Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3499

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
16-655578-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal dmv "babbeltruc", oudere slachtoffers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655578-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwersluis te Nieuwersluis

raadsman mr. S. Ben Taraf, advocaat te Amsterdam

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

onder 1: samen met een ander of anderen een (gouden) ketting heeft gestolen;

onder 2: samen met een ander of anderen twee (gouden) armbanden heeft gestolen;

onder 3: samen met een ander of anderen heeft geprobeerd sieraden te stelen.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een bewezenverklaring kan komen, maar niet ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde en het medeplegen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit het volgende .

De aangeefster [aangever 1], geboren op [1944], heeft verklaard dat zij op 20 maart 2012 omstreeks 12.25 uur op straat in Amersfoort een vrouwenstem hoorde roepen . Toen zij omkeek zag zij een donkerblauwe stationcar met een Duitse kentekenplaat met daarin twee mannen en twee vrouwen . De aangeefster hoorde een van de vrouwen in gebrekkig Nederlands zeggen: "hospitaal" en "mamma hart, hospitaal, slecht" . Verder zag de aangeefster dat deze vrouw een landkaart van Duitsland in haar handen hield . De aangeefster liep naar de auto toe en zag dat de vrouw, die nog steeds in de auto zat, twee gouden heren zegelringen in haar hand stopte . De vrouw stapte vervolgens uit de auto en deed een gouden ketting om de nek van de aangeefster . De aangeefster wilde dit niet, maar de vrouw drong erg aan en voor de aangeefster het wist zat de ketting toch om haar nek . De aangeefster heeft verklaard dat de bestuurder van de auto zich vanuit de auto nadrukkelijk bemoeide met het gesprek tussen de vrouw en de aangeefster . Vervolgens zag de aangeefster dat de vrouw weer in de auto stapte en dat de auto wegreed . Eenmaal thuis voelde de aangeefster dat zij haar eigen ketting niet meer om had . De twee gouden ringen en de gouden ketting die de vrouw aan de aangeefster had gegeven had de aangeefster nog in haar bezit .

De aangeefster [aangever 2], geboren op [1925], heeft verklaard dat zij op 20 maart 2012 tussen 11.45 en 12.15 uur bij de voordeur van haar woning in Soest stond en dat zij zag dat er twee vrouwen de oprit van haar woning op kwamen lopen . Zij hoorde dat een van deze vrouwen in een voor haar onbekende taal aan het praten was en zij zag dat deze vrouw haar hand vastpakte en een gouden ketting om haar pols wikkelde . De aangeefster zei dat ze de ketting niet wilde kopen en daarop liepen de twee vrouwen richting een donkere auto die voor de oprit van de aangeefster stond geparkeerd en stapten daarin waarna de auto wegreed . De aangeefster zag dat haar twee gouden armbanden zich niet meer om haar pols bevonden . De twee vrouwen hebben een gouden ketting en een ring bij de aangeefster achtergelaten .

De getuige [getuige] heeft op 20 maart 2012 in de straat waar de aangeefster [aangever 2] woont een blauwe auto met een witte kentekenplaat zien staan met daarin twee mannen met een zigeuner uiterlijk . De getuige hoorde dat de bestuurder in een voor haar onbekende taal begon te schreeuwen . Verder zag de getuige twee vrouwen met een zigeuner uiterlijk voor een woning staan bij een oudere vrouw met een Nederlands uiterlijk . De getuige is naar de vrouwen toe gefietst en zij zag dat een vrouw met haar handen druk bezig was bij de handen van de oude vrouw . De getuige hoorde dat de bestuurder van de blauwe auto nog steeds in een voor haar onbekende taal riep .

De aangeefster [aangever 3], geboren op [1932], heeft verklaard dat zij op 20 maart 2012 omstreeks 11.10 uur op haar scootmobiel in Amersfoort reed . Zij had beide handen aan het stuur en aan beide handen droeg zij een gouden ring . Zij zag dat er een vrouw uit een donkerkleurige auto met een witte kentekenplaat met zwarte letters en cijfers sprong en naar haar toe rende . De aangeefster hoorde de vrouw roepen "help, help" en zag dat de vrouw een papiertje in haar hand hield dat leek op een verkreukelde stadsplattegrond . De aangeefster hoorde dat de vrouw zei: "help help hospitaal. Mein Muttie in Krankenhaus help help" en dat de vrouw dat steeds herhaalde . Vervolgens zag de aangeefster dat er nog een vrouw voor haar scootmobiel kwam staan . De aangeefster hoorde ook deze vrouw zeggen: "Meine Muttie in Krankenhaus" . De aangeefster hoorde de vrouw die als eerste bij haar was zeggen: "snoepjes, snoepjes" en zij zag dat deze vrouw haar hand pakte en er wat in stopte waarna de vrouw de hand van de aangeefster in haar zak duwde . Toen de aangeefster in haar hand keek zag zij een goudkleurige ring en een goudkleurige ketting . De vrouw pakte de ketting uit de hand van de aangeefster . De aangeefster schreeuwde: "sodemieter op" en daarop vluchtten de twee vrouwen naar de auto .

Bij de veiligheidsfouillering van de verdachte werd in haar broeksband een plastic zakje aangetroffen met daarin een gouden ketting en twee gouden armbanden .

De aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat de ketting haar eigendom is en dat dit het sieraad is waarover zij in haar aangifte heeft verklaard .

De aangeefster [aangever 2] heeft verklaard dat de armbanden haar eigendom zijn en dat dit de sieraden zijn waarover zij in haar aangifte heeft verklaard .

De verdachte heeft verklaard dat zij de sieraden die in haar broeksband waren aangetroffen heeft gestolen van twee verschillende vrouwen in dezelfde plaats op de dag dat zij werd aangehouden . Verder heeft zij verklaard dat zij juwelen aan die vrouwen heeft aangeboden, bij hen heeft omgedaan en hun eigen juwelen eraf heeft gehaald . Ook heeft zij verklaard dat zij heeft gevraagd om een hospitaal of krankenhaus en dat zij dat deed om de vrouwen te laten stoppen om met haar te praten en vervolgens bood zij dan de sieraden aan .

Bewijsoverweging

Ten aanzien van medeplegen met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 20 maart 2012 met een auto in Amersfoort en Soest is geweest, alwaar twee vrouwen zijn beroofd van sieraden en alwaar geprobeerd is een vrouw te beroven van sieraden, op de wijze zoals uit de bewijsmiddelen volgt.

Hoewel de verdachte ter zitting heeft aangevoerd dat de medeverdachten niet wisten dat er sieraden gestolen werden, leidt de rechtbank uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking met degene of degenen die de diefstallen en de poging tot diefstal daadwerkelijk heeft of hebben gepleegd.

De verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als toerist naar Nederland waren gekomen en dat zij naar Nederland is gekomen om ringen te verkopen. De verdachte heeft ook verklaard dat zij op weg waren naar een ziekenhuis omdat de medeverdachte [medeverdachte 2] problemen met haar hart heeft. Verder heeft de verdachte verklaard dat zij, toen zij even waren gestopt, op een vrouw was afgestapt om haar sieraden te tonen.

De rechtbank acht de lezing van de verdachte echter niet aannemelijk. In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de medeverdachten als toerist naar Nederland zijn gekomen en dat zij er niet van op de hoogte waren dat de verdachte van plan was om sieraden te stelen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Gelet op de gedetailleerde verklaring van de aangeefster in samenhang bezien met de modus operandi van de feiten 1 en 2, acht de rechtbank het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 2 mede redengevend voor feit 3. De rechtbank houdt het ervoor dat de verdachte samen met de drie medeverdachten deze poging tot diefstal heeft gepleegd.

Ten aanzien van de poging

De rechtbank overweegt dat voor een strafbare poging is vereist een voornemen, een begin van uitvoering en niet-vrijwillig terugtreden. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank het opzet op het plegen van de diefstal aanwezig. Verder blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat geen sprake is van vrijwillig terugtreden van de verdachte en de medeverdachten.

Het gaat er om of sprake is van een begin van uitvoering. Nu de verdachte en de medeverdachten gedragingen hebben verricht die naar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het delict, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een strafbare poging.

De raadsman van de verdachte heeft ter zitting het verweer gevoerd dat, in het geval de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een poging, de poging ondeugdelijk was, aangezien het nog maar de vraag is of de ringen van de aangeefster ongemerkt van haar vingers afgeschoven konden worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank overweegt dat, zo al sprake is van een ondeugdelijke poging, het in casu gaat om een relatief ondeugdelijke poging, aangezien niet van tevoren vastgesteld kan worden dat de door de verdachte gekozen wijze van handelen niet het door haar gewenste resultaat kan opleveren. Blijkens vaste jurisprudentie is een relatief ondeugdelijke poging een strafbare poging en blijft alleen een absoluut ondeugdelijke poging straffeloos. Daarvan is in casu geen sprake.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat de verdachte op 20 maart 2012 samen met de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] twee vrouwen heeft beroofd van sieraden en heeft geprobeerd een vrouw te beroven van sieraden.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 20 maart 2012 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ketting, toebehorende aan [aangever 1];

2.

op 20 maart 2012 te Soest, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee gouden armbanden, toebehorende aan [aangever 2];

3.

op 20 maart 2012 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen sieraden, toebehorende aan [aangever 3], tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende zij, verdachte, of (één of meer van) haar mededaders deze [aangever 3] aangesproken (in een vreemde taal) en deze [aangever 3] bij de hand gepakt en een (gouden) ketting in de hand van deze [aangever 3] gestopt en (vervolgens) deze er weer uitgepakt, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feiten 1 en 2:

Telkens: Diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 3:

Poging tot diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich - naar eigen zeggen wegens geldgebrek - samen met anderen schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen en een poging tot diefstal die zij op steeds dezelfde manier pleegden. De verdachten gebruikten namelijk een smoes, door te roepen "help help", "hospitaal" en "Meine Muttie in Krankenhaus", om de aandacht van de slachtoffers te trekken. De (zeer) bejaarde slachtoffers stonden (twee van) de verdachten te woord en vervolgens werden bij de slachtoffers imitatie gouden sieraden omgedaan of in de handen gedrukt. Ondertussen namen de verdachten de gouden sieraden van de slachtoffers weg. De rechtbank rekent de verdachte deze lafhartige werkwijze ernstig aan. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat deze oude mensen in hun medemens stelden. Dit soort feiten brengen, naast gevoelens van onveiligheid, financiële schade met zich.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank overweegt dat uit verschillende stukken in het dossier de indruk zou kunnen ontstaan dat de verdachte zich in het verleden meermalen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten en dat zij een veelpleger is. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk geworden en zal hiermee bij het bepalen van de op te leggen straf dan ook geen rekening mee houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feiten 1 en 2: Telkens: Diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 3: Poging tot diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2012.

Mr. Wagenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.