Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3200

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
16/655802-12; 16/652442-12 (ter terechtzitting gevoegd) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

meermalen lokaalvredebreuk en wederspannigheid waarbij de agent lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ,et een locatieverbod als bijzondere voorwaarde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655802-12; 16/652442-12 (ter terechtzitting gevoegd) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Zwolle-Lelystad.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/655802-12

Feit 1: zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaar [verbalisant], toen deze [verbalisant] verdachte had aangehouden;

Feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk;

16/652442-12

zich meerdere keren heeft schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bij parketnummer 16/655802-12 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en aan het onder parketnummer 16/652442-12 ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft zich daarbij met name gebaseerd op de in het dossier opgenomen ontzegging van de toegang tot het betreffende filiaal van de Albert Heijn, de aangiftes, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] en de deels bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de bij parketnummer 16/655802-12 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De verdediging wijst er daarbij ten aanzien van feit 2 op dat verdachte op 8 mei 2012 alleen bij de Albert Heijn is geweest om geld te pinnen en dat hij op die dag niet in de Albert Heijn is geweest om wat te kopen. De pinautomaat zit voor de toegangspoortjes en behoort niet tot het besloten lokaal van de Albert Heijn. Nu ten laste is gelegd dat verdachte wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal in gebruik bij de Albert Heijn dient hij dus van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een latere vrijspraak of een later ontslag van alle rechtsvervolging voor een feit waarvoor iemand is aangehouden en bij welke aanhouding diegene wordt verweten zich te hebben verzet, ertoe kan leiden dat de opsporingsambtenaar niet zonder meer in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat de opsporingsambtenaar disproportioneel geweld tegen hem heeft gebruikt. Nu achteraf geen grond voor een aanhouding aanwezig blijkt te zijn en er sprake is geweest van disproportioneel geweld door de opsporingsambtenaar tegen verdachte dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 1.

De verdediging heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder parketnummer 16/652442-12 ten laste gelegde feit voor zover dit feit de verdenking van lokaalvredebreuk op de data 25 februari 2012, 5 maart 2012, 6 maart 2012 en 8 maart 2012 betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is van mening dat verdachte van dit feit partieel moet worden vrijgesproken voor zover dit feit ziet op de verdenking van lokaalvredebreuk op 13 maart 2012, nu verdachte dit feit ontkent en voor dit feit alleen een aangifte en daarmee onvoldoende bewijs in het dossier zit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak parketnummer 16/652442-12 voor zover dit feit ziet op 13 maart 2012:

In het dossier is een verklaring van de aangever aanwezig, waarin aangever verklaart dat hij van manager [manager supermarkt] hoorde dat deze verdachte op 13 maart 2012 in de Albert Heijn had gezien en waarin aangever verklaart dat hij verdachte op de camerabeelden van de Albert Heijn had herkend. Nu verdachte zelf verklaart dat hij niet meer weet of hij op 13 maart 2012 in de Albert Heijn aan de Passage 65 in Nieuwegein is geweest en er verder geen bewijs in het dossier voor dit feit voorhanden is, zal de rechtbank verdachte wegens gebrek aan wettig bewijs van dit feit vrijspreken.

Bewezenverklaring parketnummer 16/652442-12 voor zover dit feit ziet op de overige data:

In het dossier is een ontzegging opgenomen waaruit volgt dat verdachte een ontzegging had om het filiaal van de Albert Heijn, gelegen aan de Passage 65 te Nieuwegein, te betreden voor de duur van één jaar onvoorwaardelijk. Dit winkelverbod werd aan verdachte opgelegd, omdat verdachte zich op 7 september 2011 in de Albert Heijn had misdragen en was ingegaan op 7 september 2011. De winkelontzegging is aan verdachte kenbaar gemaakt.

[aangever] heeft namens de Albert Heijn aangifte gedaan. Aangever verklaarde dat hij op 25 februari 2012 werd gebeld door [manager supermarkt], manager van de Albert Heijn aan de Passage 65 te Nieuwegein, dat hij had gezien dat de heer [verdachte] de Albert Heijn was binnen gekomen. Aangever had de camerabeelden bekeken en hij herkende op de beelden de heer [verdachte].

[aangever] heeft dezelfde aangifte gedaan voor de data 5 maart 2012 , 6 maart 2012 en 8 maart 2012 . Toen [aangever] op 8 maart 2012 bij de winkel aankwam zag hij de heer [verdachte] en heeft hij hem aangesproken op zijn ontzegging.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 25 februari 2012, 5 maart 2012,

6 maart 2012 en 8 maart 2012 in de Albert Heijn aan de Passage 65 was om wat te kopen.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 25 februari 2012, 5 maart 2012, 6 maart 2012 en 8 maart 2012 schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk.

Bewezenverklaring parketnummer 16/655802-12 feit 1 en feit 2:

Verbalisant [verbalisant], hoofdagent van politie, relateert in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij op 8 mei 2012 de melding kreeg om te gaan naar de Passage in Nieuwegein waar iemand in de Albert Heijn was geweest die een winkelverbod had. Onderweg hoorde verbalisant dat de verdachte de hem ambtshalve [verdachte] betrof. Verbalisant zag dat [verdachte] op een bankje op het perron van de tramhalte zat te wachten. Verbalisant is naar hem toegelopen en heeft hem aangesproken. Verbalisant zei tegen verdachte dat hij in de Albert Heijn was geweest, terwijl hij een winkelverbod had. Verbalisant hoorde verdachte zeggen dat hij daar even was geweest om te pinnen. Verbalisant zei vervolgens tegen verdachte dat hij was aangehouden terzake lokaalvredebreuk en dat hij mee moest. Verbalisant zag dat verdachte bleef zitten en hij hoorde dat verdachte zei dat hij niet meeging. Verbalisant heeft verdachte bij zijn arm gepakt. Hij voelde dat verdachte zijn arm probeerde in te trekken. Verdachte begon zijn arm in te trekken in de richting van zijn lichaam. Verbalisant heeft met zijn hand de keel van verdachte gepakt om hem zo onder controle brengen. Hierna heeft hij verdachte met een collega op zijn rug tegen het bankje aangedrukt. Verbalisant voelde dat verdachte zich nog steeds aan het verzetten was. Hij was wild met zijn lichaam heen en weer aan het bewegen en verbalisant voelde dat hij zijn arm probeerde los te trekken. Verbalisant voelde dat verdachte zijn arm lostrok en overeind kwam. Verbalisant heeft verdachte in een nekgreep gepakt en ze raakten in een worsteling. Verbalisant voelde dat hij tijdens de worsteling diverse malen met kracht met een gebalde vuist op zijn hoofd werd geslagen. Verdachte kon zich uiteindelijk lostrekken en hij rende weg. Verbalisant is achter hem aangerend en hij kon verdachte weer vastpakken in een nekgreep. Verdachte pakte verbalisant ook vast in een nekgreep en verbalisant voelde dat verdachte hem met gebalde vuist met kracht boven zijn linkerwenkbrauw sloeg. Verbalisant voelde direct hevige pijn en zag meteen veel bloed over zijn gezicht stromen. In het ziekenhuis is de snee boven zijn linkerwenkbrauw met vier hechtingen gehecht.

Uit medische informatie d.d. 8 mei 2012 volgt dat verbalisant [verbalisant] als gevolg van het gebeuren een snijwond van 1,5 centimeter heeft opgelopen, welke snee vanaf zijn linkerwenkbrauw over het voorhoofd liep.

[aangever 2] heeft namens de Albert Heijn aangifte gedaan. Aangever verklaarde dat hij zich op 8 mei 2012 in de Albert Heijn aan de Passage 65 in Nieuwegein bevond. Hij stond voor in de winkel waar de kassa’s zich bevonden en zag toen de heer [verdachte] aan komen lopen. Aangever vroeg aan [verdachte] “wat kom je hier doen, je weet dat je hier niet mag komen”. [verdachte] liep de winkel verder binnen richting de automaat waar men de ov-chipkaart kan opladen.

Uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte een winkelverbod heeft voor de Albert Heijn aan de Passage 65 te Nieuwegein voor de duur van één jaar lopende vanaf 7 september 2011.

Verdachte verklaarde ter zitting dat hij bij de Albert Heijn was geweest om te pinnen en dat hij daar ook mocht komen om te pinnen. Verdachte verklaarde dat hij ook tegen de agent had gezegd dat hij alleen bij de Albert Heijn was geweest om te pinnen. Hij verklaarde dat de agent hem bij zijn keel pakte en dat hij de agent daarom één keer had geslagen.

De politie heeft onderzoek verricht naar de plaats waar de pinautomaat staat. Uit dat onderzoek blijkt dat de pinautomaat waar verdachte over spreekt op grondgebied staat dat bij het filiaal van de Albert Heijn hoort en dus winkelgebied is. De rechtbank heeft kennis genomen van de foto’s in het dossier die de politie heeft genomen.

De rechtbank is van oordeel dat de foto’s in het dossier aantonen dat de pinautomaat waar verdachte op 8 mei 2012 heeft gepind zich zonder twijfel bevindt in het gebied dat tot de Albert Heijn behoort en dat verdachte door naar de pinautomaat te lopen de winkel van de Albert Heijn heeft betreden. Verdachte was daar ook nog op gewezen door aangever Verburgt die meteen toen verdachte de Albert Heijn binnen kwam lopen tegen verdachte zei dat hij daar niet mocht komen.

De rechtbank acht dan ook op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 mei 2012 in de Albert Heijn is geweest, terwijl hij een winkelverbod voor die Albert Heijn had.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen zijn aanhouding door opsporingsambtenaar [verbalisant], waardoor die [verbalisant] lichamelijk letsel heeft bekomen.

De rechtbank overweegt nog dat politieagent [verbalisant] ter plaatse kwam na een melding dat een persoon in de Albert Heijn was geweest, terwijl deze persoon een winkelverbod voor die winkel had. De agent sprak verdachte daarop aan en verdachte zei tegen de agent dat hij in de Albert Heijn was geweest om te pinnen. Toen [verbalisant] tot aanhouding van verdachte overging op grond van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht was hij dus wel degelijk in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat verdachte later mogelijk voor overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht zou kunnen worden vrijgesproken of zou kunnen worden ontslagen van alle rechtsvervolging doet daar niet aan af, temeer niet nu van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging ook geen sprake is. Van disproportioneel geweld van de zijde van politieagent [verbalisant] is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake geweest, nu verdachte zich hevig heeft verzet tegen zijn aanhouding en het toegepaste geweld een reactie daarop was.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

16/655802-12

1.

op 08 mei 2012 te Nieuwegein, toen de aldaar dienstdoende politieambtenaar [verbalisant] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 138 Wetboek van Strafrecht had aangehouden en vastgegrepen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- meermalen te stompen tegen het gezicht en hoofd van die ambtenaar en

- meermalen zich los te rukken uit de greep van die ambtenaar en

- meermalen te rukken en te trekken in de richting tegengesteld aan die, waarin die politieambtenaar verdachte trachtte te geleiden,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel, te weten

een snijwond in het gezicht, bekwam.

2.

op 08 mei 2012 te Nieuwegein, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de Passage 65 en in gebruik bij Albert Heijn, welk binnendringen daarin bestond dat hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemd lokaal is binnengegaan, terwijl aan hem, verdachte, door of namens rechthebbende de toegang tot voornoemd lokaal (schriftelijk) was ontzegd voor een periode van één jaar, ingaande op 7 september 2011.

16/652442-12

in de periode van 25 februari 2012 tot en met 8 maart 2012, te weten op

25 februari 2012 en

5 maart 2012 en

6 maart 2012 en

8 maart 2012

te Nieuwegein, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de Passage 65, aldaar en in gebruik bij de Albert Heijn, welk binnendringen daarin bestond dat hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemd lokaal is binnengegaan, terwijl aan hem, verdachte, door of namens de rechthebbende de toegang tot voornoemd lokaal (schriftelijk) was ontzegd voor een periode van 12 maanden, ingaande op 7 september 2011.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van parketnummer 16/655802-12 feit 1:

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Ten aanzien van parketnummer 16/655802-12 feit 2:

Het in een besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.

Ten aanzien van parketnummer 16/652442-12:

Het in een besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht als de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging komt om rekening te houden met het feit dat verdachte bezig is om zijn leven op orde te brengen en dat daarvoor een plan van aanpak is opgemaakt. Verdachte heeft een huis en zijn financiële zaken worden zo goed en zo kwaad als dat gaat geregeld. Als verdachte voor langere tijd in de gevangenis moet blijven raakt hij dit alles weer kwijt. De verdediging verzoekt daarom om een zo groot mogelijk deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in totaal vijf keer schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk bij de Albert Heijn, welke winkel hem voor zijn misdragingen in de winkel een winkelontzegging had opgelegd. Het spreekt voor zich dat hierdoor onrust is ontstaan bij het personeel in de betreffende winkel nu de verdachte zich steeds weer liet zien in de winkel. Verdachte heeft er blijk van gegeven zich niets aan te trekken van de bevoegdheid die de eigenaar van een winkel toekomt om personen die zich in de winkel misdragen te weren. Mede in aanmerking genomen het belang van dergelijke winkelverboden bij het tegengaan van criminaliteit en overlast voor winkeliers is hier sprake van een zeer hinderlijk feit.

Daarnaast heeft verdachte, toen hij door een politieagent voor lokaalvredebreuk werd aangehouden, zich met geweld verzet tegen deze politieagent. Verdachte heeft de politieagent tegen zijn hoofd en tegen zijn gezicht gestompt en daarmee de politieagent een snee boven zijn wenkbrauw toegebracht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een gezagsdrager heeft aangevallen. Gezagsdragers moeten hun werk kunnen doen, zonder met agressie geconfronteerd te worden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 29 mei 2012 blijkt dat verdachte eerder meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, ook voor de feiten die de rechtbank thans bewezen heeft verklaard. Op 28 mei 2009 is verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht en op 24 mei 2006 voor overtreding van artikel 181 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit door de raadsman ter zitting overgelegde informatie d.d. 25 mei 2012 van de heer

F. Peek, casemanager van verdachte bij Altrecht, blijkt dat verdachte sinds 2004 bekend is bij Altrecht. Verdachte is bekend met de diagnose schizofrenie en er is sprake van een beperkt ziekte-inzicht en weinig ziektebesef bij verdachte. Verdachte moet gestimuleerd en gemotiveerd worden om de voorgeschreven medicatie te continueren en hij krijgt daartoe depotmedicatie. Zonder medicatie vertoont verdachte een toename van achterdocht, wanen en hallucinaties waardoor snel conflicten met de omgeving ontstaan. Er zijn daarnaast vooral problemen op het gebied van dagbesteding en financiën. Verdachte heeft begeleiding nodig bij het zoeken naar en vinden van een passende dagbesteding en bij het regelen van de forse schulden die er zijn en het voorkomen dat verdachte nieuwe schulden blijft maken.

Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij nu al acht jaar een vaste woonplek heeft en dat dat goed gaat. Verdachte wil zijn woonplek graag behouden. Als hij deze kwijtraakt zou hij weer dakloos zijn en kan hij weer van voor af aan beginnen. Verdachte gaf aan zijn leven op orde te willen krijgen en dat hij daarbij hulp nodig heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten, in combinatie met het strafblad van verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat verdachte hulp nodig heeft bij het (verder) op orde brengen van zijn leven en dat het in dat kader noodzakelijk is dat de hulp en begeleiding die verdachte thans krijgt wordt voortgezet. Als verdachte nog een tijd in detentie moet doorbrengen, zal hij zijn woonplek kwijtraken en zullen de problemen alleen maar groter worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat een deel van de straf voorwaardelijk moet worden opgelegd.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken waarvan vijf weken voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar. Gelet op het feit dat verdachte meermalen het winkelverbod van de Albert Heijn heeft overtreden en naar aanleiding van zijn gedrag nu ook een aanzegging heeft gekregen voor een collectief winkelverbod geldend voor alle aangesloten winkels op het winkelcentrum City Plaza, zal de rechtbank aan de voorwaardelijke straf voor de periode dat het winkelverbod is opgelegd een locatieverbod voor het gehele winkelcentrum City Plaza in Nieuwegein als bijzondere voorwaarde verbinden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 138, 180 en 181 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 16/655802-12 feit 1: Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

parketnummer 16/655802-12 feit 2: Het in een besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen;

parketnummer 16/652442-12: Het in een besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 weken, waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tot 13 maart 2013 niet zal bevinden in winkelcentrum City Plaza in Nieuwegein.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip dat de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juni 2012.