Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3518

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
SBR 12/2457 en SBR 12/2458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende beroep; overgangssituatie; beleid niet-zijnde beleidsregel; verleende ontheffing van gedeputeerde staten van de provinciale milieuverordening om trekkertrek-wedstrijden te houden in de stille kern van een stiltegebied; beroep ongegrond, verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 12/2457 en SBR 12/2458

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2012 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Behoud de Eemvallei, te Baarn, eiseres,

(gemachtigde: mr. J.S.F. Mac Lean, advocaat te Rotterdam),

en

Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. Tilstra, jurist, en H. van der Ven).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Trekkertrek Eemdijk (hierna: Trekkertrek).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder Trekkertrek op grond van artikel 5.1.11 van de Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995 (hierna: de PMV) ontheffing verleend voor het evenement Trekkertrek Eemdijk op 18 augustus 2012 te Eemdijk, onder de voorschriften en beperkingen zoals deze in de bijlage van het bestreden besluit zijn opgenomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SBR 12/2457. Eiseres heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer SBR 12/2458.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden voornoemd. Namens Trekkertrek zijn

[B] en [C] verschenen.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Over het beroep

2. Trekkertrek heeft op 24 november 2011 verweerder verzocht ontheffing te verlenen om op zaterdag 18 augustus 2012 een trekkertrek te houden in de stille kern van het stiltegebied Eemland, waarbij de opbouw geschied op 17 augustus en het opruimen op 20 augustus 2012.

3. Bij ontwerp-beschikking van 8 mei 2012 heeft verweerder vermeld voornemens te zijn op grond van artikel 5.1.11 van de PMV een ontheffing te verlenen van artikel 5.1.5 en artikel 5.1.6 van de PMV voor het evenement Trekkertrek Eemdijk op 18 augustus 2012 (tussen 10.00 en 23.00 uur) en het opbouwen en opruimen ten behoeve van dit evenement op respectievelijk 17 en 20 augustus 2012 (tussen 7.00 en 18.00 uur).

4. Bij besluit van 13 juli 2012 heeft verweerder de door Trekkertrek aangevraagde ontheffing van de PMV verleend.

5. Op grond van artikel 5.1.5, eerste lid, van de PMV is het verboden in een stiltegebied buiten inrichtingen een toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder te gebruiken indien daardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. In het tweede lid is bepaald dat een toestel als bedoeld in het eerste lid in elk geval is:

c) een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;

e) een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld met een geluidsversterker.

Op grond van artikel 5.1.6 van de PMV is het verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder of met een snorfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

Op grond van artikel 5.1.11 van de PMV kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de in de artikelen 5.1.5 tot en met 5.1.9 gestelde verboden.

In de op 25 oktober 2011 door Gedeputeerde Staten vastgestelde Hoofdlijnennotitie uitvoering stiltegebiedenbeleid provincie Utrecht (hierna: de Notitie), met als bijlage de Uitwerkingsnotitie, is het beleid ten aanzien van de verlening van ontheffing van de PMV uiteengezet in paragraaf 3.4 en in bijlage 5, onder B. In bijlage 5, onder B (milieuspoor), is uiteengezet wanneer wel en wanneer geen ontheffing mogelijk is. Indien zwaarwegende maatschappelijke belangen tot een gedraging of een activiteit nopen kan daarvoor in de stille kern ontheffing worden verleend. Daarnaast is onder het kopje ‘Overgangssituatie’ opgenomen dat binnen een aantal stiltegebieden jaarlijks terugkerende evenementen worden georganiseerd en is vermeld dat deze locaties voor ontheffing in aanmerking komen, waarbij voorwaarden aan de ontheffing kunnen worden verbonden. Vermeld is dat op de bij dit beleidskader behorende kaarten van de aangewezen stiltegebieden - na overleg met de betrokken gemeente - de locaties van deze jaarlijks terugkerende evenementen zijn opgenomen. Verder is vermeld dat nieuwe (eenmalige) activiteiten in de stille kern niet worden toegestaan.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat tot de activiteit noopt, maar dat op grond van een overgangssituatie wel ontheffing kan worden verleend.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beleid als verwoord in de Notitie door verweerder nog niet, zoals het voornemen van verweerder was, in een nieuwe PMV heeft geresulteerd en dat de onder de overgangssituatie genoemde kaarten van de aangewezen stiltegebieden nog niet definitief zijn. Wel is er een ontwerp-PMV 2012 en zijn de evenementen die onder het overgangsrecht vallen aangegeven op een concept-kaart behorende bij de ontwerp-PMV 2012. Op voornoemde kaart is het Trekkertrekfestival aangegeven.

8. Volgens eiseres kan de Notitie niet als beleidsregel gelden, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de in de Algemene wet bestuursrecht vastgelegde voorwaarden voor de bekendmaking van een besluit tot vaststelling van beleidsregels. Verweerder heeft dit niet bestreden.

9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt zijn van de Notitie niet tot gevolg heeft dat de inhoud zonder betekenis is, maar alleen dat de aanvaardbaarheid van het beleid in elk afzonderlijk geval dient te worden aangetoond en in het bestreden besluit ook dient te zijn gemotiveerd.

10. De stelling van eiseres dat slechts indien sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen, én bij afwezigheid van een andere geschikte locatie, ontheffing kan worden verleend kan de voorzieningenrechter niet volgen. Het stond Gedeputeerde Staten in beginsel vrij om het feit dat het gaat om slechts één jaarlijks terugkerend evenement – naast een mogelijke schaatstoertocht - dat in dit stiltegebied wordt toegestaan (ook wel omschreven als het overgangsrecht) zwaar te laten wegen. De subsidiaire stelling van eiseres dat het overgangsrecht niet kan worden toegepast omdat geen sprake is van een jaarlijks terugkerend evenement, kan de voorzieningenrechter evenmin volgen nu niet is bestreden dat Trekkertrek Eemdijk in 2010 en 2011 eerder op deze plek is gehouden. Ook de door eiseres ter zitting aangevoerde stelling dat door het meewegen van de visie van het gemeentebestuur een verboden politiek belang in de besluitvorming is betrokken, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het juist in de rede om het lokale bestuur te raadplegen teneinde te voorkomen dat ontheffing wordt verleend voor jaarlijks terugkerende evenementen die door de plaatselijke gemeenschap ongewenst worden geacht.

11. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer het belang van het milieu ten onrechte (nagenoeg) volledig buiten beschouwing heeft gelaten.

Verweerder heeft uiteengezet dat de voorgenomen activiteit een verstoring van tijdelijke aard is, terwijl bovendien slechts een zeer beperkt aantal evenementen op jaarbasis plaats kunnen vinden. Het evenement is bovendien sterk verbonden met de kern Eemdijk en de omgeving van Eemdijk is vrijwel geheel aangewezen als stille kern van het stiltegebied. Dit brengt in combinatie met de benodigdheid van een dik kleipakket, dan wel de onmogelijkheid om het evenement op veengrond te laten plaatsvinden en de afhankelijkheid van de medewerking van de grondeigenaar met zich mee dat de onderhavige locatie de enige is in de nabijheid van Eemdijk waar het evenement gehouden kan worden. De door eiseres ter zitting genoemde kunstmatig aangelegde locatie bevindt zich in de gemeente Eemnes en is alleen daarom al geen geschikt alternatief.

12. De voorzieningenrechter acht de door verweerder gemaakte afweging tussen maximale stilte en de behoefte aan het organiseren van een jaarlijks evenement in een volledig in het stiltegebied gelegen kern als Eemdijk niet onredelijk. Zij is van oordeel dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. In dit kader is van belang dat verweerder de invloed van de verstoring van de stilte heeft beperkt door aan de ontheffing voorschriften te verbinden, waarin is opgenomen dat de Trekkertrek-wedstrijden alleen op zaterdag 18 augustus 2012 zijn toegestaan tussen 10:00 uur en 19:00 uur en dat binnen de standaardklasse maximaal 200 pulls en binnen de (zwaardere) sportklasse maximaal 35 pulls mogen plaatsvinden. Voorts zijn in de voorschriften ten aanzien van de omroepinstallatie en/of de muziekinstallatie en het live optreden strikte voorwaarden gesteld aan het geluidsniveau en de plaats en de momenten waarop geluid mag worden geproduceerd. Eiseres heeft haar stelling dat tijdens het evenement geluidsniveaus worden gehaald die de kern van een stiltegebied onaanvaardbaar verstoren, niet nader heeft onderbouwd, terwijl verweerder uiteen heeft gezet dat de hoge geluidsniveaus per pull slechts korte tijd optreden waardoor het 24-uursgemiddelde geluidsniveau, de norm waarvan verweerder uitgaat bij de besluitvorming omtrent ontheffingen voor stiltegebieden, beduidend lager is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met hetgeen omtrent de provinciale milieuverordening is bepaald in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

13. Ten aanzien van het aspect flora en fauna heeft eiseres aangevoerd dat eventueel vergunningen ingevolge de Natuurbeschermingswet (Nbw) en/of de de Flora- en faunawet (Ffw) benodigd zijn. Verweerder heeft dit onvoldoende onderzocht.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover dit door Gedeputeerde Staten kan worden beoordeeld de Nbw noch de Ffw aan het verlenen van een ontheffing op grond van de PMV in de weg kan staan. Niet gebleken is dat voor het evenement vergunningen op grond van de Nbw dan wel ontheffingen en/of vrijstellingen op grond van de Ffw vereist zijn.

14. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 augustus 2010, LJN: BN3690) komt de vraag of voor de uitvoering van een project een vergunning op grond van de Nbw dan wel een ontheffing en/of vrijstelling op grond van de Ffw nodig is, en zo ja, of deze vergunning, ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van voornoemde wetten. Dit doet er niet aan af dat verweerder geen ontheffing kan verlenen voor zover hij op voorhand in redelijkheid ervan moet uitgaan dat de Nbw en/of de Ffw aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg staat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet op voorhand vaststaat, waarbij van belang is dat een in 2011 uitgevoerd onderzoek in het kader van de Ffw geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor te verwachten knelpunten, mits het evenement buiten het broedseizoen wordt georganiseerd.

15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid ontheffing kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Over het verzoek om een voorlopige voorziening

16. Nu het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep (SBR 12/2457):

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 12/2458):

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. van Vuren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de beslissing op beroep kan, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.