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 17 maart 2011 de bestuurder is geweest van de Opel Astra, waarover de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] in hun verklaringen spreken. Hij heeft een hem onbekende jongen die dag een lift gegeven. Deze jongen heeft op een gegeven moment een tasje met geld uit zijn auto gepakt en is de auto uit gerend. Hij heeft de jongen met zijn auto achtervolgd en heeft geprobeerd hem klem te rijden, teneinde het tasje terug te krijgen en is daarbij in botsing gekomen met een woning en met een geparkeerde auto.

Uit de geneeskundige verklaring van [slachtoffer] blijkt dat hij een gebroken enkel heeft die operatief moet worden hersteld.

Uit de verkeersongevalanalyse en techniek “verlaten plaats ongeval” blijkt dat het vrijwel zeker is dat de schade aan de voorzijde van de Opel Astra werd veroorzaakt door het feit dat de Opel Astra tegen de hoekmuur van perceel Wittevrouwensingel 28 was gereden. De schade aan de achterzijde van de Opel Astra ontstond vrijwel zeker doordat de Opel Astra achteruit tegen de linker achterzijde van de geparkeerde Opel Corsa reed. De veegsporen op en onder het rechter portier van de Opel Corsa zijn mogelijk afkomstig van het slachtoffer. Doordat de Opel Corsa door de aanrijding met de Opel Astra het trottoir van de Wittevrouwensingel werd opgeschoven werd daarbij vermoedelijk het slachtoffer geraakt waarbij deze zijn enkel brak.

Betrouwbaarheid verklaringen

De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit nu de verklaringen van aangever niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd aangezien zij niet betrouwbaar zijn.

De rechtbank is het met de verdediging eens dat bij de verklaring van aangever op een aantal punten vraagtekens gezet kunnen worden. Dit betekent echter niet dat zijn verklaring op alle onderdelen van het bewijs zou moeten worden uitgesloten. Met name die onderdelen in zijn verklaring waaruit blijkt dat hij de “rennende man” c.q. “het slachtoffer” is geweest waarover getuige [getuige 1] respectievelijk getuige [getuige 2] in hun verklaringen spreken, acht de rechtbank wel degelijk betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Dit laatste is overigens door de verdediging niet betwist.

De rechtbank hecht in het bijzonder waarde aan de verklaringen van de buurtbewoners en passanten, zowel [getuige 1] als ook [getuige 2]. Ook laatstgenoemde heeft de aanrijding gezien waardoor het letsel bij aangever is ontstaan. Aan de verklaringen van deze getuigen wordt door de rechtbank in het bijzonder waarde gehecht, nu deze getuigen als onafhankelijke getuigen kunnen worden beschouwd en deze verklaringen in essentie gelijkluidend zijn.

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Er is sprake van (voorwaardelijk) opzet op een bepaald gevolg indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal optreden en deze kans vervolgens ten tijde van de gedraging heeft aanvaard. Gelet op de genoemde omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer]. Een persoon met een auto raken onder deze omstandigheden (positie van raken, de snelheid van rijden etc.) kan ernstig letsel veroorzaken en zou in heel bijzondere gevallen tot de dood kunnen leiden, maar de rechtbank is onder de gegeven omstandigheden van het geval van oordeel dat dit in casu geen zodanige kans is dat deze dient te worden aangemerkt als de vereiste aanmerkelijke kans. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het primair onder 1 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank constateert dat uit de bewijsmiddelen niet afdoende blijkt of verdachte met zijn personenauto [slachtoffer] heeft aangereden of dat de auto van verdachte tegen de geparkeerd staande Opel Corsa is gereden die vervolgens tegen [slachtoffer] is gebotst. Nu beide scenario’s mogelijk zijn, zal de rechtbank in de bewezenverklaring beide mogelijkheden openhouden. Voor de strafwaardigheid van de gedragingen heeft dit geen gevolgen.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de subsidiair onder 1 ten laste gelegde zware mishandeling, maar hooguit van de meer subsidiair ten laste gelegde poging daartoe, nu geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het letsel van aangever valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

In genoemd artikel is opgenomen wat onder zwaar lichamelijk letsel dient te worden begrepen. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten de in het artikel genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (zie HR 14 februari 2006, LJN AU8055 (RvdW 2006, 220). Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Aangever heeft ten gevolge van het ten laste gelegde feit meerdere botbreuken in zijn enkel opgelopen, waarvoor een (of meer) operatie(s) nodig is (zijn) gebleken. Meer dan een half jaar na het incident staat aangever nog onder behandeling van een fysiotherapeut . Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel, conform het algemene spraakgebruik dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer].

Ten aanzien van feit 2

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 juli 2012 ;

- de getuigenverklaringen van [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Subsidiair

hij op 17 maart 2011 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een dubbele enkelfractuur), heeft toegebracht, door opzettelijk als bestuurder van een

personenauto (Opel Astra), die [slachtoffer] aan te rijden

en/of

een geparkeerd staande personenauto (Opel Corsa) in de nabijheid van die [slachtoffer] aan te rijden en/of die geparkeerd staande auto te verschuiven en/of (aldus) die geparkeerd staande auto (met) die [slachtoffer] te laten botsen en/of aan te laten rijden.

2.

hij op 17 maart 2011 te Utrecht als bestuurder van een motorrijtuig (Opel Astra (kenteken [kenteken])) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Wittenvrouwensingel en Weerdsingel Oostzijde,

met te hoge snelheid heeft gereden over die wegen en (op de Wittevrouwensingel) over het fietspad heeft gereden (terwijl zich op die weg en dat fietspad andere weggebruikers bevonden, welke moesten uitwijken teneinde een aanrijding met het voertuig van hem, verdachte, te voorkomen),

door welke gedragingen gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

De raadsman van verdachte heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweerexces en heeft derhalve ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van noodweer(exces).

Ten aanzien van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het beroep op noodweer(exces) heeft gesteld merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte, zoals door verdachte is gesteld en wat door getuigen is ondersteund, door aangever is bestolen. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat voor de verdachte op enig moment mogelijk een dreiging van de zijde van aangever is ontstaan, in die zin dat aangever is bestolen van zijn pakketje waardoor mogelijk sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes goed, waartegen -in beginsel- gepast geweld gerechtvaardigd is, stuit het beroep op noodweer reeds af omdat het met een auto inrijden op het slachtoffer naar aanleiding van een diefstal niet als proportioneel kan worden beschouwd. Het beroep op noodweerexces kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen, nu door de verdediging onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte door de aanranding veroorzaakt. De loutere stelling dat verdachte in paniek was door de diefstal van het pakketje acht de rechtbank daartoe onvoldoende, mede gelet op de duur van de handelingen van verdachte in de richting van aangever nadat hij is bestolen.

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn mitsdien geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

feit 1 subsidiair: zware mishandeling;

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen

voor feit 1 (subsidiair):

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden;

voor feit 2:

- een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit en zich gerefereerd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te krijgen die hoger is dan de reeds door verdachte ondergane tijd doorgebracht in voorarrest. Dit heeft de raadsman onderbouwd door te stellen dat verdachte first offender is, verdachte zelf ook schade heeft geleden doordat hij zijn auto kwijt is en voorts omdat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft, door op deze wijze te handelen, een ernstig misdrijf gepleegd. Hij heeft de gezondheid van anderen in de waagschaal gesteld. Verdachte heeft in het bijzonder aangever veel pijn en leed, maar ook psychische schade berokkend. Bovendien is een dergelijk optreden op straat schokkend voor de ooggetuigen en versterkt het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Het handelen van verdachte rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte met de bedoeling om zijn eigendom terug te krijgen tot zijn handelen is gekomen. Aangever heeft zichzelf in een situatie gebracht waarin het te verwachten was dat verdachte zich tegen hem zou keren. Ook is het beeld zoals dat van verdachte naar voren is gekomen ter zitting, dat verdachte geen specifieke problemen heeft en zijn blanco documentatie, in het voordeel van verdachte meegewogen.

De rechtbank is van oordeel – alles overwegende en met name ook rekening houdend met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en de rol die aangever daarin heeft gespeeld - dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken passend en geboden is, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank ziet bovendien aanleiding een deel van de gevangenisstraf, te weten 6 weken, voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van 2 jaar. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast wordt een onvoorwaardelijke werkstraf opgelegd van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.

Ten aanzien van feit 2 wordt een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen opgelegd van na te melden duur nu verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert (na aanpassing ter terechtzitting) een bedrag van € 8.156,27 wegens materiële schade en € 1.500,00 smartengeld. In totaal € 9.656,27.

De officier van justitie heeft integrale toewijzing gevorderd van de vordering. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu verdachte moet worden vrijgesproken. Indien de rechtbank het feit wel bewezen acht, dient de vordering gematigd te worden. Dit heeft de raadsman onderbouwd door te stellen dat er sprake is van culpa in causa, een onevenredige belasting van het strafgeding en daarnaast onvoldoende onderbouwing van de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft het materiële deel van de vordering vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat in verband met de eigen schuld van aangever de vordering voor dat deel in redelijkheid gehalveerd dient te worden. Derhalve zal deze worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 4.078,14. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Voor het overige deel van de materiële vordering, alsmede voor de gevorderde immateriële schadevergoeding, acht de rechtbank gelet op de eigen schuld van benadeelde geen ruimte voor vergoeding van die schade, zodat de benadeelde partij op die punten van zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Benadeelde kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: zware mishandeling;

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

feit 1

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 weken;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte voorts tot een werkstraf van 160 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen;

feit 2

- veroordeelt verdachte tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van

€ 4.078,14, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 17 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer],

€ 4.078,14 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 50 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van de dag waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 juli 2012.