Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3480

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
311926 - HA ZA 11-1606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling uit hoofde van een geldlening. Geldleenovereenkomst wordt betwist. Vordering wordt toegewezen omdat de betwistingen van de gedaagde ongeloofwaardig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 311926 / HA ZA 11-1606

Vonnis in verzet van 11 juli 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. G.H. Zijlstra,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. G.A. Speelman.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2012,

- de akte van [eiseres],

- de akte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen [eiseres] en [gedaagde] heeft een affectieve relatie bestaan van april 2009 tot eind juli/begin augustus 2010. Zij hebben niet samengewoond.

2.2. [eiseres] heeft vele malen tijdens deze periode geld betaald aan of ten behoeve van [gedaagde].

2.3. In een door [eiseres] op 12 september 2009 en door [gedaagde] op 17 september 2009 getekende overeenkomst is vastgelegd dat [gedaagde] alle kosten tot dan toe van ‘ongeveer € 2.500,-’ zal voldoen aan [eiseres].

2.4. In een overzicht (productie 7 van [eiseres]) van januari 2010 is door [eiseres] opgenomen, dat tot en met 3 januari 2010 per saldo in totaal € 14.033,88 door haar is betaald aan of ten behoeve van [gedaagde]. Onder dit overzicht is bij de naam van [gedaagde] een handtekening gezet. Ook na die datum zijn door [eiseres] aan of ten behoeve van [gedaagde] betalingen gedaan.

2.5. Op 7 augustus 2010 heeft [eiseres] aangifte tegen [gedaagde] gedaan wegens oplichting.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan haar van € 40.070,98, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiseres] toegewezen behoudens een deel van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] is veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 1.055,87.

3.3. Aan haar vordering in hoofdsom legt [eiseres] ten grondslag dat zij tot deze som aan [gedaagde] betalingen heeft gedaan ten titel van geldlening. Zij eist nu terugbetaling. Daarnaast legt zij, waar nodig, achtereenvolgens aan haar eis ten grondslag, dat tot deze som sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van haar, dat sprake is van onverschuldigde betaling van deze som door haar aan [gedaagde] en dat sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] tegenover haar met een schade ter hoogte van deze som.

3.4. [gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiseres] alsnog worden afgewezen.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. Het overzicht van productie 7 van [eiseres], genoemd in 2.4 van dit vonnis, laat een handtekening zien bij de naam van [gedaagde], waarvan [gedaagde] zelf zegt dat deze lijkt op zijn handtekening. [gedaagde] heef in de eerste plaats betwist dat hij hier heeft getekend, omdat hij het zich niet herinnert. Dit verweer is te mager en wordt gepasseerd, in het licht van de onbetwiste overeenkomst die is genoemd in 2.3. Daaruit blijkt immers dat [gedaagde] al eerder bereid was te erkennen dat hij geld aan [eiseres] moest terugbetalen en daarvoor te tekenen. Het in die overeenkomst opgenomen bedrag is onderdeel van het saldo in het overzicht van productie 7.

4.3. In de tweede plaats voert [gedaagde] aan dat hij heeft getekend, terwijl er sprake was van misbruik van omstandigheden door [eiseres]. [gedaagde] werkt dit uit door erop te wijzen dat [eiseres] in het proces-verbaal van aangifte wegens oplichting heeft laten optekenen dat [gedaagde] sinds eind november 2009 bij haar overkwam als ‘een gebroken mens’, terwijl [gedaagde] veel alcohol dronk. Ook dit verweer is te mager en wordt gepasseerd. Er volgt niet uit dat [gedaagde] dronken was toen hij tekende. Wat [eiseres] bedoelde met ‘een gebroken mens’ is de rechtbank niet duidelijk. [gedaagde] beroept zich hierop wel, maar geeft daarvan geen uitleg. Dus kan niet de conclusie worden getrokken dat [gedaagde] in zodanige omstandigheden verkeerde dat hij niet anders kon dan zijn handtekening zette, waarvan [eiseres] dan misbruik maakte.

4.4. [gedaagde] heeft verder ten aanzien van de hele vordering van [eiseres] aangevoerd dat sprake is geweest van een optelsom van schenkingen in het kader van de affectieve relatie tussen partijen. Dit verweer ziet dus ook op het deel van de vordering dat wordt gevormd door de betalingen tot 4 januari 2010.

Het verweer is wederom te mager en wordt gepasseerd.. Als sprake was van schenkingen zou de overeenkomst van 12 september 2009 (nummer 2.3 van dit vonnis) niet zijn gesloten. Als sprake was van schenkingen zou het overzicht van januari 2010 zinloos zijn, evenals het tekenen van dit overzicht door [gedaagde], terwijl in dit overzicht ook niet zou zijn genoteerd bij het saldo onderaan, als pro memorie, ‘rente …%’.

4.5. De conclusie uit het voorgaande is dat [gedaagde] het overzicht van productie 7 heeft getekend en daardoor heeft verklaard aan [eiseres] het saldo van € 14.033,88 schuldig te zijn.

4.6. Dit bedrag van € 14.033,88 zou dus kunnen worden toegewezen, maar [eiseres] heeft niet dit hele bedrag gevorderd. Als productie 17 heeft [eiseres] een overzicht overgelegd van alle betalingen die zij stelt te hebben gedaan aan of ten behoeve van [gedaagde]. Dit overzicht is chronologisch Daardoor kan goed worden vergeleken met het overzicht van productie 7. Tot 4 januari 2010 komt [eiseres] in het overzicht van productie 17 uit op een saldo van € 13.506,03. Dit saldo vormt een onderdeel van haar vordering. Op het overzicht van productie 17 staan geen posten die ontbreken op het overzicht van productie 7. In de post van 3 juli 2009 ter zake van verzendkosten zit een tikfout, wat blijkt uit vergelijking met productie 17.6 van [eiseres]. Deze post is groot € 10,05 en niet € 10,50. Na correctie met het verschil van € 0,45 is het saldo tot 4 januari 2010 € 13.505,58. Dit bedrag is onderdeel van het in 4.5 genoemde bedrag. Het is dus toewijsbaar en zal worden toegewezen.

4.7. Zoals al vermeld is in nummer 2.4 van dit vonnis heeft [gedaagde] aangevoerd dat de betalingen die aan hem of ten behoeve van hem zijn gedaan, moeten worden beschouwd als schenkingen in het kader van de affectieve relatie tussen partijen. Dit verweer ziet dus ook op alle betaalde bedragen vanaf 4 januari 2010.

Het verweer gaat niet op, juist tegen de achtergrond van de in nummer 2.5 van dit vonnis getrokken conclusie. Alle betalingen tot die datum werden door [gedaagde] zelf als geldlening opgevat. Hij heeft niet gesteld wat er na die datum in de verhouding tussen partijen anders is geworden, waardoor betalingen daarna ineens als schenkingen moeten worden beschouwd. Daaruit volgt dat van alle betaalde bedragen moet worden aangenomen dat deze zijn gedaan uit hoofde van geldlening en dat sprake is van een terugbetalingsverplichting door [gedaagde]. Vanaf 4 januari 2010 is door [eiseres] volgens het overzicht van productie 17 per saldo aan [gedaagde] € 26.562,10 betaald. Daarin zijn begrepen twee gestelde betalingen in contanten (van € 12.500,- en € 3.000,-) en rente over de eerste betaling (€ 2.500.-), waarvan [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze niet hebben plaatsgevonden en verschuldigd zijn. Daarover oordeelt de rechtbank hierna.

Dan resteert een som van € 8.562,10. De verweren hiertegen zijn verworpen. Deze som is dus ook toewijsbaar en zal worden toegewezen.

4.8. [eiseres] heeft gesteld dat zij aan [gedaagde] € 12.500,- in contanten heeft geleend. Daaromtrent heeft zij het volgende aangevoerd. [gedaagde] had haar verteld dat hij een kapperszaak wilde aankopen voor € 35.000,-. Het bedrag zou moeten worden voldaan in termijnen, waarvan de eerste termijn € 12.500,- groot was. [gedaagde] stuurde daarover een mail op 2 juni 2010 aan [eiseres], met daarin de gegevens van degene aan wie betaald moest worden en de toezegging dat [gedaagde] haar het bedrag zou terugbetalen voor eind juni met 20% erbovenop. In een antwoordmail geeft [eiseres] aan dat zij het geld niet langer kan missen dan tot eind juni en dat ze het ‘heel erg tricky’ vindt of het Openbaar Ministerie wel op tijd geld naar [gedaagde] zal overmaken. Deze betaling ziet op een schadevergoeding die [gedaagde] zou krijgen omdat hij ten onrechte in detentie zou zijn gehouden. [gedaagde] antwoordt dat hij intussen de officier van justitie weer heeft benaderd om te zorgen dat de betaling plaatsvindt. Op 4 juni 2010 is het geld van de bank gehaald (productie 17.48 van [eiseres]), omdat een overboeking niet tijdig meer kon plaatsvinden voor de volgens [gedaagde] uiterste betaaltermijn van 5 juni 2010. [gedaagde] heeft dit geld besteed aan een auto op 4 juni 2010, buiten medeweten van [eiseres]. Volgens een verklaring van [getuige] (productie 9 van [eiseres]) heeft hij een Audi TT op zijn naam laten zetten, op verzoek van [gedaagde], op 4 juni 2010. Het geld is niet terugbetaald door [gedaagde], aldus nog steeds [eiseres].

4.9. [gedaagde] voert het volgende aan. Hij betwist dat hij € 12.500,- heeft ontvangen van [eiseres]. Hij erkent dat hij al eigenaar was van een Audi A3 sinds december 2009, dat hij in juni 2010 een Audi TT erbij heeft gekocht en dat hij daarvoor in contanten heeft betaald. Dat was echter eerder dan 4 juni 2010 en het ging om een bedrag van ongeveer € 9.000,-. Dat geld was niet van [eiseres]. [gedaagde] verklaart dat hij de Audi TT op naam van drie achtereenvolgende derden heeft gezet, om hem moverende redenen, maar hij betwist de verklaring van [getuige]. Verder betwist [gedaagde] dat de mail van 2 juni 2010 van hem afkomstig is.

4.10. De rechtbank beoordeelt dit punt van geschil in het verband van een ander deel van het processuele debat tussen partijen.

De rechtbank constateert dat [eiseres] onbetwist heeft gesteld dat [gedaagde] haar heeft verteld dat hij heeft vastgezeten voor belastingontduiking, maar dat hij dit veranderde in mishandeling en bedreiging met een vuurwapen, toen hij vrij was gekomen. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] haar had meegedeeld dat hij eind mei / begin juni 2010 een forse schadevergoeding van het Openbaar Ministerie verwachtte wegens onterechte detentie. [eiseres] heeft onbetwist door [gedaagde] gesteld dat deze in het geheel geen verzoek tot schadevergoeding had ingediend. [gedaagde] heeft diens advocaat laten betogen dat hij slechts voorlopige hechtenis heeft ondergaan, voor een – niet verder benoemd – strafrechtelijk verwijt waaraan hij onschuldig is en waarvoor hij zich nog niet heeft moeten verantwoorden voor de rechter. De rechtbank leidt hieruit af, dat [gedaagde] dat laatste nog wel verwacht. Daarbij past geheel dat hij in dit stadium geen verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, omdat dit verzoek kansloos zou zijn. Geconcludeerd kan worden dat het verhaal van [gedaagde] over een forse schadevergoeding van het Openbaar Ministerie een leugen is geweest.

[eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] haar heeft meegedeeld dat hij werk had gevonden per 1 januari 2010 bij een accountantskantoor aan de Overtoom in Amsterdam. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat volgens [gedaagde] voor het woon-werkverkeer een auto nodig was en dat zijn oog was gevallen op een Audi TT. Daarvoor moest [gedaagde] een aanbetaling doen, waarvoor zij hem € 1.200,- leende in december 2009. De rechtbank constateert dat [gedaagde] voor onder meer dit bedrag heeft getekend in productie 7 van [eiseres] (de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van dit bedrag is al toegewezen als onderdeel van de in 4.6 toegewezen som). [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] haar meedeelde, dat hij zou overgaan tot inruil van zijn Audi A3 bij een met name door hem genoemde garage. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] niet in dienst is getreden bij een accountantskantoor, dat het door hem genoemde kantoor niet bestond, omdat er geen enkel accountantskantoor aan de Overtoom in Amsterdam is gevestigd, dat [gedaagde] geen auto heeft gekocht, dat hij onbekend is bij de door hem genoemde garage en dat die garage nooit de beschikking heeft gehad over een Audi TT. De tweede conclusie is dat het verhaal van [gedaagde] over diens werk bij een accountantskantoor en de daarvoor benodigde auto ook een leugen is geweest.

De rechtbank constateert dat door [eiseres] onder overlegging van haar producties 20 tot en met 23 heeft betoogd dat [gedaagde] een huurkoopovereenkomst heeft gesloten onder opgave van een oud woonadres van hemzelf en onder overlegging van een loonstrook met een significant andere lay-out dan de loonstroken van het bedrijf in kwestie, waar [gedaagde] nooit heeft gewerkt. [gedaagde] heeft volstaan met de opmerking van diens advocaat op de comparitie dat een groot deel van de nieuwe (dus in verband met de comparitie toegezonden) producties geen betrekking heeft op de grondslagen van de vorderingen. De rechtbank concludeert dat – hoewel dat laatste juist is – deze producties voor de derde maal een leugen, thans op schrift, van [gedaagde] aantonen.

De rechtbank constateert dat door [eiseres] productie 25 is overgelegd betreffende een overeenkomst waarmee [gedaagde] een woning verhuurde waartoe hij niet bevoegd was, onder opgave van een niet bestaand adres in België als zijn woonadres. [gedaagde] heeft volstaan met de al vermelde opmerking van diens advocaat op de comparitie dat een groot deel van de nieuwe (dus in verband met de comparitie toegezonden) producties geen betrekking heeft op de grondslagen van de vorderingen. De rechtbank concludeert dat – hoewel dat laatste juist is – deze productie voor de vierde maal een regelrechte leugen, wederom op schrift, van [gedaagde] aantoont.

4.11. Tegen de achtergrond van de notoire leugenachtigheid van [gedaagde] heeft de rechtbank alle aanleiding extra kritisch te zijn op diens verweren tegen de stelling dat [eiseres] hem € 12.500,- heeft geleend.

Het verweer dat de mail van 2 juni 2010 niet van hem afkomstig is passeert de rechtbank. De mailwisseling die blijkt uit productie 12 van [eiseres] gaat ook over de schadevergoeding die [gedaagde] zei van het Openbaar Ministerie te verwachten, van welk verhaal vaststaat dat [gedaagde] dit aan [eiseres] heeft wijsgemaakt. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen te verklaren hoe dit verhaal terecht is gekomen in een mailwisseling waarbij hij niet was betrokken. [gedaagde] heeft er geen woord aan gewijd, reden voor de rechtbank om aan te nemen dat de mail van 2 juni 2010 wél van hem afkomstig is geweest. De rechtbank voegt hieraan toe dat [gedaagde] aanvoert dat hij de auto al eerder heeft verworven in juni 2010 dan op 4 juni 2010. Kennelijk is het [gedaagde]’s bedoeling daardoor aannemelijk te maken dat het contante geld dat hij voor de auto heeft betaald, niet van [eiseres] afkomstig kan zijn, omdat zij pas op 4 juni 2010 € 12.500,- van de bank haalde. De rechtbank passeert ook dit verweer. De door [gedaagde] gekochte auto is immers volgens de verklaring van [getuige] (productie 9 van [eiseres]) op 4 juni 2010 op zijn ([getuige]) naam gezet. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de auto achtereenvolgens op naam van drie verschillende derden heeft laten zetten, maar heeft de verklaring van [getuige] verder ongemotiveerd betwist. Op wiens naam [gedaagde] dan de auto in juni 2010 – maar voor 4 juni 2010 – heeft laten zetten, laat hij niet weten, laat staan dat hij enig stuk ter zake produceert. [gedaagde] de ‘ongeveer € 9.000,-’ vandaan heeft die hij naar eigen zeggen voor de Audi TT betaalde, vermeldt hij evenmin. Zijn geringe inkomsten laten zo’n uitgave uit eigen zak niet toe, wat wordt bevestigd door de onophoudelijke stroom van door [gedaagde] bij [eiseres] geleende bedragen. Het verweer rammelt zodanig dat de rechtbank het passeert.

De rechtbank komt tot de slotsom dat [eiseres] wel degelijk € 12.500,- aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. Voorzover het verweer dat hem ter beschikking gestelde bedragen geen leningen waren, maar schenkingen, door [gedaagde] ook wordt betrokken op deze € 12.500,-, overweegt de rechtbank dat [gedaagde] niet heeft aangevoerd waarom dan juist dit bedrag de uitzondering zou zijn die de regel bevestigt, terwijl ook [gedaagde]’s mail van 2 juni 2010 zonneklaar op een lening duidt. Uit de mail volgt ook de verschuldigdheid van het door hem toegezegde bedrag van € 2.500,- bovenop de terug te betalen € 12.500,-.

Deze vorderingen (€ 12.500,- en € 2.500,-) van [eiseres] zijn dus toewijsbaar.

4.12. Het laatst te beoordelen deel van de door [eiseres] gevorderde hoofdsom betreft een contante betaling van € 3.000,- op 18 juli 2010. Daaromtrent heeft [eiseres] het volgende aangevoerd. [gedaagde] kreeg zij tijdens haar vakantie het bericht dat hij uit zijn huurwoning dreigde te worden gezet wegens een huurachterstand. Zij gaf vanuit het buitenland opdracht om de volgens [gedaagde] benodigde huursom van € 2.950,- met spoed over te boeken. Dat lukte echter niet meteen. Daarop heeft haar reisgenoot een bedrag van € 3.000,- beschikbaar laten stellen aan [gedaagde] door tussenkomst van de persoon die op het huis van deze reisgenoot in Nederland paste. Sms’jes (productie 17.51, laatste bladzijde, van [eiseres]) van [gedaagde] aan [eiseres] bevestigen dit relaas. Een bericht van 18 juli 2010 in de middag houdt in dat de overboeking niet is gelukt, terwijl het volgende bericht van 19 juli 2010 in de ochtend vermeldt dat het incassobureau geen contanten accepteert en hem, [gedaagde], nog een dag de tijd geeft te betalen. Dan volgt een bericht van 20 juli 2010, waarin [gedaagde] bevestigt dat ‘het is gelukt’ en waarin hij zijn dankbaarheid uitspreekt voor de hulp die de reisgenoot van [eiseres] heeft geboden. Doordat de spoedoverboeking toch nog slaagde is door [gedaagde] € 5.950,- ontvangen. [eiseres] heeft het bedrag van € 3.000,- aan haar reisgenoot terugbetaald, aldus nog steeds [eiseres].

[gedaagde] heeft hiertegen als verweer aangevoerd dat het betoog van [eiseres] veel vragen oproept, dat hij geen kwitantie heeft getekend, dat hem de oppas op het huis van de reisgenoot van [eiseres] onbekend is en dat er geen bewijs van het betoog van [eiseres] is geleverd. Verder heeft [gedaagde] reeds in zijn verzetdagvaarding (voorafgaande aan productie 17.51 van [eiseres]) betwist dat hij sms’jes heeft gestuurd en heeft hij de inhoud van deze sms’jes betwist.

De rechtbank constateert dat [gedaagde] niet ontkent dat hij aan [eiseres] heeft verteld dat hij een probleem met een huurachterstand had. De rechtbank heeft al geoordeeld dat door [gedaagde] een bedrag van € 2.950,- dat ter zake aan hem is betaald moet worden terugbetaald (als onderdeel van de in 4.7 toegewezen som). De rechtbank constateert dat [gedaagde] ook geen kwitantie heeft getekend voor het door hem in contanten ontvangen bedrag van € 12.500,-. Het ontbreken van een kwitantie zegt dus niets. De rechtbank constateert dat het betoog van [eiseres] wordt onderbouwd door twee schriftelijke verklaringen van haar reisgenoot respectievelijk de huisoppas. De rechtbank constateert dat het betoog naadloos wordt bevestigd door de sms’jes van [gedaagde]. Dat deze berichten niet van hem zijn, zoals hij beweert, vindt de rechtbank ronduit ongeloofwaardig, mede gelet op de notoire leugens waarop [gedaagde] zich in deze procedure al liet betrappen. De betwisting is bovendien zeer algemeen en al geuit voordat de desbetreffende berichten in het geding zijn gebracht door [eiseres]. Dat is opvallend, want als [gedaagde] niet achter deze berichten zit, is het de rechtbank niet duidelijk hoe hij kon voorspellen dat zij bestonden en dat [eiseres] op de inhoud daarvan een beroep zou doen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen zijn betwisting te onderbouwen, bijvoorbeeld door aan te voeren wat zijn mobiele telefoonnummers waren. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de sms’jes van [gedaagde] afkomstig zijn. Het betoog van [eiseres] is sluitend en roept bij de rechtbank geen vragen op. Het betoog wordt onderbouwd door de schriftelijke verklaringen en de sms’jes. Het verweer van [gedaagde] is daartegenover veel te mager en wordt gepasseerd.

De slotsom is dat ook deze deelvordering van € 3.000,- wordt toegewezen.

4.13. Uit het voorgaande volgt dat het grootste deel van de door [eiseres] gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen, namelijk € 40.067,68 (13.505,58 + 8.562,10 + 15.000,- + 3.000,-).

4.14. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Wat daarover in de dagvaarding door [eiseres] is gesteld, is zeer kennelijk een algemeen gebruikt tekstblok dat niet op het onderhavige geschil is toegesneden en deels ook met de overige stellingen van [eiseres] in strijd is. [eiseres] heeft aldus onvoldoende aangevoerd om de verschuldigdheid van deze kosten op te baseren.

4.15. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 7 augustus 2010. In de brief van 30 juli 2010 van [eiseres] aan [gedaagde], waarin zij aanspraak maakt op het door haar gevorderde bedrag, geeft ze hem tot en met 6 augustus 2010 de tijd te betalen. Boven de brief is vermeld dat deze aangetekend is verstuurd. Daarover heeft [gedaagde] niets opgemerkt. Aangenomen moet dus worden dat de brief aangetekend is verstuurd. In dat licht is het verweer van [gedaagde] dat hij de brief niet kent, niet van belang. Het is zijn risico dat hij een aangetekende brief negeert.

De rente gaat niet in op eerdere data, zoals gevorderd. Daarvoor is nodig dat [gedaagde] eerder in verzuim is geraakt met het terugbetaling van het gevorderde bedrag. [eiseres] heeft niet gesteld dat dit verzuim eerder is ingetreden.

4.16. [gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] begroot op de al in het verstekvonnis begrote verschotten (€ 161,81) en op € 1.888,- (2 punten x tarief € 894,- aan salaris advocaat), tezamen € 2.049,81. De gevorderde veroordeling in de executiekosten wordt afgewezen, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt en ook niet nu al zijn te begroten. Omdat [eiseres] met een toevoeging procedeert, zal [gedaagde] worden veroordeeld de proceskosten te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Om onduidelijkheden te vermijden zal de rechtbank in dit vonnis [gedaagde] ontheffen van het tegen hem uitgesproken verstekvonnis en de veroordeling in dit vonnis daarvoor in de plaats stellen.

5. De beslissing

De rechtbank

1. ontheft [gedaagde] van de veroordeling in het tegen hem uitgesproken verstekvonnis van 25 mei 2011

en, opnieuw rechtdoende,

2. veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen € 40.067,68, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2011 tot de dag van voldoening,

3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.049,81, te betalen aan de griffier van de rechtbank,

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5. wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.?