Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3111

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
16/601231-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van een overval op een geldtransport tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Verdachte was de bestuurder van de vluchtauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601231-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd te P.I.V. HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis,

raadsman mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met een ander of anderen vijf sealbags met daarin een geldbedrag van 260.000 euro heeft gestolen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld;

Subsidiair: medeplichtig is geweest aan de diefstal van vijf sealbags met daarin een geldbedrag van 260.000 euro, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde, omdat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdediging heeft betoogd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring dient te komen van het subsidiair tenlastegelegde, vanwege de onderschikte rol van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Aangever [aangever 1] heeft namens Brinks Nederland BV aangifte gedaan van een overval op een geldtransport op 19 december 2011 te Amersfoort. Hierbij is een bedrag weggenomen van € 260.000,--.

Aangever [aangever 2] (hierna te noemen: [aangever 2]) heeft verklaard dat hij op 19 december 2011 werkzaam was als geldloper voor Brinks Nederland BV. Omstreeks 13.55 uur was hij samen met zijn collega [geldloper] bij de geldautomaat van de SNS-bank, gevestigd aan de Randwijcklaan 81, op de hoek met de Cabralstraat, te Amersfoort. Op het moment dat hij met de geldkoffer uit de auto stapte, zag hij twee mannen op zich af komen. Eén van de mannen droeg een donkerkleurige jas met een capuchon en hij had zijn gezicht tot aan zijn ogen bedekt met een donkerkleurige sjaal. [aangever 2] wilde weer terug de auto in springen, maar hij werd beetgepakt en uit de auto getrokken. [aangever 2] zag dat één van de mannen een vuurwapen in zijn hand had. De man schreeuwde tegen hem “Op je knieën en geef die plug” en “geef me de plug, geef me de plug, ik schiet je dood”. De man duwde het pistool in de rug van [aangever 2]. [aangever 2] hoorde dat de man riep “maak open, maak open”. Toen de [aangever 2] opkeek zag hij dat de man het pistool op [geldloper] richtte. De twee mannen hebben vijf sealbags met bankbiljetten weggenomen.

Getuige [geldloper] (hierna te noemen: [geldloper]) heeft verklaard dat hij op 19 december 2011 samen met [aangever 2] werkzaam was als geldloper voor Brinks Nederland BV. Zij waren bij de pinautomaat van de SNS-bank aan de Randwijcklaan 81 te Amersfoort. [geldloper] zag dat zijn collega [aangever 2] terug liep naar de auto en de auto in sprong. Hij zag dat [aangever 2] achteruit werd getrokken en zag vervolgens twee gemaskerde personen. Eén van de personen richtte een pistool op [aangever 2]. Er werd veel geschreeuwd. Vervolgens werd er geroepen “maak de koffer open, geef me de stekker, geef me de stekker” en richtte de man het vuurwapen op [geldloper]. De mannen droegen een bivakmuts.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte haar drie weken voor de overval heeft verteld dat ze een grote klapper zou doen. Dit had te maken met een waardetransport,aldus de verklaring van [getuige].

Een telefoongesprek tussen verdachte en haar moeder is opgenomen. Hierin zegt verdachte het volgende: “Laten we zeggen 150 euro per maand. Twee maanden zit ik pas vast hoor. Dat is 300 euro. Nou plus twee keer huur is 1700 euro, is 2000 euro plus eh het geld wat overgemaakt is, laten we zeggen 3000 euro. Dan hoort er toch nog 7000 euro over te zijn?”

Verdachte vertelt in het Huis van Bewaring aan [getuige] dat zij tien ruggen heeft gekregen van iemand.

Verdachte heeft verklaard dat zij op 19 december 2011 de bestuurder is geweest van de vluchtauto van de overval op de SNS-bank in Amersfoort. Zij heeft verklaard dat zij op

15 december 2011 ook bij de SNS-bank is geweest en dat haar medeverdachten haar op dat moment hebben verteld wat zij moest gaan doen. Zij heeft verklaard dat zij wist dat het om een bank en om geld ging en dat zij wist dat zij de vluchtauto moest besturen. Verdachte is tijdens de overval op de afgesproken plek gaan wachten tot haar medeverdachten de vluchtauto in stapten. Hierop is zij weggereden via de route die zij vooraf met haar medeverdachten had afgesproken. Verdachte heeft tevens verklaard dat zij een beloning zou krijgen voor haar aandeel. De hoogte van deze beloning zou afhankelijk zijn van de opbrengst van de overval.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte is opgetreden als bestuurder van de vluchtauto bij de overval. Bij een overval als de onderhavige is het voor de daders van zeer groot belang dat zij snel kunnen vluchten. In dit geval was er sprake van een duidelijke taakverdeling, die voor verdachte inhield dat zij tijdens de overval bleef wachten in de auto totdat haar medeverdachten bij haar in de auto zouden stappen. Op dat moment moest zij zo snel mogelijk naar de snelweg rijden. De route die verdachte zou rijden was vooraf door verdachte en haar medeverdachten bepaald. Verdachte zou bovendien een beloning krijgen voor haar aandeel in de overval.

De rechtbank is van oordeel dat de rol van verdachte niet enkel een ondersteunende rol is geweest, maar dat verdachte een actieve en essentiële functie bij de overval vervulde. Voorts blijkt uit de verklaring van verdachte dat er vóór de overval afspraken waren gemaakt tussen haar en haar medeverdachten. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten en is van oordeel dat verdachte niet als medeplichtige, maar als medepleger dient te worden aangemerkt. Dit brengt met zich dat de in de tenlastelegging vermelde uitvoeringshandelingen tevens aan verdachte zullen worden toegerekend.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om [getuige] als getuige te horen, geen steun vindt in de wet. De rechtbank zal dit verzoek dan ook reeds daarom afwijzen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 19 december 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, op de

openbare wegen de Randwijcklaan en de Cabralstraat, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vijf zogeheten sealbags, inhoudende een geldbedrag van ongeveer 260.000 euro, toebehorende aan Brinks Nederland B.V., welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en [geldloper], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat haar mededaders

- met een sjaal voor het gezicht en met een capuchon en een bivakmuts op het hoofd die [aangever 2] en [geldloper] hebben benaderd, en

- die [aangever 2] hebben vastgepakt, en

- een vuurwapen op die [aangever 2] en die [geldloper] hebben gericht, en

- tegen die [aangever 2] geschreeuwd: "Op je knieën" en "Geef die plug" en "Geef me de plug, geef me de plug, ik schiet je dood" en "Maak de koffer open, geef me de stekker, geef me de stekker", en

- een vuurwapen tegen de rug van die [aangever 2] hebben geduwd, en

- een slaande beweging met een vuurwapen in de richting van die [aangever 2] hebben gemaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met haar mededaders een geldtransport overvallen. De twee geldlopers zijn met een vuurwapen bedreigd en er is een aanzienlijk geldbedrag weggenomen. Dergelijke feiten zorgen voor veel maatschappelijke onrust en veroorzaken gevoelens van onveiligheid. Voor de slachtoffers is dit een bijzonder traumatische ervaring geweest, welke gebeurtenis nog lange tijd voor angstgevoelens kan zorgen. Verdachte heeft hier op geen enkele manier rekening mee gehouden en enkel en alleen gedacht aan haar eigen financieel belang. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte meermalen eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 19 maart 2012, opgesteld door

A. Akollo.

De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, deelname aan een CoVa-training en een leefstijltraining alsmede een behandelverplichting.

De rechtbank overweegt dat de ernst van het feit een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank zal in tegenstelling tot hetgeen de reclassering heeft geadviseerd geen voorwaardelijk strafdeel opleggen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, op grond waarvan verdachte na haar invrijheidstelling aan verschillende voorwaarden kan worden onderworpen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier jaren met aftrek van de duur van het voorarrest. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] en [geldloper] kunnen worden toegewezen.

De benadeelde partijen [aangever 2] en [geldloper] vorderen respectievelijk een schadevergoeding van € 2.000,-- en € 1.700,-- , vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vorderingen zullen worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

Ten aanzien van [aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 2.000,--, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 2.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend van 19 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Ten aanzien van [geldloper]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [geldloper] van € 1.700,--, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [geldloper], € 1.700,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend van 19 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 34 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juli 2012.