Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3438

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
767898 UC EXPL 11-12396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade door onderhuurder geleden als gevolg van verwijdering dak (asbestverwijdering) huurder, verhuurder en aannemer hoofdelijk aansprakelijk wegens het onvoldoende treffen van voorzorgsmaatregelen, eigen schuld onderhuurder, onbevoegde onderverhuur, der

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

nummers

van de hoofdzaken: 767898 UC EXPL 11-12396 gevoegd met

752458 UC EXPL 11-7295

en de vrijwaringszaken: 789228 UC EXPL 11-20747,

789226 UC EXPL 11-20745,

771279 UC EXPL 11-13734,

777924 UC EXPL 11-16189.

vonnis d.d. 27 juni 2012

inzake (767898)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 1],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.M. van Noort,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 2],

gedaagde partij in de hoofdzaak

en eisende partij in de vrijwaringszaak met nr. 771279 UC EXPL 11-13734

en gedaagde partij in de vrijwaringszaken met nrs. 789228 UC EXPL 11-20747 en 777924 UC EXPL 11-16198;

gemachtigde: mr. J.A. Bal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 3],

gedaagde partij in de hoofdzaak

en eisende partij in de vrijwaringszaken met nrs. 789226 UC EXPL 11-20745 en 789228 UC EXPL 11-20747;

gemachtigde: mr. B.M. Stroetinga.

en (752458)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 1],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.M. van Noort,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 4],

gedaagde partij in de hoofdzaak en tevens gedaagde partij in de vrijwaringszaken met nrs. 771279 UC EXPL 11-13734 en 789226 UC EXPL 11-20745;

gemachtigde: mr. C.D.R. Schoonderbeek.

1. Het verloop van de procedures

In de hoofdzaak met rolnummer 752458

[bedrijf 1] heeft [bedrijf 4] gedagvaard voor de sector kanton van deze rechtbank.

[bedrijf 1] heeft een akte houdende producties genomen.

[bedrijf 4] heeft de kantonrechter verzocht om [bedrijf 2] in vrijwaring te mogen oproepen. [bedrijf 1] heeft een akte tot referte in het vrijwaringsincident genomen.

Bij vonnis van 14 september 2011 heeft de kantonrechter [bedrijf 1] toegestaan om [bedrijf 2] in vrijwaring op te roepen.

Vervolgens heeft [bedrijf 4] voor antwoord geconcludeerd.

Bij vonnis van 16 november 2011 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

In de hoofdzaak met rolnummer 767898

[bedrijf 1] heeft [bedrijf 2] en [bedrijf 3] gedagvaard voor deze rechtbank. Daarbij heeft zij tevens verzocht om de zaak te voegen met de zaak die [bedrijf 1] bij de kantonrechter tegen [bedrijf 4] aanhangig heeft gemaakt.

[bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben geantwoord in het verwijzingsincident.

[bedrijf 2] heeft gelijktijdig met het antwoord in het verwijzingsincident tevens een verzoek gedaan tot oproeping in vrijwaring van [bedrijf 4] en [bedrijf 3]. Naar aanleiding daarvan heeft [bedrijf 1] een akte in het vrijwaringsincident genomen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 20 juli 2011 de zaak verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank en gevoegd met de zaak met rolnummer 752458 UC EXPL 11-7295 en [bedrijf 2] toegestaan om [bedrijf 4] en [bedrijf 3] op te roepen in vrijwaring.

Vervolgens heeft [bedrijf 3] voor antwoord in de hoofdzaak geconcludeerd en een verzoek gedaan tot oproeping in vrijwaring van [bedrijf 2] en [bedrijf 4].

Daarna heeft [bedrijf 2] voor antwoord in de hoofdzaak geconcludeerd.

[bedrijf 1] heeft vervolgens een akte tot referte in het vrijwaringsincident genomen.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 november 2011 [bedrijf 3] toegestaan om [bedrijf 2] en [bedrijf 4] in vrijwaring op te roepen en een comparitie van partijen gelast.

In de vrijwaringszaken:

1. Met rolnummer 777924 heeft [bedrijf 4] [bedrijf 2] gedagvaard.

[bedrijf 2] heeft voor antwoord geconcludeerd.

Bij vonnis van 16 november 2011 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

2. Met rolnummer 771279 heeft [bedrijf 2] [bedrijf 4] gedagvaard.

[bedrijf 4] heeft voor antwoord geconcludeerd.

Bij vonnis van 16 november 2011 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3. Met rolnummer 789226 heeft [bedrijf 3] [bedrijf 4] gedagvaard.

[bedrijf 4] heeft voor antwoord geconcludeerd.

Bij vonnis van 1 februari 2012 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

4. Met rolnummer 789228 heeft [bedrijf 3] [bedrijf 2] gedagvaard.

[bedrijf 2] heeft voor antwoord geconcludeerd.

Bij vonnis van 1 februari 2012 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

In beide hoofdzaken en de daaraan gerelateerde vrijwaringszaken is op 16 februari 2012 een comparitie van partijen gehouden. Daarvan is een proces verbaal opgemaakt.

Vervolgens is in alle zaken vonnis bepaald.

2. De feiten in alle zaken

2.1. [bedrijf 2] is eigenaar van een bedrijfshal gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats]. De bedrijfshal bestaat uit een opslagruimte met diverse koelruimten (demontabele koelcellen), kantoorruimte en een buitenterrein. Van 1 april 2009 tot en met 31 december 2010 heeft [bedrijf 2] de hal met buitenterrein verhuurd aan [bedrijf 4]. De huurovereenkomst is op 1 april 2009 schriftelijk vastgelegd. Daarvan maken ‘Algemene bepalingen en voorwaarden’ deel uit. In de algemene bepalingen staat:

“ 9. Huurder is aansprakelijk voor schade welke ontstaat aan het gehuurde of de persoon en goederen van hemzelf of van derden, behoudens in geval van schade als gevolg van staat van het gehuurde voor zover verhuurder ter zake grove schuld treft of ernstig nalatig is gebleven”; (...)

20. Het is de huurder verboden om het gehuurde weder te verhuren zowel geheel als gedeeltelijk onder te verhuren en/of zowel geheel als gedeeltelijk in gebruik aan een ander af te staan (tenzij in overleg met de verhuurder).”

2.2. Voor 1 april 2009 verhuurde [bedrijf 2] de bedrijfshal aan [bedrijf 1]. [bedrijf 1] en [bedrijf 4] is 14 maart 2009 een ‘koopovereenkomst activa/passiva’ gesloten op grond waarvan [bedrijf 4] het bedrijf van [bedrijf 1] heeft overgenomen. Vanwege die overname heeft [bedrijf 1] de huurovereenkomst met [bedrijf 2] van de bedrijfshal met ingang van 1 april 2009 opgezegd. [bedrijf 1] zette het gebruik van een deel van de koelruimten van de bedrijfshal na de overname door [bedrijf 4] voort voor de opslag van kaas. Dat gebruiksrecht ontleende [bedrijf 1] aan een onderhuurovereenkomst met [bedrijf 4]. Het bestaan van die onderhuurovereenkomst blijkt onder meer uit een e-mailbericht van 8 maart 2010 van [directeur bedrijf 4], de directeur van [bedrijf 4], waarin hij aan [directeur bedrijf 1], de directeur van [bedrijf 1], bevestigt:

“Hierbij de nieuwe huurprijs met ingang van 1 april 2010. Het betreft de huur van de koelcellen 2 en 3.(...) Huur 1/3 van de huur zoals [bedrijf 2] factureert.”

2.3. Omdat het dak van de bedrijfshal (980 m2) lekte en asbest bevatte heeft [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] de opdracht gegeven om het dak te slopen en het asbest te verwijderen. De overeenkomst van aanneming van werk tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] blijkt uit de door [bedrijf 2] aanvaarde offerte van 28 juni 2010. De aanneemsom bedraagt EUR 8.750,00 ex BTW. [bedrijf 2] had het bedrijf [bedrijf 5] de opdracht gegeven om zodra het dak door [bedrijf 3] vrijgegeven zou worden, het dak te dekken.

2.4. Op 2 september 2010 heeft in de bedrijfshal een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [directeur bedrijf 2] (verder [directeur bedrijf 2]), de directeur van [bedrijf 2], [directeur bedrijf 4] en

[directeur bedrijf 1]. In dat gesprek kondigde [directeur bedrijf 2] aan dat het dak van de bedrijfshal verwijderd zou worden.

Op dat moment bevond zich in de koelcellen een aanzienlijke voorraad kaas van [bedrijf 1]. Over de inhoud van de koelcellen is niet gesproken. Over de datum waarop het dak verwijderd zou worden en de te treffen voorzorgsmaatregelen is evenmin gesproken.

2.5. Op 3 september 2010 heeft in de bedrijfshal een gesprek plaatsgevonden tussen

[directeur bedrijf 2], [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 3], directeur van [bedrijf 3]. Over het afdekken van de koelcelen en de inhoud van de koelcellen is niet gesproken. Wel is besproken dat het werk voor maandag 6 september 2010 gepland stond.

2.6. [bedrijf 3] heeft op 6 september 2010 het dak van de bedrijfshal geheel verwijderd. Om 3 uur ‘s middags waren alle platen van het dak af. In de middag van 6 september was regen op komst. Om maatregelen te treffen zijn [zoon directeur bedrijf 2] en

[directeur bedrijf 3] die middag naar de bedrijfshal gegaan. Zij troffen daar [directeur bedrijf 4] en hebben het kantoortje van [bedrijf 4] en de meterkast bij de koelcellen met folie afgedekt. Voorts heeft [bedrijf 3] een rol folie met tape achtergelaten. Dat betrof folie van 0,2 mm dik dat wordt gebruikt om zaken luchtdicht in te pakken. Het afdekken van de koelcellen is niet besproken.

2.7. In de nacht van 6-7 september 2010 heeft het aanzienlijk geregend. Als gevolg daarvan is er water via het plafond van de vliering van de hal in de koelcellen terecht gekomen en is de daarin opgeslagen kaas van [bedrijf 1] aanzienlijk beschadigd. Dat water was bovendien vervuild met dakstof dat na het slopen van het dak achter was gebleven. De kazen waren dientengevolge vervuild en beschimmeld.

2.8. Nadat de kaas op 13 en 14 september 2010 elders opgeslagen is voor verdere inspectie, is de kaas onder begeleiding van Crawford & Company (Nederland) B.V., verder Crawford, verkocht aan de hoogste bieder voor een bedrag van EUR 394.182,00.

Crawford heeft op 29 oktober 2010 een expertise rapport van de schade opgesteld. Volgens Crawford bedraagt de totale schade van [bedrijf 1] EUR 261.179,00.

De verzekering van [bedrijf 1] verleent geen dekking voor de schade.

2.9 Bij brieven van 11 november 2010 heeft de raadsman van [bedrijf 1], mr. Zwijnenberg, [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [bedrijf 1] geleden schade en verzocht de aansprakelijkheid voor de geleden schade en de wettelijke rente vanaf 7 september 2010 te erkennen. Een brief met gelijke strekking heeft

mr. Zwijnenberg 16 november 2010 gestuurd aan [bedrijf 4]. [bedrijf 2] en [bedrijf 4] hebben hun aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Bij e-mailbericht van 7 april 2011 heeft Interpolis, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf 3], de aansprakelijkheid van [bedrijf 3] betwist.

2. De vorderingen in de hoofd- en vrijwaringszaken

2.1. [bedrijf 1] vordert in de hoofdzaak met nr. 767898 dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart dat:

[bedrijf 2] en [bedrijf 3] toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld ten op zichte van [bedrijf 1] en zodoende hoofdelijk gehouden zijn de (water)schade die [bedrijf 1] heeft geleden te vergoeden en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hoofdelijk althans ieder afzonderlijk te veroordelen in de proceskosten. [bedrijf 1] heeft ten laste van [bedrijf 2] conservatoir beslag gelegd op onroerend goed.

[bedrijf 3] vordert in de vrijwaringszaak met nr.789226 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 4] veroordeelt om [bedrijf 3] te vrijwaren en aan haar te voldoen dat wat [bedrijf 3] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, met veroordeling van [bedrijf 4] in de proceskosten;

[bedrijf 3] vordert in de vrijwaringszaak met nr.789228 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 2] veroordeelt om [bedrijf 3] te vrijwaren en aan haar te voldoen dat wat [bedrijf 3] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling en met veroordeling van [bedrijf 2] in de proceskosten;

[bedrijf 2] vordert in de vrijwaringszaak met nr.771279 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 4] veroordeelt om aan [bedrijf 2] te voldoen dat wat [bedrijf 2] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incasso- en proceskosten, betekenings- en uitreikingskosten en met veroordeling van [bedrijf 4] in de proceskosten;

2.2. [bedrijf 1] vordert in de hoofdzaak met nr.752458 dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart dat:

[bedrijf 4] jegens [bedrijf 1] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst, dan wel toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en om die reden gehouden is de (water)schade die [bedrijf 1] heeft geleden te vergoeden en dat [bedrijf 4],

[bedrijf 2] en [bedrijf 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn ten opzichte van [bedrijf 1] met veroordeling van [bedrijf 4] in de proceskosten;

[bedrijf 4] vordert in de vrijwaringszaak met nr.777924 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 2] veroordeelt om aan [bedrijf 4] te voldoen dat wat [bedrijf 4] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [bedrijf 2] in de proceskosten.

2.3. In alle zaken is gemotiveerd verweer gevoerd dat bij de beoordeling aan de orde zal komen.

3. De beoordeling in beide hoofdzaken.

3.1. De beoordeling in beide hoofdzaken betreft de vraag of [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] jegens [bedrijf 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [bedrijf 1] geleden heeft. [bedrijf 1] heeft de aansprakelijkheid van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] gebaseerd op onrechtmatige daad en van [bedrijf 4] op tekortkoming in de verplichtingen als verhuurder.

Is [bedrijf 2] jegens [bedrijf 1] aansprakelijk?

3.2. [bedrijf 2] heeft verweer gevoerd. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat:

- [bedrijf 1] onvoldoende belang heeft bij het verkrijgen van een verklaring van recht zonder tevens een veroordeling tot betaling van schadevergoeding te vorderen;

- zij, gemeten aan Kelderluikcriteria, jegens [bedrijf 1] geen onrechtmatige daad heeft gepleegd;

- in de huurovereenkomst met [bedrijf 4] een exoneratiebeding is opgenomen dat zij in kan roepen tegen [bedrijf 1];

- geen sprake is van een gevaarlijke opstal in de zin van artikel 6:174 BW;

- [bedrijf 1] eigen schuld treft en

- de schade in werkelijkheid minder is dan [bedrijf 1] heeft berekend.

3.3. Gegeven de feiten zoals weergegeven onder nr. 2 van dit vonnis heeft [bedrijf 1] een rechtens te respecteren belang bij een uitspraak over welke partij aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. Dat [bedrijf 1] zich bij het nastreven van dat belang beperkt heeft tot het verkrijgen van een verklaring van recht en vooralsnog afziet van het verkrijgen van een veroordeling om een bepaald bedrag aan haar te voldoen, is niet in strijd met de eisen van behoorlijke procesvoering.

3.4. [bedrijf 2] heeft zich ter afwering van haar aansprakelijkheid beroepen op een tweetal exoneratiebedingen in de huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 4]. Het betreft de artikelen 9 en 10.

3.5. In artikel 9 is bepaald dat huurder, in dit geval [bedrijf 4], aansprakelijk is voor schade welke ontstaat aan goederen van hemzelf of van derden, behoudens in geval van schade als gevolg van de staat van het gehuurde voor zover verhuurder ter zake grove schuld treft of ernstig nalatig is gebleven. Voor de beoordeling van de toepasselijkheid van dit artikel is een tweetal vragen van belang, in de eerste plaats of er sprake is van schade als gevolg van de staat van het verhuurde en in de tweede plaats of er sprake is van grove schuld of ernstige nalatigheid van [bedrijf 2].

3.6. Dat er sprake is van schade als gevolg van de staat van het gehuurde staat vast. De schade is ontstaan als gevolg van het feit dat het dak van de bedrijfshal is verwijderd zonder dat adequate voorzorgsmaatregelen genomen zijn ter voorkoming van waterschade.

3.7. Voor de beoordeling of [bedrijf 2] grove schuld of ernstige nalatigheid verweten kan worden, is de afspraak die [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben gemaakt relevant.

Uit de verklaring die [bedrijf 3] tijdens de comparitie van partijen heeft afgelegd, de schriftelijke verklaring van [directeur bedrijf 3] van 14 september 2010 en de verklaring van 10 november 2010 van [directeur bedrijf 2], blijkt duidelijk dat [bedrijf 2] bij het maken van een planning met [bedrijf 3] er van uitging dat het droog zou blijven en dat het werk uitgesteld zou worden als de verwachtingen drastisch bijgesteld zouden worden.

Het staat [bedrijf 2] vrij om de planning van deze werkzaamheden te richten op droog weer.

Dat betekent wel dat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] voorafgaand aan het verrichten van de sloopwerkzaamheden de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dienden te hebben dat neerslag gedurende de periode dat de bedrijfshal geen dak had zou uitblijven.

Dat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zich voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden van die zekerheid hebben vergewist, is niet gebleken. [bedrijf 3] heeft ter comparitie verklaard dat vrijdag 3 september 2010 de afspraak voor maandag 6 september 2010 is gemaakt en dat het weerbericht in de ochtend van 6 september 2010 niet meer gecontroleerd is.

3.8. Volgens de gegevens van het KNMI trok in de nacht van 6-7 september 2010 een eerste actieve frontale regenzone van het zuidwesten naar het noordoosten. Vervolgens was er van 7-9 september 2010 sprake van een actieve randstoring met matige tot zware regen, buien, lokaal met onweer. De vooruitzichten waren dus zonder meer slecht te noemen.

3.9. Het belang om die zekerheid te verkrijgen was temeer aanwezig omdat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] bij de voorbereiding van de werkzaamheden niet beoordeeld hadden wat er in de koelruimten aan voorraad lag en evenmin of de koelruimten waterdicht waren. [bedrijf 2] dient als verhuurder van een bedrijfshal met voor opslag bestemde koelruimten er rekening mee te houden dat er in de koelruimten voorraad ligt. Bij werkzaamheden als de onderhavige rust op [bedrijf 2] als verhuurder een zorgplicht die strekt tot voorkoming van schade. [bedrijf 2] stelt dat hij aan die zorgplicht heeft voldaan door [bedrijf 4] te informeren en te waarschuwen voor de werkzaamheden en in de middag van 6 september 2010 aan [bedrijf 4] plastic folie ter beschikking te stellen.

3.10. Kennelijk gaat [bedrijf 2] van de opvatting uit dat zij door de aankondiging van de sloopwerkzaamheden aan haar zorgplicht heeft voldaan. Deze opvatting is onjuist. Evenmin is zij van haar zorgplicht bevrijd door, nadat gebleken is dat op 6 september 2010 de weersverwachting slecht was, [bedrijf 4] voor de op handen zijnde regen te waarschuwen. De strekking van haar zorgplicht betrof juist het voorkomen van het risico op wateroverlast door het dak niet te (laten) verwijderen zonder het verkrijgen van de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat het droog zou blijven. Waarschuwen tegen een gevaar dat veroorzaakt wordt door onzorgvuldig gedrag, doet aan de aansprakelijkheid voor dat onzorgvuldige gedrag niet af.

3.11. [bedrijf 2] stelt tevens dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan door het op

6 september 2010 afgeven van folie ter afdekking van de koelcellen. Daarmee heeft

[bedrijf 2] echter niet aan haar zorgplicht voldaan.

Bij antwoord heeft [bedrijf 2] gesteld dat zij afdekzeilen heeft achtergelaten. Dat echter is niet juist gebleken. Tijdens de comparitie van partijen heeft [bedrijf 3] verklaard dat er afdekfolie is achtergelaten op een rol van 4 meter van 0,2 mm dik. Er was sprake van

1 rol. In de verklaring van 10 november 2010 maakt [bedrijf 2] sr melding van “de rol met overig zeil”. Gelet op de grote hoeveelheden regen en de grootte van de koelcellen is zonder nadere informatie, die [bedrijf 2] niet heeft aangevoerd, niet aannemelijk dat met de verstrekte folie, ook wel landbouwplastic genoemd, en tape de koelcellen tegen het binnen komende regenwater adequaat beschermd konden worden. [bedrijf 2] heeft haar stelling dat de afdekfolie geschikt is om de koelcellen te beschermen onvoldoende onderbouwd. Zij heeft niet aangegeven op welke wijze met de folie de cellen waterdicht gemaakt konden worden en evenmin heeft zij aangegeven dat de hoeveelheid folie genoeg was om dat te realiseren. Bovendien is komen vast te staan dat op 6 september 2010 door [bedrijf 2] niet beoordeeld is wat er aan voorraad in de koelcellen lag. Het is zonder die beoordeling niet duidelijk waar [bedrijf 2] de overtuiging aan ontleend heeft dat met de afdekfolie een adequate voorziening getroffen kon worden voor de bescherming van die voorraad. Dat met de folie een adequate voorziening getroffen kon worden is evenmin tijdens de comparitie gebleken. Immers op de vraag wat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] gedaan zouden hebben indien zij de inhoud van de koelcellen hadden geweten antwoordde [zoon directeur bedrijf 2] niet dat zij de kolecellen met folie afgedekt zouden hebben en [bedrijf 3] antwoordde dat zij dan de voorraad uitgereden zouden hebben.

3.12. [bedrijf 2] heeft ter bevrijding van haar zorgplicht bij antwoord aangevoerd dat zij op 6 september 2010 aan [bedrijf 4] heeft aangeboden om de koelcellen af te dekken, maar dat dat van [bedrijf 4] niet hoefde omdat de koelcellen waterdicht zouden zijn. Nog afgezien van het feit dat niet is komen vast te staan dat met de folie de koelcellen adequaat beschermd konden worden, is niet gebleken dat op 6 september 2010 over het afdekken van de koelcellen en het waterdicht zijn van de koelcellen gesproken is.

3.13. [directeur bedrijf 2] en [zoon directeur bedrijf 2]. schrijven in hun verklaring van 10 november 2010:

“ Wij wilden wel alles afdekken wat nodig was om waterschade te voorkomen. Ik heb toen de heer [directeur bedrijf 4] nog wel gezegd dat er in de voorruimten nog wat kaas stond en dozen/verpakkingsmateriaal in de stellingen en vraag gesteld of dit ook afgedekt moest worden. De heer [directeur bedrijf 4] gaf aan dat hij dit in de koelcellen zou rijden en dat het dan goed was. De koelcellen zouden waterdicht zijn. Wij verkeerden daardoor in de veronderstelling dat de koelcellen waterdicht zouden zijn aangezien de heer [directeur bedrijf 4] hier geen maatregelen voor noodzakelijk achtte”.

Voorts heeft [directeur bedrijf 3] op 14 september 2010 verklaard dat op 6 september 2010 “ nog folie en tape” is verstrekt aan [bedrijf 2] en [bedrijf 4] en dat “de koelcel is niet ter sprake geweest (tot onze verbazing nu)”.

[zoon directeur bedrijf 2]. heeft tijdens de comparitie van partijen verklaard dat [directeur bedrijf 4] op 6 september 2010 gezegd heeft dat de koelcellen waterdicht zijn. Hij heeft dat tijdens de comparitie van partijen nader toegelicht “dat hij vanwege de opmerkingen van [directeur bedrijf 4] over het plaatsen van de verpakkingsmaterialen in de koelcellen, is uitgegaan van de waterdichtheid van de koelcellen”.

3.14. Uit deze verklaringen blijkt dat op 6 september 2010 niet concreet gesproken is over het afdekken van de koelcellen noch over het waterdicht zijn daarvan. Zowel uit de verklaring van [directeur bedrijf 2] en [zoon directeur bedrijf 2]. van 10 november 2010 als uit de verklaring van [zoon directeur bedrijf 2]. tijdens de comparitie van partijen, blijkt dat zij vanwege de instructie van [directeur bedrijf 4] om bepaalde goederen in de koelcel te zetten in de veronderstelling verkeerden dat de koelcellen waterdicht waren. Gegeven de verplichting van [bedrijf 2] om bij een gevaar als het onderhavige adequate voorzorgsmaatregelen te treffen, dient de onjuistheid van deze veronderstelling in de verhouding met [bedrijf 1] geheel voor rekening van [bedrijf 2] te blijven. Dat [directeur bedrijf 4] voeding aan deze veronderstelling heeft gegeven door bepaalde in de hal aanwezige goederen in een koelcel te rijden, betekent niet dat [bedrijf 2] onder deze omstandigheden voldoende heeft gedaan om lekkage te voorkomen. Daarbij is tevens relevant dat het vanwege de asbestverwijdering niet duidelijk was of men wil in de hal mocht zijn en, zoals [directeur bedrijf 4] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard, dat er op 6 september 2010 ’s middags sprake was van paniek. Dat er sprake was van paniek hebben [bedrijf 3] en [zoon directeur bedrijf 2] dit tijdens de comparitie van partijen niet weersproken. Deze (paniek)situatie had voorkomen kunnen worden indien Van den hadelkamp en [bedrijf 2] ’s maandags het weerbericht hadden beoordeeld alvorens het dak te verwijderen.

3.15. [bedrijf 2] heeft tevens als verweer aangevoerd dat zij jegens [bedrijf 1] niet onrechtmatig gehandeld heeft omdat van een gevaarzettende situatie is geen sprake is geweest, [bedrijf 1] onvoorzichtig is geweest door ondanks haar bekendheid met het gevaar geen maatregelen te treffen en het voor haar niet voorzienbaar was dat [bedrijf 1] schade zou leiden omdat zij niet wist dat [bedrijf 1] de koelcellen gebruikte en [bedrijf 4] geen toestemming voor de onderverhuur aan [bedrijf 1] had.

3.16. Het lijdt geen enkele twijfel dat het verwijderen van een dak van een bedrijfshal zonder beoordeling van de in de bedrijfshal aanwezige voorraad, zonder het treffen van adequate voorzieningen om inregenen te voorkomen en zonder een beoordeling van de weerssituatie over de dagen dat het dak open is, een gevaar oplevert voor schade aan de in de bedrijfshal opgeslagen kaasvoorraad. Een bedrijfshal zonder dak waarin spullen opgeslagen liggen is welhaast per definitie een gevaarzettende situatie.

Dat [bedrijf 1] onvoorzichtig is geweest, is een verwijt dat [bedrijf 2] onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Juist omdat [bedrijf 2] de gevaarzettende situatie veroorzaakt heeft, rustte op haar de plicht om het intreden van het gevaar van waterschade te voorkomen. Die plicht heeft zij ernstig verzaakt.

Evenmin kan [bedrijf 2] zich ter bevrijding van haar aansprakelijkheid beroepen op het feit dat het voor haar niet voorzienbaar was dat [bedrijf 1] schade zou leiden omdat zij niet wist dat [bedrijf 1] de koelcellen gebruikte en [bedrijf 4] geen toestemming tot onderverhuur aan [bedrijf 1] had. Juist vanwege het feit dat [bedrijf 2] met [bedrijf 3] had afgesproken dat de werkzaamheden bij mooi weer uitgevoerd zouden worden en de koelcellen als de onderhavige kennelijk bestemd zijn voor de opslag van kazen, mocht van [bedrijf 2] ter beoordeling van de voorzorgsmaatregelen die getroffen dienden te worden, verwacht worden dat zij voorafgaand aan de werkzaamheden onderzoek deed naar de inhoud van de koelcellen. Nu zij dat nagelaten heeft, dient haar gebrek aan wetenschap over de (omvang van de) voorraad voor haar rekening te blijven.

3.17. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [bedrijf 2] ernstig nalatig is geweest bij het (doen) slopen van het dak zonder zich er tevoren van te vergewissen dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid droog zou blijven om aldus het risico van waterschade uit te sluiten en zonder adequate voorzieningen tegen wateroverlast te treffen toen het weer drastisch omsloeg. Dit betekent dat het in artikel 9 van de algemene bepalingen opgenomen exoneratiebeding toepassing mist en door [bedrijf 2] dus ook niet aan [bedrijf 1] kan worden tegen geworpen.

3.18. [bedrijf 2] heeft zich ter afwering van haar aansprakelijkheid tevens beroepen op artikel 10 van de algemene bepalingen. Daarin is bepaald dat:

“ Huurder is verplicht alle nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan het gehuurde of belendingen, waaronder begrepen schade uit hoofde van de verschillende weersgesteldheden.”

Dit beroep faalt evenzeer. De onderhavige schade betreft immers niet het gehuurde of belendingen, en [bedrijf 2] heeft dat evenmin gesteld. Dit betekent dat de in artikel 10 van de algemene bepalingen opgenomen verplichting van de huurder niet door [bedrijf 2] aan [bedrijf 4], en dus evenmin aan [bedrijf 1], kan worden tegen geworpen.

3.19. Voor zover [bedrijf 1] de aansprakelijkheid van [bedrijf 2] tevens bedoeld heeft te baseren op artikel 6:174 BW, behoeft die grondslag geen beoordeling meer.

3.20. [bedrijf 2] heeft zich voorts beroepen op het feit dat zij aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 4] geen toestemming heeft gegeven voor de onderverhuur van een gedeelte van de ruimte door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1]. Onder meer acht zij op die grond sprake van eigen schuld aan de zijde van [bedrijf 1]. Van eigen schuld van [bedrijf 1] acht [bedrijf 2] ook sprake omdat:

- [bedrijf 1] op de hoogte was van het verwijderen van het dak en desondanks geen voorzorgsmaatregelen genomen heeft;

- [bedrijf 1] meteen bij het optreden van de lekkage er voor had moeten zorgen dat de kazen uit de koelcellen werden gehaald. [bedrijf 1] heeft dat pas op 13 en 14 september 2010 gedaan.

Vanwege deze omstandigheden is [bedrijf 2] van mening dat de schade van [bedrijf 1] geheel het gevolg is van omstandigheden die aan [bedrijf 1] kunnen worden toegerekend.

3.21. Omdat [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] huur diende te betalen voor het gebruik van een aantal koelcellen, is van een gedeeltelijke onderverhuur sprake als bedoeld in artikel 20 van de huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 4]. Dat de onderverhuur aan [bedrijf 1] in overleg met [bedrijf 2] is geschied, is niet gebleken. In zoverre is er sprake van een illegaal gebruik door [bedrijf 1] van de koelcellen. Brengt nu dit gebrek aan overleg met zich dat (zoals [bedrijf 2] aanvoert) op [bedrijf 2] geen verplichting rustte om voorzorgsmaatregelen ten behoeve van [bedrijf 1] te nemen?

Hoewel [bedrijf 2] haar stelling (geen verplichting tot het treffen van voorzorgsmaatregelen vanwege illegale onderhuur) plaatst in het eigenschuldverweer, lijkt zij ook er een beroep op te doen dat de verplichting tot het treffen van voorzorgmaatregelen niet het belang van [bedrijf 1] als illegale onderhuurder beoogt te beschermen. Ook aldus begrepen, gaat de stelling niet op. Als eigenaar van een bedrijfshal die onder meer geschikt is voor de opslag van kazen in koelcellen, rust op [bedrijf 2] niet alleen jegens de huurder ([bedrijf 4]) de verplichting om schade aan goederen te voorkomen maar ook jegens derden die aldaar spullen opgeslagen hebben. Juist vanwege het risico van wateroverlast dat verbonden is aan het verwijderen van een dak zonder daarbij een voorziening te treffen om de bedrijfshal tegen regen te beschermen, had van [bedrijf 2] verwacht mogen worden dat zij zich vergewiste van de inhoud van de koelcellen. In artikel 8 van de huurovereenkomst is juist in het kader van te verrichten reparaties een inspectiebevoegdheid van [bedrijf 2] opgenomen. [bedrijf 2] was dus ook bevoegd om de inhoud van de koelcellen te inspecteren. Als zij van die bevoegdheid gebruik gemaakt had, en haar gebleken was dat [bedrijf 1] een paar koelcellen in gebruik had, dan had zij in het kader van de door haar te treffen maatregelen zonodig kunnen volstaan met het verzoek aan [bedrijf 1] of [bedrijf 4] om de kaas te verwijderen. Een dergelijke maatregel had zeker van haar gevergd kunnen worden ongeacht of zij van de onderhuur op de hoogte was of niet.

3.22. Voor het beroep op eigen schuld van [bedrijf 1] is het gesprek van 2 september 2010 van belang dat [directeur bedrijf 2] met [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] voerde. Ten aanzien van dat gesprek is voldoende komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] toen [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] heeft geïnformeerd over de ophanden zijnde vervanging van het dak, maar dat een concrete datum nog niet is genoemd. Voorts is op grond van de verklaringen van [directeur bedrijf 4] en

[directeur bedrijf 1] tijdens de comparitie van partijen komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] bij die gelegenheid is gevraagd wat er gedaan zou worden als het gaat regenen, dat [bedrijf 2] daarop geantwoord heeft dat het niet gaat regenen en dat over verdere voorzorgsmaatregelen niet gesproken is.

[bedrijf 1] rustte ook een eigen verantwoordelijkheid om schade aan haar voorraad kaas te voorkomen als gevolg van de sloopwerkzaamheden van [bedrijf 2]. Ook [bedrijf 1] diende een afweging te maken welke risico’s aan de sloopwerkzaamheden voor haar kaas verbonden waren en zo nodig actie te ondernemen. Dit geldt in het bijzonder omdat [bedrijf 1] vanwege het antwoord van [bedrijf 2] (“ het gaat niet regenen”) er op bedacht diende te zijn dat het dak eraf zou gaan zonder noemenswaardige voorzorgsmaatregelen. Vanwege haar aanzienlijke voorraad kaas en de het te verwachten risico van schade indien geen maatregelen genomen zouden worden, had het op de weg van [bedrijf 1] gelegen om [bedrijf 2] te informeren over de omvang van haar voorraad en een duidelijke afspraak te maken over de te treffen voorzorgsmaatregelen. Nu [bedrijf 1] dit nagelaten heeft, is van eigen schuld aan haar zijde sprake.

3.23. De omvang van de eigen schuld van [bedrijf 1] is echter in vergelijking met de fout van [bedrijf 2] niet zodanig dat alle schade voor rekening van [bedrijf 1] moet blijven. Gemeten naar de mate waarin de fouten hebben bijgedragen aan de schade, is het in de verhouding van [bedrijf 2] en [bedrijf 1], redelijk dat 20% van de schade voor rekening van [bedrijf 1] blijft.

3.24. De vaststelling van de omvang van de schade kan in het midden blijven omdat [bedrijf 1] geen veroordeling tot betaling van een bepaald bedrag heeft gevorderd.

Is [bedrijf 3] jegens [bedrijf 1] aansprakelijk?

3.25. [bedrijf 3] heeft verweer gevoerd. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat:

- zij [bedrijf 4] gewaarschuwd heeft voor, althans met [bedrijf 4] overleg heeft gepleegd over de gevolgen van de te verwachte neerslag, in dat kader beschermende maatregelen heeft genomen en de resterende folie ter beschikking aan MCH heeft gesteld;

- zij vanwege de gedragingen van [bedrijf 4] heeft mogen vertrouwen op de waterdichtheid van de koelcellen;

- de lekkage van de koelcellen een gebrek is dat niet voor haar rekening komt;

- zij niet wist dat in de koelcellen zo een grote hoeveelheid kaas lag opgeslagen;

- zij op grond van de Kelderluikcriteria niet aansprakelijk is voor de onderhavige schade;

- zij ten opzichte van [bedrijf 2] haar aansprakelijkheid heeft uitgesloten althans beperkt.

3.26. Het meest verstrekkende verweer van [bedrijf 3] betreft haar beroep op de in haar algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van aansprakelijkheid voor indirecte schade. [bedrijf 3] stelt dat zij deze beperking tegen [bedrijf 1] kan inroepen.

Deze stelling faalt. [bedrijf 3] heeft de volgens haar van toepassing zijnde algemene voorwaarden in deze zaak niet in het geding gebracht. De toepasselijkheid daarvan heeft zij dus onvoldoende feitelijk onderbouwd en daarmee ook haar beroep op de derdenwerking daarvan. Bovendien heeft [bedrijf 3] in de vrijwaringszaak tegen [bedrijf 2] geen beroep op haar algemene voorwaarden gedaan, zodat ook in die zaak de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [bedrijf 3] niet aan de orde is en evenmin is komen vast te staan.

[bedrijf 3] heeft tevens een beroep gedaan op de volgende in de aannemingsovereenkomst met [bedrijf 2] bedongen voorwaarde:

“Opdrachtnemer is op generlei wijze aansprakelijk voor eventuele schade aan het gebouw en/of schade aan eventueel aanwezige inboedel als gevolg van uit te voeren (sloop)-/asbestverwijderingswerkzaamheden, tenzij aantoonbaar grove nalatigheid te verwijten valt”.

3.27. Dit beroep baat haar evenmin. Ook indien de onderhavige schade al als een gevolg van het verwijderen van het dak is te beschouwen, dan komt [bedrijf 3] geen beroep op deze uitsluitingsclausule toe omdat aantoonbaar van grove nalatigheid sprake is.

[bedrijf 3] weet of behoort te weten dat het verwijderen van een dak van een bedrijfshal die als opslagloods wordt gebruikt, het risico van wateroverlast met zich brengt.

Gegeven de door [bedrijf 3] en [bedrijf 2] gemaakte afspraak dat de werkzaamheden zouden worden verricht bij droog weer, diende [bedrijf 3] voorafgaand aan het verwijderen van het dak op 6 september 2010 zich ervan te vergewissen dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid droog zou blijven gedurende de dagen dat het dak open zou liggen. Dat [bedrijf 3] voor de aanvang van het verwijderen van het dak de weersverwachting niet heeft gecontroleerd staat vast.

3.28. Volgens de gegevens van het KNMI trok in de nacht van 6-7 september 2010 een eerste actieve frontale regenzone van het zuidwesten naar het noordoosten. Vervolgens was er van 7-9 september 2010 sprake van een actieve randstoring met matige tot zware regen, buien lokaal met onweer. De vooruitzichten waren dus zonder meer slecht te noemen.

Gegeven deze weersgesteldheid had [bedrijf 3] het dak niet mogen verwijderen, althans niet zonder adequate voorzieningen te treffen om wateroverlast te voorkomen.

Het belang om zekerheid van droog weer te verkrijgen was temeer aanwezig omdat [bedrijf 3] bij de voorbereiding van de werkzaamheden niet beoordeeld had wat er in de koelruimten aan voorraad lag en evenmin of de koelruimten waterdicht waren. [bedrijf 3] dient als aannemer bij het verwijderen van een dak van een bedrijfshal met koelruimten er rekening mee te houden dat er in de koelruimten voorraad ligt.

Dat over de koelcellen gesproken is, blijkt niet. [directeur bedrijf 3] heeft 14 september 2010 verklaard dat op 6 september 2010 bij het afgeven van folie en tape “de koelcel is niet ter sprake geweest (tot onze verbazing nu)”. Tijdens de comparitie van partijen heeft

[directeur bedrijf 3] gezegd dat door [directeur bedrijf 4] en [bedrijf 2] op 6 september 2010 niet gesproken is over het kapitaal dat in de koelcellen lag, dat afdekfolie neergelegd is en verder niemand wat heeft gedaan.

Het belang van die beoordeling van de inhoud van de koelcellen heeft [directeur bedrijf 3] tijdens de comparitie duidelijk aangegeven. Hij heeft namelijk verklaard dat als hij geweten zou hebben van de omvang van de in de koelcellen aanwezige voorraad, hij verzocht zou hebben om tijdelijke verwijdering daarvan. Uit deze opmerking blijkt ook dat [bedrijf 3] het afdekken van de koelcellen met de folie niet als een adequate voorziening tegen wateroverlast beschouwde zodat in deze zaak de vraag of de koelcellen met het afdekfolie afdoende afgeschermd konden worden, in het midden kan blijven.

Omdat [bedrijf 3], gelet op het voor haar kenbare risico van wateroverlast en de door haar te treffen voorzorgsmaatregelen, had moeten beoordelen wat er in de koelcellen lag, kan zij zich er niet op beroepen dat zij niet wist dat er zo een grote hoeveelheid kaas in de koelcellen lag.

3.29. [bedrijf 3] stelt dat zij aan die zorgplicht heeft voldaan door [bedrijf 4] te informeren en te waarschuwen voor de werkzaamheden, in de middag van 6 september 2010 beschermende maatregelen te treffen en plastic folie aan [bedrijf 4] ter beschikking te stellen.

Kennelijk gaat [bedrijf 3] van de opvatting uit dat zij door de aankondiging van de sloopwerkzaamheden, aan haar zorgplicht heeft voldaan. Deze opvatting is onjuist. Evenmin is zij van haar zorgplicht bevrijd door, nadat gebleken is dat op 6 september 2010 de weersverwachting slecht was, [bedrijf 4] voor de op handen zijnde regen te waarschuwen. De strekking van haar zorgplicht betrof juist het voorkomen van het risico op wateroverlast door het dak niet te verwijderen zonder het verkrijgen van de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat het droog zou blijven.

3.30. Zoals [bedrijf 3] ook heeft aangevoerd , heeft zij op 6 september 2010 vertrouwd op de waterdichtheid van de koelcellen. Zij stelt dat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de koelcellen niet waterdicht waren.

Gegeven de verplichting van [bedrijf 3] om bij een gevaar als het onderhavige voorzorgsmaatregelen te nemen, dient de onjuistheid van haar veronderstelling dat de koelcellen waterdicht zijn, in de verhouding met [bedrijf 1] geheel voor rekening van [bedrijf 3] te blijven. Dat [directeur bedrijf 4] voeding aan deze veronderstelling heeft gegeven door bepaalde in de hal aanwezige goederen in een koelcel te rijden, betekent niet dat [bedrijf 3] onder deze omstandigheden voldoende heeft gedaan om lekkage te voorkomen. Daarbij is tevens relevant dat het vanwege de asbestverwijdering niet duidelijk was of men wel in de hal mocht zijn en dat, zoals [directeur bedrijf 4] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard, er op 6 september 2010 ’s middags sprake was van paniek. Dat er sprake was van paniek hebben [bedrijf 3] en [zoon directeur bedrijf 2] tijdens de comparitie van partijen niet weersproken. Deze (paniek)situatie had voorkomen kunnen worden indien [bedrijf 3] en [bedrijf 2] ’s maandags het weerbericht hadden beoordeeld alvorens het dak te verwijderen.

3.31. [bedrijf 3] heeft haar aansprakelijkheid aan de hand van de Kelderluikcriteria betwist. Al haar stellingen die zij in dat kader inneemt zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat zij mocht verwachten dat [bedrijf 1] de vereiste oplettendheid zou betrachten om haar kazen tegen waterschade te beschermen. Die vereiste oplettendheid zou met zich brengen dat het aan [bedrijf 1] was er voor te zorgen dat de koelcellen geschikt zijn voor de opslag van kaas.

Dit uitgangspunt is geheel onjuist omdat daarmee ten onrechte voorbij gegaan wordt aan het feit dat door de verwijdering van het dak de (zware) regenval min of meer vrij spel had in de bedrijfshal. Juist van [bedrijf 3] mag als asbestverwijderaar de vereiste voorzichtigheid worden verwacht.

In concreto bracht die vereiste voorzichtigheid met zich om voorafgaand aan de verwijdering van het dak kennis te nemen van de weersverwachting over de periode dat het dak open zou liggen en, gegeven de op handen zijnde zware regen, adequate voorzorgmaatregelen te nemen op basis van een beoordeling van de tegen de te verwachten wateroverlast te beschermen zaken in de bedrijfshal.

Deze voorzichtigheid heeft [bedrijf 3] in ernstige mate niet betracht.

Dit betekent dat [bedrijf 3] aansprakelijk is jegens [bedrijf 1] uit hoofde van onrechtmatig handelen. Er is sprake van grove nalatigheid van [bedrijf 3] zodat zij zich ter bevrijding van haar aansprakelijkheid jegens [bedrijf 1] niet beroepen kan de in nr. 3.26 genoemde uitsluitingsclausule.

3.32. [bedrijf 3] heeft een beroep gedaan op de eigen schuld van [bedrijf 1]. Zij heeft dat beroep onderbouwd met de volgende stellingen:

- [bedrijf 1] heeft op 2 september 2010 aan [bedrijf 2] geen melding gemaakt van de in de koelcellen aanwezige voorraad, en evenmin aandacht gevraagd voor de bescherming daarvan;

- [bedrijf 4] heeft nagelaten de koelcellen af te dekken, welk nalaten voor rekening van [bedrijf 1] dient te komen;

- [bedrijf 1] heeft niet reeds op 8 september 2010 de kazen uit de koelcellen gehaald.

3.33. Voor het beroep op eigen schuld van [bedrijf 1] is het gesprek van 2 september 2010 van belang dat [directeur bedrijf 2] met [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] voerde. Ten aanzien van dat gesprek is voldoende komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] toen [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] heeft geïnformeerd over de ophanden zijnde vervanging van het dak, maar dat een concrete datum nog niet is genoemd. Voorts is op grond van de verklaringen van [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] tijdens de comparitie van partijen komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] bij die gelegenheid is gevraagd wat er gedaan zou worden als het gaat regenen, dat [directeur bedrijf 2] daarop geantwoord heeft dat het niet gaat regenen en dat over verdere voorzorgsmaatregelen niet gesproken is.

[bedrijf 1] rustte ook een eigen verantwoordelijkheid om schade aan haar voorraad kaas te voorkomen als gevolg van de sloopwerkzaamheden. [bedrijf 1] diende zelfstandig een afweging te maken welke risico’s aan de sloopwerkzaamheden voor haar kaas verbonden waren en zo nodig actie te ondernemen. Dit geldt in het bijzonder omdat [bedrijf 1] vanwege het antwoord van [directeur bedrijf 2] (“ het gaat niet regenen”) er op bedacht diende te zijn dat het dak eraf zou gaan zonder het treffen van noemenswaardige voorzorgsmaatregelen. Vanwege haar aanzienlijke voorraad kaas en het te verwachten risico van schade indien geen maatregelen genomen werden, had het op de weg van [bedrijf 1] gelegen om [bedrijf 2] te informeren over de omvang van haar voorraad en een duidelijke afspraak te maken over de te treffen voorzorgsmaatregelen. Nu [bedrijf 1] dit nagelaten heeft, is van eigen schuld aan haar zijde sprake.

Als [bedrijf 4] al een verplichting zou hebben gehad om de koelcellen af te dekken, kan het niet nakomen daarvan niet als eigen schuld aan [bedrijf 1] toegerekend worden.

De stelling dat [bedrijf 1] de kazen reeds op 8 september 2010 uit de koelcellen kon halen, behoeft in het kader van de eigen schuld geen beoordeling omdat [bedrijf 1] geen concreet bedrag aan schadevergoeding vordert zodat het ook niet nodig is om, zoals [bedrijf 3] bepleit, door middel van een deskundigenbericht vast te stellen of het mogelijk was een hogere verkoopprijs te realiseren indien de verkoop eerder zou hebben plaats gehad.

3.34. De omvang van de eigen schuld van [bedrijf 1] is echter in vergelijking met de fout van Van den hadelkamp niet zodanig dat alle schade voor rekening van [bedrijf 1] moet blijven. Gemeten naar de mate waarin de fouten hebben bijgedragen aan de schade, is het in de verhouding van [bedrijf 3] en [bedrijf 1], redelijk dat 20% van de schade voor rekening van [bedrijf 1] blijft.

3.35. De vaststelling van de omvang van de schade kan in het midden blijven omdat [bedrijf 1] geen veroordeling tot betaling van een bepaald bedrag heeft gevorderd.

Is [bedrijf 4] jegens [bedrijf 1] aansprakelijk?

3.36. [bedrijf 4] heeft verweer gevoerd. Zij heeft ter onderbouwing daarvan aangevoerd dat:

- het gebrek van het gehuurde niet aan haar toe te rekenen is;

- indien zij niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:208 BW zij evenmin aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 6:162 BW;

- als op [bedrijf 4] een verplichting rustte ter voorkoming van de onderhavige schade, er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [bedrijf 1] omdat [bedrijf 1] over dezelfde informatie beschikte als [bedrijf 4] en

- de omvang van de door [bedrijf 1] gestelde schade wordt betwist.

3.37. Het uitgangspunt dat het verzuim om voorzorgsmaatregelen te treffen als een gebrek van het gehuurde is te beschouwen in de zin van artikel 7:208 BW is onjuist.

De onderhavige werkzaamheden werden verricht om klachten van [bedrijf 4] over lekkage te verhelpen. De waterschade die [bedrijf 1] heeft geleden is geen gevolg van een gebrek aan het gehuurde, maar een gevolg van het verzuim van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] om het dak te verwijderen zonder dat zij zich ervan vergewist hebben dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid droog zou blijven gedurende de tijd dat het dak eraf zou zijn, zonder de inhoud van de koelcellen te beoordelen en zonder adequate voorzorgsmaatregelen te treffen ter voorkoming van waterschade als gevolg van het slechte weer.

Door dit verzuim heeft [bedrijf 2] aan [bedrijf 4] niet het ongestoorde genot van het gehuurde verschaft, althans ten opzichte van [bedrijf 4] niet als goed verhuurder gehandeld. Tot het gehuurde hoort een aantal koelcellen. Bij renovatie van het dak van de bedrijfshal behoort tot de verplichting van [bedrijf 2] om zodanige (voorzorgs)maatregelen te treffen dat schade aan de in de koelcellen aanwezige goederen van de huurder voorkomen wordt. In dit opzicht heeft [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] niet het ongestoorde genot van het gehuurde verschaft.

Dit betekent dat [bedrijf 4] jegens [bedrijf 1] aansprakelijk is.

3.38. [bedrijf 4] heeft een beroep gedaan op de eigen schuld van [bedrijf 1]. Voor het beroep op eigen schuld van [bedrijf 1] is het gesprek van 2 september 2010 van belang dat [directeur bedrijf 2] met [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] voerde. Ten aanzien van dat gesprek is voldoende komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] toen [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] heeft geïnformeerd over de ophanden zijnde asbestverwijdering en de vervanging van het dak, maar dat een concrete datum nog niet is genoemd. Voorts is op grond van de verklaringen van [directeur bedrijf 4] en

[directeur bedrijf 1] tijdens de comparitie van partijen komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] bij die gelegenheid is gevraagd wat er gedaan zou worden als het gaat regenen, dat [bedrijf 2] daarop geantwoord heeft dat het niet gaat regenen en dat over verdere voorzorgsmaatregelen niet gesproken is. Evenmin is gesproken over de (omvang van) de voorraad van [bedrijf 1] in de koelcellen.

3.39. Op [bedrijf 1] rustte ook een eigen verantwoordelijkheid om schade aan haar voorraad kaas te voorkomen als gevolg van de sloopwerkzaamheden. [bedrijf 1] diende een afweging te maken welke risico’s aan de sloopwerkzaamheden voor haar kaas verbonden waren en zo nodig zelf actie te ondernemen. Dit geldt in het bijzonder omdat [bedrijf 1] vanwege het antwoord van [bedrijf 2] (“ het gaat niet regenen”) er op bedacht diende te zijn dat het dak eraf zou gaan zonder noemenswaardige voorzorgsmaatregelen. [bedrijf 1] heeft tijdens de comparitie verklaard dat zij wist dat de koelcellen niet waterdicht zijn. Vanwege haar aanzienlijke voorraad kaas en het te verwachten risico van schade indien geen maatregelen genomen werden, had het op de weg van [bedrijf 1] gelegen om [bedrijf 2] te informeren over de omvang van haar voorraad en een duidelijke afspraak te maken over de te treffen voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van schade. Nu [bedrijf 1] dit nagelaten heeft, is van eigen schuld aan haar zijde sprake.

3.40. De omvang van de eigen schuld van [bedrijf 1] is vergelijkbaar met de fout van [bedrijf 4]. Gemeten naar de mate waarin de fouten hebben bijgedragen aan de schade, is het in de verhouding van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] redelijk dat 50% van de schade voor rekening van [bedrijf 1] blijft.

De vrijwaringszaken tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 2]

3.41. [bedrijf 2] vordert in de vrijwaringszaak met nr.771279 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 4] veroordeelt om aan [bedrijf 2] te voldoen dat wat [bedrijf 2] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incasso- en proceskosten, betekenings- en uitreikingskosten en met veroordeling van [bedrijf 4] in de proceskosten.

[bedrijf 4] vordert in de vrijwaringszaak met nr.777924 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 2] veroordeelt om aan [bedrijf 4] te voldoen dat wat [bedrijf 4] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [bedrijf 2] in de proceskosten.

Omdat in beide vrijwaringsprocedures [bedrijf 2] en [bedrijf 4] over en weer als eiser en gedaagde optreden zal de rechtbank beide zaken gecombineerd beoordelen.

Is [bedrijf 4] gehouden tot vrijwaring van [bedrijf 2]?

3.42. De verplichting tot vrijwaring heeft [bedrijf 2] gegrond op een tweetal stellingen.

De eerste stelling is dat [bedrijf 4] als huurder een toerekenbare tekortkoming heeft gepleegd door zonder toestemming van [bedrijf 2] een deel van de koelruimten in de bedrijfshal onder te verhuren aan [bedrijf 1]. [bedrijf 2] stelt als gevolg daarvan schade te lijden omdat zij aan haar toestemming tot onderverhuur de voorwaarde zou hebben verbonden dat [bedrijf 1] akkoord zou gaan met een exoneratieclausule zoals opgenomen in artikel 9 van de algemene bepalingen die van toepassing zijn op haar huurovereenkomst met [bedrijf 4].

De tweede stelling is dat [bedrijf 4] op grond van de artikelen 9 en 10 van de algemene voorwaarden aansprakelijk is voor schade aan goederen van derden waaronder begrepen schade uit weersgesteldheden.

3.43. [bedrijf 4] heeft de verplichting van [bedrijf 2] tot vrijwaring gebaseerd op de huurovereenkomst. Volgens haar is er als gevolg van de sloopwerkzaamheden sprake van een gebrek aan het gehuurde waarvoor [bedrijf 2] aansprakelijk is. Tevens acht [bedrijf 4] [bedrijf 2] als opdrachtgever aansprakelijk voor de uitvoering van de sloopwerkzaamheden door [bedrijf 3].

3.44. Hoewel [bedrijf 4] betwist heeft dat [bedrijf 2] niet op de hoogte was van de onderhuur, kan de vaststelling daarvan in het midden blijven. Ook indien [bedrijf 2] niet op de hoogte was van de onderverhuur aan [bedrijf 1], dan is [bedrijf 4] niet tot vrijwaring gehouden vanwege de onbevoegde onderverhuur. [bedrijf 2] heeft namelijk niet gesteld dat zij geen toestemming aan [bedrijf 4] tot onderverhuur zou hebben gegeven. [bedrijf 2] stelt dat zij bij bevoegde onderverhuur een exoneratiebeding met [bedrijf 1] zou zijn overeengekomen waarop zij zich met succes ter afwering van haar aansprakelijkheid jegens [bedrijf 1] zou hebben kunnen beroepen. Op deze grond stelt zij dat haar aansprakelijkheid jegens [bedrijf 1], schade is die het gevolg is van de onbevoegde onderverhuur door [bedrijf 4].

Het uitgangspunt van [bedrijf 2] dat zij met succes een beroep zou hebben kunnen doen op een met [bedrijf 1] overeengekomen exoneratiebeding zoals opgenomen in artikel 9 en 10 van de algemene voorwaarden, is onjuist.

[bedrijf 2] is immers ernstig nalatig geweest bij het (doen) slopen van het dak zonder zich er tevoren van te vergewissen dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid droog zou blijven om aldus het risico van waterschade uit te sluiten en zonder -op basis van een beoordeling van de inhoud van de koelcellen- adequate voorzieningen tegen wateroverlast te treffen toen het weer drastisch omsloeg.

3.45. Dit betekent dat het in artikel 9 van de algemene bepalingen opgenomen exoneratiebeding niet met succes door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] tegengeworpen had kunnen worden. Evenmin had [bedrijf 2] zich ter afwering van haar aansprakelijkheid kunnen beroepen op artikel 10 van de algemene bepalingen omdat de onderhavige schade niet het gehuurde of belendingen betreft.

Om dezelfde redenen kan [bedrijf 2] jegens [bedrijf 4] geen beroep op de artikelen 9 en 10 van de algemene voorwaarden doen zodat ook de tweede grondslag van de vrijwaringsverplichting van [bedrijf 4] niet op gaat.

3.46. Omdat [bedrijf 2] geen andere grondslagen voor haar vordering tot vrijwaring jegens [bedrijf 4] heeft aangevoerd, dient haar vordering te worden afgewezen.

Is [bedrijf 2] gehouden tot vrijwaring van [bedrijf 4]?

3.47. [bedrijf 4] heeft haar vordering tot vrijwaring gebaseerd op artikel 7:208 BW. Het kennelijke uitgangspunt van [bedrijf 4] dat het verzuim om voorzorgsmaatregelen te treffen als een gebrek van het gehuurde is te beschouwen in de zin van artikel 7:208 BW, is onjuist.

De onderhavige werkzaamheden werden verricht om klachten van [bedrijf 4] over lekkage te verhelpen. De waterschade die [bedrijf 1] heeft geleden, en de aansprakelijkheid van [bedrijf 4] daarvoor, zijn geen gevolg van een gebrek aan het gehuurde, maar een gevolg van het verzuim van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] om het dak te verwijderen zonder dat zij zich ervan vergewist hebben dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid droog zou blijven gedurende de tijd dat het dak eraf zou zijn en zonder - op basis van een beoordeling van de inhoud van de koelcellen - adequate voorzorgsmaatregelen te treffen ter voorkoming van waterschade als gevolg van het slechte weer.

Door dit verzuim heeft [bedrijf 2] [bedrijf 4] niet het ongestoorde genot van het gehuurde verschaft, althans jegens [bedrijf 4] niet als goed verhuurder gehandeld. Tot het gehuurde hoort een aantal koelcellen. Bij renovatie van het dak van de bedrijfshal behoort tot de verplichting van [bedrijf 2] om zodanige (voorzorgs)maatregelen te treffen dat schade aan de in de koelcellen aanwezige goederen voorkomen wordt. In dit opzicht heeft [bedrijf 2] aan [bedrijf 4] niet het ongestoorde genot van het gehuurde verschaft en is zij gehouden om de schade die [bedrijf 4] dientengevolge zal lijden te vergoeden.

3.48. [bedrijf 2] heeft zich ter afwering van haar aansprakelijkheid jegens [bedrijf 4] beroepen op de artikelen 9, 10 en 12 van de algemene bepalingen die deel uitmaken van de huurovereenkomst.

Reeds in de vrijwaringszaak van [bedrijf 2] tegen [bedrijf 4] is beslist dat [bedrijf 2] geen beroep toekomt op de artikelen 9 en 10 van de algemene bepalingen. Dezelfde argumenten gaan ook in deze vrijwaringszaak op.

3.49. In artikel 12 van de algemene bepalingen staat dat alle kosten die door overtreding van de huurovereenkomst door de huurder aan de verhuurder zijn veroorzaakt voor rekening van de huurder zijn. [bedrijf 2] beroept zich in dit kader op de onbevoegde onderverhuur. Zij stelt dat de goederen van [bedrijf 1] niet in de koelcelen zouden hebben gelegen indien er geen onderverhuur door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] zou zijn geweest.

Aan deze stelling ligt het uitgangspunt ten grondslag dat [bedrijf 2] aan [bedrijf 4] geen toestemming tot onderverhuur zou hebben gegeven. [bedrijf 2] stelt dit echter niet uitdrukkelijk. Dit uitgangspunt is evenmin te rijmen met de stelling van [bedrijf 2] in de vrijwaringszaak tegen [bedrijf 4] dat zij haar toestemming afhankelijk zou hebben gemaakt van de aanvaarding door [bedrijf 1] van de exoneratiebedingen van artikel 9 en 10 van de algemene bepalingen.

Dit betekent dat het verweer van [bedrijf 2] op dit punt onvoldoende onderbouwd is. Zij heeft niet gesteld dat zij geen toestemming tot onderverhuur zou hebben gegeven en evenmin dat [bedrijf 1] de toepasselijkheid van artikel 9 en 10 van de algemene voorwaarden niet zou hebben geaccepteerd.

3.50. [bedrijf 2] heeft zich voorts beroepen op eigen schuld aan de zijde van [bedrijf 4]. Zij heeft dat onderbouwd met de navolgende stellingen:

- [bedrijf 4] heeft toen het eenmaal regende geen voorzorgsmaatregelen (het uitrijden van de kazen) getroffen;

- [bedrijf 4] heeft de indruk gewekt dat de koelcellen waterdicht zouden zijn door daar goederen in te plaatsen ter bescherming tegen wateroverlast en geen gebruik te maken van het aanbod van [bedrijf 2] om de koelcellen af te dekken;

- [bedrijf 4] heeft [bedrijf 2] niet geïnformeerd over de in de koelcellen aanwezige voorraad.

3.51. Voor het beroep op eigen schuld van [bedrijf 4] zijn de gesprekken van 2, 3 en 6 september 2010 van belang tussen [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4].

Ten aanzien van de gesprekken van 2 en 3 september 2010 is voldoende komen vast te staan dat [bedrijf 2] [bedrijf 4] heeft geïnformeerd over de ophanden zijnde asbestverwijdering en vervanging van het dak op 6 september 2010. Voorts is op grond van de verklaringen van [directeur bedrijf 4] en [directeur bedrijf 1] tijdens de comparitie van partijen komen vast te staan dat [directeur bedrijf 2] bij die gelegenheid is gevraagd wat er gedaan zou worden als het gaat regenen, dat [bedrijf 2] daarop geantwoord heeft dat het niet gaat regenen en dat over verdere voorzorgsmaatregelen niet gesproken is. Evenmin is gesproken over de (omvang van) de voorraad van [bedrijf 1] in de koelcellen.

Ten aanzien van het gesprek op 6 september 2010 is komen vast te staan dat over het afdekken van de koelcellen niet uitdrukkelijk gesproken is, dat [directeur bedrijf 4] ter bescherming tegen wateroverlast bepaalde zaken in de koelcellen heeft geplaatst en partijen zich geen rekenschap hebben gegeven van de omvang van de voorraad kaas die in de koelcellen lag.

3.52. Op [bedrijf 4] rustte ook een eigen verantwoordelijkheid om schade aan de in de koelcellen aanwezige voorraad kaas te voorkomen als gevolg van de sloopwerkzaamheden. [bedrijf 4] diende een afweging te maken welke risico’s aan de sloopwerkzaamheden voor de kaas verbonden waren en zo nodig zelf actie te ondernemen. Dit geldt in het bijzonder omdat [bedrijf 4] vanwege het antwoord van [bedrijf 2] (“ het gaat niet regenen”) op 2 september 2010 en vanwege haar indruk dat met [bedrijf 2] op 3 september 2010 helemaal niet meer te praten viel over wat er precies ging gebeuren als het ging regenen, er op bedacht diende te zijn dat het dak eraf zou gaan zonder noemenswaardige voorzorgsmaatregelen.

Vanwege het te verwachten risico van schade indien geen adequate maatregelen genomen werden, had het op de weg van [bedrijf 4] gelegen om zich met [bedrijf 2] te vergewissen van de omvang van de voorraad en een duidelijke afspraak te maken over de te treffen voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van schade. Dit heeft [bedrijf 4] nagelaten.

Tevens heeft [bedrijf 4] op 6 september 2010 nagelaten om zich te vergewissen van de omvang van de voorraad kaas in de koelcellen en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] daarover te informeren. Evenmin heeft zij toen duidelijke afspraken gemaakt over de door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] te treffen voorzieningen.

3.53. Dit betekent dat aan de zijde van [bedrijf 4] sprake is van eigen schuld. De omvang van de eigen schuld van [bedrijf 4] is minder dan de fout van [bedrijf 2]. Gemeten naar de mate waarin de fouten hebben bijgedragen aan de schade, is het in de verhouding van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] het redelijk dat 30% van de schade waarvoor [bedrijf 4] jegens [bedrijf 1] aansprakelijk is voor rekening van [bedrijf 4] blijft. Dit betekent dat de verplichting tot vrijwaring van [bedrijf 2] 70 % van 50% van de schade van [bedrijf 1] betreft.

De vrijwaringszaken van [bedrijf 3] tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 4]

3.54. [bedrijf 3] vordert in de vrijwaringszaak met nr.789226 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 4] veroordeelt om [bedrijf 3] te vrijwaren en aan haar te voldoen dat wat [bedrijf 3] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, met veroordeling van [bedrijf 4] in de proceskosten.

[bedrijf 3] vordert in de vrijwaringszaak met nr.789228 dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [bedrijf 2] veroordeelt om [bedrijf 3] te vrijwaren en aan haar te voldoen dat wat [bedrijf 3] in de hoofdzaak gehouden is aan [bedrijf 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling en met veroordeling van [bedrijf 2] in de proceskosten.

Is [bedrijf 2] gehouden tot vrijwaring van [bedrijf 3]?

3.55. [bedrijf 3] heeft de verplichting tot vrijwaring van [bedrijf 2] gebaseerd op de stellingen dat:

- [bedrijf 2] op grond van de overeenkomst tot aanneming van werk gehouden was om voor de maatregelen/voorzieningen te zorgen ter beperking van wateroverlast;

- met het verwijderen van het dak, het opgedragen werk voltooid was en het aan [bedrijf 2] was om voorzorgsmaatregelen te nemen;

- [bedrijf 2] nagelaten heeft om [bedrijf 3] te informeren over de in de koelcellen aanwezige voorraden;

- [bedrijf 2] de datum heeft bepaald waarop de dakdekker het nieuwe dak zou aanbrengen en die kwam niet op het afgesproken tijdstip.

3.56. [bedrijf 2] heeft betwist tot vrijwaring van [bedrijf 3] gehouden te zijn. [bedrijf 2] heeft daartoe gesteld dat:

- [bedrijf 3] gehouden was om voorzorgsmaatregelen te nemen;

- [bedrijf 3] [bedrijf 2] had moeten wijzen op de noodzaak van het afdekken van de hal en daar een post voor moeten opnemen in de overeenkomst;

- zij op grond van de overeenkomst van aanneming van werk niet gehouden is om voorzorgsmaatregelen te treffen;

- [bedrijf 3] geen beroep kan doen op het in de overeenkomst van aanneming van werk opgenomen exoneratiebeding.

3.57. In de overeenkomst is bepaald dat “alle benodigde tijdelijke voorzieningen t.b.v. bescherming bestaande onderdelen/bebouwing” door [bedrijf 2] verzorgd zullen worden.

Of deze bepaling zo uitgelegd moet worden dat daar tevens het treffen van maatregelen ter bescherming van de koelcellen tegen wateroverlast onder valt, kan in het midden blijven.

[bedrijf 3] heeft tijdens de comparitie verklaard dat hij met [bedrijf 2] er van uitgegaan is dat het werk gepland zou worden bij droog weer, en dat het werk uitgesteld zou worden indien het niet droog zou blijven. Omdat [bedrijf 3] wist dat voor de vervanging van het dak “een aantal dagen nodig” was, betekende de afspraak ‘plannen bij droog weer’ dat [bedrijf 3] maandag 6 september 2010 voorafgaand aan de sloop van het dak zich ervan diende te vergewissen dat het een aantal dagen droog zou blijven.

Dit heeft [bedrijf 3] niet gedaan. Het gevolg is geweest dat het dak volledig open lag toen later in de avond en nacht zware regen over het land trok.

Gegeven deze oorzaak van de waterschade kan [bedrijf 3] zich er niet op beroepen dat [bedrijf 2] verplicht was om beschermende maatregelen te nemen, en evenmin dat het niet nakomen van die verplichting [bedrijf 2] verplicht tot vrijwaring van [bedrijf 3].

3.58. Evenmin kan [bedrijf 3] onder de omstandigheden waarin

[bedrijf 3] het dak verwijderd heeft, een vrijwaringsverplichting van [bedrijf 2] baseren op de stelling dat zij tot niet meer gehouden was dan het verwijderen van het dak. Zij was immers gehouden om dat zo te plannen dat het gedurende de dagen dat het dak open lag, droog zou blijven. Nu zij dat niet gedaan heeft, en er reeds waterschade ontstond toen [bedrijf 3] het werk vanwege het asbest nog niet had vrijgegeven, kan zij evenmin de schade toerekenen aan [bedrijf 2] vanwege de vertraagde dakdekkerswerkzaamheden.

3.59. Voorts heeft [bedrijf 3] de verplichting tot vrijwaring van [bedrijf 2] gebaseerd op de stelling dat [bedrijf 2] haar niet heeft geïnformeerd over de in de koelcellen aanwezige voorraad kaas, en dat de onwetendheid van [bedrijf 2] voor diens risico komt.

Ook deze stelling faalt. Toen 6 september 2010 bleek dat het weer slechter werd en [bedrijf 3] en [bedrijf 2] in de bedrijfshal waren voor het treffen van voorzorgsmaatregelen, hadden zij beiden moeten beoordelen welke maatregelen passend waren met het oog op de slechter wordende weersvoorspelling en de daarmee toenemende kans op waterschade. Ten behoeve van die beoordeling hadden zij beiden moeten controleren wat er in de koelcellen aan voorraad lag. Het belang daarvan heeft [directeur bedrijf 3] tijdens de comparitie van partijen duidelijk aangegeven toen hij zei dat als hij geweten had van de omvang van de voorraad, hij de voorraad weggehaald zou hebben.

3.60. Dit betekent dat [bedrijf 2] niet gehouden is om [bedrijf 3] te vrijwaren terzake van diens aansprakelijkheid jegens [bedrijf 1].

Is [bedrijf 4] gehouden tot vrijwaring van [bedrijf 3]?

3.61. [bedrijf 3] stelt dat [bedrijf 4] jegens haar onrechtmatig gehandeld heeft omdat [bedrijf 4] op 6 september 2010, toen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] naar de bedrijfshal kwamen om voorzorgsmaatregelen te treffen, [bedrijf 3] niet heeft geïnformeerd over de in de koelcellen aanwezige kazen van [bedrijf 1]. Volgens [bedrijf 3] rustte op [bedrijf 4] de plicht om zodanige informatie te geven om schade aan de kazen van [bedrijf 1] te voorkomen. Voorts betwist zij dat zij had kunnen en moeten weten dat de koelcellen niet waterdicht waren en benadrukt zij dat zij aan [bedrijf 4] folie ter beschikking heeft gesteld om de koelcellen mee af te dekken.

3.62. [bedrijf 4] heeft betwist dat zij onrechtmatig jegens [bedrijf 3] heeft gehandeld. Zij heeft aangevoerd dat [bedrijf 3] gegeven de weersverwachting niet met het verwijderen van het dak had mogen beginnen zonder adequate voorzieningen te treffen die in het algemeen van een professioneel asbestsaneerder verwacht mogen worden.

Tevens heeft zij betwist tot waarschuwing van [bedrijf 3] gehouden te zijn ter zake van de in de koelcellen aanwezige voorraad.

3.63. Het staat vast dat [bedrijf 4] op 6 september 2010 heeft nagelaten om zich te vergewissen van de omvang van de voorraad kaas in de koelcellen en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] daarover te informeren. Evenmin heeft zij toen duidelijke afspraken gemaakt over de door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] te treffen voorzieningen. Dit betekent echter niet dat [bedrijf 4] jegens [bedrijf 3] onrechtmatig heeft gehandeld. Gegeven het door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] veroorzaakte risico op waterschade, had [bedrijf 3] een eigen verplichting om waterschade te voorkomen. Toen 6 september 2010 bleek dat het weer slechter werd en [bedrijf 3] en [bedrijf 2] in de bedrijfshal waren voor het treffen van voorzorgsmaatregelen, hadden zij beiden moeten beoordelen welke maatregelen passend waren met het oog op de slechter wordende weersvoorspelling en de daarmee toenemende kans op waterschade. Ten behoeve van die beoordeling hadden zij beiden moeten controleren wat er in de koelcellen aan voorraad lag. Het belang daarvan heeft

[directeur bedrijf 3] tijdens de comparitie van partijen duidelijk aangegeven toen hij zei dat als hij geweten had van de omvang van de voorraad, hij de voorraad weggehaald zou hebben. De inhoud van de koelcellen is in het geheel niet ter sprake geweest en daarvoor is [bedrijf 3] minstens zo verantwoordelijk als [bedrijf 2] en [bedrijf 4].

3.64. Dit betekent dat [bedrijf 4] niet gehouden is om [bedrijf 3] te vrijwaren terzake van diens aansprakelijkheid tegenover [bedrijf 1].

Onderlinge draagplicht van [bedrijf 4], [bedrijf 2] en [bedrijf 3]

3.65. Met de beoordeling van de vrijwaringsvorderingen, is geen oordeel gegeven over de onderlinge draagplicht van [bedrijf 4], [bedrijf 2] en [bedrijf 3] als hoofdelijke schuldenaren jegens [bedrijf 1] in de zin van artikel 6:10 lid 1 en 6:102 BW. Vaststelling van die onderlinge draagplicht is door voornoemde partijen niet verzocht en het bestaan van die draagplicht is evenmin aan de vrijwaringsvorderingen ten grondslag gelegd.

4. De beslissing.

De kantonrechter:

In de zaak [bedrijf 1] tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] met rolnr. 767898

verklaart voor recht dat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [bedrijf 1] en zodoende hoofdelijk gehouden zijn de 80% van de (water)schade die [bedrijf 1] heeft geleden te vergoeden;

veroordeelt [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 876,31 waarin begrepen EUR 800,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de beslagkosten aan de zijde van [bedrijf 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 1221,52 waarin begrepen EUR 800,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In de zaak [bedrijf 1] tegen [bedrijf 4] met rolnr. 752458

verklaart voor recht dat [bedrijf 4] toerekenbaar tekortgeschoten danwel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [bedrijf 1] en zodoende gehouden is om 50% van de (water)schade die [bedrijf 1] heeft geleden te vergoeden;

verklaart voor recht dat [bedrijf 4], [bedrijf 2] en [bedrijf 3] voor 50% van de schade van [bedrijf 1] hoofdelijk ten opzicht van [bedrijf 1] aansprakelijk zijn;

veroordeelt [bedrijf 4] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 982,31 waarin begrepen EUR 800,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In de vrijwaringszaak [bedrijf 2] tegen [bedrijf 4] met rolnr. 771279

wijst de vordering af;

veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 4], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 800,00 aan salaris gemachtigde.

In de vrijwaringszaak [bedrijf 4] tegen [bedrijf 2] met rolnr. 777924

veroordeelt [bedrijf 2] om aan [bedrijf 4] te voldoen 70% van wat [bedrijf 4] gehouden zal zijn aan [bedrijf 1] te voldoen,

veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 982,31 waarin begrepen EUR 800,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In de vrijwaringszaak [bedrijf 3] tegen [bedrijf 2] met rolnr. 789228

wijst de vordering af;

veroordeelt [bedrijf 3] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 2], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 800,00 aan salaris gemachtigde.

In de vrijwaringszaak van [bedrijf 3] tegen [bedrijf 4] met rolnr. 789226

wijst de vordering af;

veroordeelt [bedrijf 3] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 4], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op EUR 800,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.