Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3217

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
16-655377-12 en vordering tenuitvoerlegging 21-002360-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbraak auto en winkeldiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655377-12 en vordering tenuitvoerlegging 21/002360-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

in een auto heeft ingebroken en daaruit goederen heeft gestolen en dat hij een winkeldiefstal heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiftes, de verhoren van de getuigen, de processen-verbaal van bevindingen en het forensisch onderzoek.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de onder 1 tenlastegelegde auto-inbraak voert de raadsman aan dat zijn cliënt een valide verklaring heeft voor het bezit van een deel van de goederen die uit de auto afkomstig zijn, namelijk dat hij de goederen in de buurt van de auto heeft gevonden in een plastic tas. De tas heeft hij weggegooid omdat deze nat was. Deze gang van zaken is des te overtuigender omdat verdachte slechts een deel van de vermiste goederen bij zich droeg, terwijl de overige uit de auto weggenomen voorwerpen, waaronder een TomTom, niet in de omgeving van de auto zijn aangetroffen, althans daar is geen onderzoek naar gedaan. Weliswaar is 10 dagen later in de surveillanceauto waarin verdachte is vervoerd de TomTom gevonden die kennelijk van de auto-inbraak afkomstig was, maar het is niet bewijsbaar dat deze door verdachte daar is achtergelaten. De op de plaats delict aangetroffen fiets met glas op de bagagedrager was niet van verdachte. De in zijn kleding aangetroffen glasdeeltjes kunnen via de goederen uit de plastic zak daarop terecht zijn gekomen. Overigens geeft verdachte aan dat de handschoenen, waarin glasdeeltjes zijn aangetroffen, niet aan hem toebehoren.

Met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde winkeldiefstal wordt aangevoerd dat verdachte niet de intentie had de goederen zonder betaling mee te nemen. Dit is per ongeluk gebeurd omdat hij apart boodschappen voor zichzelf en voor een vriend wilde afrekenen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende vast:

Ten aanzien van feit 1:

Op 5 februari 2012 om 02.14 uur kwam er een melding dat op dat moment werd ingebroken in een Opel Zafira die stond op de Carnegiedreef te Utrecht, ter hoogte van de Gambiadreef. Een getuige had zicht op de Opel Zafira van een hem bekende eigenaar. Er stonden geen andere auto’s in de buurt. Hij hoorde ineens een doffe klap en glasgerinkel en zag een persoon staan aan de bijrijderzijde van deze auto. De manspersoon was alleen. De getuige zag dat er vervolgens iemand op een fiets langskwam en dat de persoon die bij de auto stond van de auto wegliep en in het donker onder de flat ging staan. Nadat de fietser voorbij was, liep de persoon weer naar de Opel Zafira. De getuige belde de politie terwijl de persoon nog steeds bij de auto stond.

Een minuut later waren de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen een man over de Carnegiedreef lopen. De man liep op 10 meter afstand van de Opel Zafira. Behalve deze man zagen zij niemand op straat lopen. De man hield een fiets in zijn hand en had een rugzak om. De man, verdachte [verdachte], werd door verbalisanten staande gehouden. Desgevraagd toonde verdachte de inhoud van zijn rugtas, waarin onder meer een zwart stuk plastic met het logo van TomTom-navigatie en een TomTomhouder zat. Verbalisant Derksen zag dat het raam van het bijrijdersportier van de Opel Zafira was ingeslagen. In de opengebroken auto werd eenzelfde stuk plastic met TomTom-logo aangetroffen. De inhoud van de rugtas – onder meer TomTom-snoer, een TomTom-houder, een Nokia-oplader, een blauwe aansteker, een portemonneetje, schoonmaakdoekjes en snoepjes- is in beslag genomen. Een iets later ter plaatse gekomen verbalisant hoorde verdachte zeggen dat de fiets tegen de muur van hem is. Deze verbalisant zag een stuk glas op de bagagedrager van de fiets liggen. Dit glas is in beslag genomen. Op de grond, naast verdachte en de fiets, lag een roodkleurige schroevendraaier. Op de stoep tussen de Opel Zafira en de plaats van staande houding lag een schroevendraaier met een geel handvat. De jas van verdachte en de handschoenen uit zijn jaszak zijn in beslag genomen. Verbalisanten zagen dat in de jaszak van verdachte glassplinters zaten.

Op 5 februari 2012 deed [benadeelde] aangifte van diefstal van goederen uit haar auto, de Opel Zafira. Zij zag dat een portierruit kapot was. Zij miste uit de auto een TomTom, een oplaadsnoer van een TomTom, een oplaadsnoer van een Nokia telefoon, een oplader van een Iphone, oordopjes voor een Iphone, een houder voor de TomTom, een thermosbeker met kleingeld, een pak schoonmaakdoekjes, een blauwe aansteker, een portemonneetje met bloemetjes en oranje snoepjes. Zij herkende de goederen die onder de verdachte in beslag waren genomen en aan haar werden getoond als haar eigendommen, afkomstig uit haar auto: het TomTom-snoer, de TomTom-houder, de Nokia-oplader, de blauwe aansteker, het portemonneetje, de schoonmaakdoekjes en de oranje snoepjes.

Het NFI heeft de glasdeeltjes die zijn aangetroffen op/in de jas en de handschoenen van verdachte en de glasdeeltjes afkomstig van de fiets (tezamen aangeduid als ‘vreemd glas’) vergeleken met glas afkomstig van de vernielde ruit van de auto (aangeduid als ‘referentieglas’). In het onderzoek naar de glasdeeltjes zijn door het NFI twee hypotheses opgesteld en getoetst. Gebleken is dat de hypothese dat het vreemd glas afkomstig is van het referentieglas veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat het vreemd glas afkomstig is van willekeurige andere ruiten of glazen objecten.

Bewijsoverweging:

De rechtbank is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, als hierboven vermeld. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De verklaringen van verdachte – over een mogelijk alternatief scenario – acht de rechtbank niet aannemelijk, temeer nu deze verklaringen van verdachte op essentiële onderdelen inconsistent zijn en zij geen steun vinden in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

In het bijzonder neemt de rechtbank daarbij het volgende in aanmerking. Verdachte is om 02.15 uur ’s nachts – één minuut na de melding van de auto-inbraak – vlakbij de Opel Zafira aangetroffen. Een ooggetuige heeft verklaard dat hij – kort nadat hij glasgerinkel hoorde – één persoon bij de auto heeft gezien en dat hij daarna direct de politie heeft gebeld. Verbalisanten zien, eenmaal ter plaatse, verdachte met een fiets lopen. Verder zien zij niemand op straat. Op de fiets – waarvan verdachte eerst zegt dat deze aan hem toebehoort maar daar later op terugkomt en zelfs verklaart dat hij in het geheel niet met een fiets liep – wordt een glasscherf aangetroffen. Ook in de kleding van verdachte worden glasdeeltjes aangetroffen. Verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring kunnen geven. De glasdeeltjes tonen overeenkomsten met het glas van de gebroken autoruit van de Opel Zafira van aangeefster. Met betrekking tot de bij verdachte aangetroffen goederen heeft verdachte wisselend verklaard. Over de snoepjes verklaarde hij dat deze van hem waren en dat hij deze op de Kanaalstraat had gekregen, terwijl aangeefster deze snoepjes en andere onder verdachte in beslag genomen voorwerpen herkent als voorwerpen die aan haar toebehoren en die uit haar auto zijn weggenomen. Pas in zijn tweede verklaring tegenover de politie geeft verdachte aan dat hij de goederen in zijn rugzak had gevonden in een plastic zak. Gelet op de korte tijdspanne tussen de melding van de auto-inbraak en het aantreffen van verdachte op de plaats delict acht de rechtbank dit niet aannemelijk. Ook verklaart verdachte in een later verhoor tegenover de politie dat hij twee manspersonen op straat heeft zien lopen, terwijl hij ter terechtzitting verklaart dat hij niemand op straat heeft gezien. Nu noch de ooggetuige noch verbalisanten meer dan één persoon in de omgeving van de auto hebben zien lopen, acht de rechtbank evenmin aannemelijk dat een ander dan verdachte – zijnde die persoon – goederen uit de Opel Zafira heeft weggenomen.

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Op 22 februari 2012 zag een beveiligingsmedewerker via de camerabeelden dat verdachte in de Plus supermarkt aan de Voorstraat in Utrecht enkele goederen onder zijn jas stopte. Nadat verdachte voor andere goederen bij de kassa had betaald, heeft de beveiliger verdachte aangesproken. Verdachte bleek een pak koffiebroodjes en een rol aluminiumfolie in zijn jas te hebben die hij niet had afgerekend. Namens de Plus in de Voorstraat is aangifte gedaan van de diefstal. Op camerabeelden, afkomstig van de winkel, is te zien dat verdachte met een winkelmandje loopt en handelingen verricht die erop kunnen duiden dat hij vermoedelijk iets onder zijn jas stopt, waarna hij zijn jas aan de rechterkant goed trekt. Voorts is zichtbaar dat de verdachte ter hoogte van de kassa staat en handelingen verricht welke erop kunnen duiden dat hij iets afrekent. Daarna is te zien dat verdachte met versnelde pas bij de kassa vandaan komt lopen, waarna hem door een beveiliger de weg wordt geblokkeerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij boodschappen onder zijn oksel heeft gestopt en deze niet heeft afgerekend.

Bewijsoverweging:

Verdachte heeft verklaard dat hij de boodschappen voor zichzelf en die voor zijn vriend gescheiden wilde houden en boodschappen onder zijn oksel heeft gestopt om zijn handen vrij te houden. Hij is daarna vergeten de verstopte boodschappen af te rekenen. Hij ontkent dat hij de bedoeling had om te stelen. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk: het ging om een gering aantal goederen, dat ook in een winkelmandje goed gescheiden is te houden. Daarnaast is het bewaren van boodschappen onder de oksel niet gebruikelijk en is het slecht voorstelbaar dat door het op deze moeizame wijze vasthouden van boodschappen vergeten wordt deze ter betaling aan te bieden.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 2. tenlaste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 5 februari 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een

personenauto (merk: Opel; type Zafira) heeft weggenomen oplaadsnoeren en Iphone oordopjes en een TomTom met houder en een portemonnee en een thermosbeker (met kleingeld als inhoud), toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak op een ruit van die

personenauto;

2.

op 22 februari 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit supermarkt Plus (filiaal Voorstraat) koffiebroodjes en aluminiumfolie, toebehorende aan supermarkt Plus.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Reclassering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, indien geen vrijspraak volgt, een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en eventueel een voorwaardelijke straf van 1 maand.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een auto-inbraak en een winkeldiefstal.

De ervaring leert dat auto-inbraken als de onderhavige flinke materiële schade met zich brengen.

Niet alleen werden uit die auto goederen weggenomen, maar daarbij werd die auto ook beschadigd. Dit heeft voor het slachtoffer tot gevolg gehad dat zij van dit feit veel ergernis en ongemak heeft ondervonden. De nasleep van dergelijke feiten is vaak groter dan de waarde van de gestolen goederen.

Winkeldiefstallen veroorzaken veel schade en overlast voor de betrokken ondernemers.

Verdachte heeft een fors strafblad en is gelabeld als veelpleger. Hij heeft een ISD-traject achter de rug, maar heeft zich nadien opnieuw meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. De (vele) eerdere veroordelingen en het ISD-traject hebben verdachte er niet toe gebracht te breken met zijn criminele levensstijl. Hij blijft zich onvoldoende rekenschap geven van de gevolgen van door hem gepleegde feiten. In plaats daarvan probeert hij de waarheid te verhullen

Blijkens de rapporten van de reclassering d.d. 6 februari 2012 en 3 mei 2012 heeft verdachte na zijn deelname aan de ISD sinds februari 2011 een eigen woning. Daarna is er een terugval geweest in gebruik en is hij enkele keren met justitie in aanraking geweest. Bij de laatste veroordeling, door het Gerechtshof Arnhem d.d. 11 oktober 2011, is een voorwaardelijke straf opgelegd met als voorwaarde opname in het Motivatiecentrum van Centrum Maliebaan, nadien zou verdachte niet meer hebben gebruikt. Hij krijgt financiële begeleiding van Stadsgeldbeheer en ambulante woonbegeleiding van Stichting de Tussenvoorziening. Daarnaast wordt verdachte begeleid door Mevrouw Van der Pluijm, toezichthouder bij Centrum Maliebaan en de heer Van Kreel, trajectbegeleider bij het GAVO. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Oplegging c.q. voorzetting van bijzondere voorwaarden is van belang.

De heer Van Kreel heeft ter zitting toegelicht dat een eerder door verdachte ondergane dagbehandeling in De Wier goed is verlopen, met name door de geboden structuur. Verdachte heeft veel structuur nodig en de vraag is dan ook of de huidige woonvorm wel de juiste is voor hem. Er zijn huurachterstanden en als er een tweede ISD komt, is hij de woning kwijt. Ook structuur in de vorm van een vaste dagbesteding is van belang voor verdachte. Hij heeft zelf aangegeven dat hij bij familie kan werken als hij clean is. De heer Van Kreel heeft voorts medegedeeld dat het advies voor een tweede leefstijltraining naar zijn idee als achterhaald moet worden beschouwd, omdat deze training gericht is op herkenning van trekmomenten en daarmee leren omgaan en een tweede training niets toevoegt aan hetgeen verdachte hierover al geleerd heeft. In plaats daarvan adviseert de heer Van Kreel de verdachte aan te laten melden bij Stichting Gids, een re-integratiebureau.

De rechtbank acht daarom de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

De rechtbank acht het van belang aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering worden geadviseerd, met uitzondering van de voorgestelde leefstijltraining en met toevoeging van de ter zitting geadviseerde aanmelding van verdachte bij de Stichting Gids.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 183,20 voor feit 1.

De raadsman heeft aangevoerd dat de door de politie gevonden TomTom eerder aan de benadeelde partij had kunnen worden teruggegeven. De schade komt om die reden niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Dat mogelijk nog een TomTom aan de benadeelde partij zal worden teruggegeven, doet niet af aan het feit dat de benadeelde partij schade heeft geleden, nu zij reeds een nieuw navigatiesysteem heeft aangeschaft. In de verhouding tussen verdachte en de benadeelde partij is verdachte aansprakelijk voor deze schade, nu deze zonder zijn toedoen niet zou zijn geleden.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat van de voorwaardelijke straf van drie maanden gevangenisstraf, die aan verdachte is opgelegd bij arrest van 11 oktober 2011, een gedeelte, namelijk twee maanden, ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan twee nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen met dien verstande dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen termen aanwezig acht om slechts een gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr.

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd bij Centrum Maliebaan te Utrecht zal melden, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan ook als dit inhoudt:

- casemanagement door de afdeling GAVO van het Centrum Maliebaan;

- financiële begeleiding door Stadsgeldbeheer;

- woonbegeleiding door Stichting de Tussenvoorziening;

- aanmelding bij de Stichting Gids;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 11 oktober 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/002360-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 183,20, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 183,20 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou, voorzitter,

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. R.G.A. Beaujean, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 mei 2012.

Mr. R.G.A. Beaujean is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.