Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3039

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
16/655701-12 en 16/173617-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie inbraken. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 74 voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uur. Daarnaast legt de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655701-12 en 16/173617-11 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1979] te [vestigingsplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsvrouw mr. AM.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander een inbraak in een supermarkt heeft gepleegd, dan wel dat verdachte samen met een ander goederen die bij die inbraak zijn gestolen, heeft geheeld;

feit 2: samen met een ander een inbraak in een school heeft gepleegd;

feit 3: samen met een ander heeft geprobeerd in te breken in een school;

feit 4: samen met een ander een inbraak in een bedrijf heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 1 subsidiair en 2 tot en met 4 heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 2 en 3. De raadsvrouw heeft over deze feiten geen opmerkingen gemaakt.

Naar het oordeel van de raadsvrouw kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat er geen technisch onderzoek is verricht waaruit van de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak bij [bedrijf 2] blijkt.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de goederen weliswaar in de woning van verdachte zijn aangetroffen, maar dat verdachte geen beschikkingsmacht over die goederen heeft gehad. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte ten aanzien van dit feit te ontslaan van alle rechtsvervolging nu hem een beroep op absolute dan wel relatieve overmacht toekomt.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van verdachte bepleit voor feit 4. De raadsvrouw heeft er op gewezen dat in het dossier geen proces-verbaal is opgenomen waaruit blijkt waar en op welke wijze het bloed, waarvan later werd vastgesteld door een match in de DNA-databank dat het van verdachte zou zijn, is veiliggesteld. Dat dient er, volgens de raadsvrouw, toe te leiden dat het sporenonderzoek wordt uitgesloten van het bewijs zodat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om verdachte voor dit feit te kunnen veroordelen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met een ander betrokken is bij de primair ten laste gelegde inbraak. De rechtbank overweegt daartoe dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden waaruit de betrokkenheid van verdachte bij voornoemd feit volgt. De rechtbank zal verdachte van dit feit (1 primair) vrijspreken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met een ander de gestolen goederen heeft geheeld.

De broer van verdachte heeft verklaard dat hij de inbraak bij [bedrijf 2] heeft gepleegd. De buitgemaakte goederen heeft hij in de woning van verdachte gezet, die op dat moment in die woning lag te slapen. Toen verdachte wakker werd en merkte dat zijn broer gestolen goederen in zijn woning neerzette, is verdachte boos geworden op zijn broer en hebben zij hierover ruzie gemaakt. Verdachte heeft tegen zijn broer gezegd dat hij de sleutel van zijn woning terug wilde hebben en dat hij de goederen niet in zijn woning wilde. Hierna heeft verdachte zijn woning verlaten. De rechtbank leidt hieruit af dat de goederen zich tegen de wil van verdachte in zijn woning bevonden, dat verdachte dit direct duidelijk kenbaar heeft gemaakt aan zijn broer en zich hiervan heeft willen distantiëren. Dit gegeven, in combinatie met het korte tijdsbestek waarin de goederen zich in de woning van verdachte bevonden, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat geen sprake is van een zodanige feitelijke zeggenschap van verdachte over deze goederen dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze goederen heeft verworven of voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal verdachte van dit feit (1 subsidiair) vrijspreken.

4.3.2 Ten aanzien van feit 2

Op 6 oktober 2011 heeft [A] namens basisschool ‘[naam]’ te [vestigingsplaats]aangifte gedaan van diefstal met braak. De inbraak is tussen 5 oktober 2011 en 6 oktober 2011 gepleegd. Bij de inbraak is een projector (beamer) van het merk Epson, type EMP-X5E weggenomen.

Uit sporenonderzoek aan de ramen aan de achterzijde van de school is gebleken dat één van de kantelramen was geforceerd. De ruit was gebarsten. Op het raamkozijn werden diverse wriksporen gezien die vermoedelijk zijn ontstaan door het wrikken met een breekijzer. Naast één van de wriksporen is bloed gevonden. Dit bloedspoor is veiliggesteld en voorzien van het zegel met nummer AADY8770NL.

Van de inbraak zijn camerabeelden beschikbaar. Op deze beelden is te zien dat twee mannen bij de inbraak in de school zijn betrokken. Gezamenlijk hebben de mannen het raam verbroken, waarna één van hen het gebouw via dat raam is binnengegaan. De tweede man heeft enige tijd later een voorwerp aangepakt dat hem vanuit de school werd aan¬gereikt.

Op 4 mei 2012 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 7 mei 2012 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk AADY8770NL afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft geen redelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in de school.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit (2) heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte voor dit feit veroordelen.

4.3.3 Ten aanzien van feit 3

Op 8 juli 2007 is [getuige] getuige geweest van een poging tot inbraak in basisschool ‘[bedrijf 3]’ te [vestigingsplaats]. [getuige] wandelde met de hond toen hij glasgerinkel hoorde. Hij zag een jongeman bij basisschool [bedrijf 3] bij een ingeslagen ruit staan. De jongeman stond te trekken aan iets dat leek op een computer. Getuige [getuige] heeft naar de jongeman geroepen dat hij moest maken dat hij wegkwam.

Opsporingsambtenaren die hierna ter plaatse zijn gekomen, hebben gezien dat één van de ruiten van de basisschool was ingegooid. Door het open raam hing een zwarte flatscreen. Onder de flatscreen lagen bebloede glasscherven en een bebloede beeldschermhoes. Ook op glasresten in de sponning en op glasresten die binnen werden aangetroffen, is bloed gevonden. De bloedsporen die zijn gevonden in het klaslokaal zijn veiliggesteld en voorzien van de zegelnummers EAA904 en EAA905.

Op 4 mei 2012 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 7 mei 2012 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk EAA904 afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft geen redelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in de school.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit (3) heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte voor dit feit veroordelen.

4.3.4. Ten aanzien van feit 4

Op 15 april 2002 heeft [B] aangifte gedaan van diefstal met braak uit het pand van het bedrijf [bedrijf 4] dat is gevestigd te [vestigingsplaats]. De inbraak is gepleegd op 13 april 2002. Een ruit die grenst aan de kantoorruimte was vernield. Bij de inbraak is een computerkast van het merk High Screen (type Family P 600) weggenomen. Aangever heeft bloed waargenomen aan de binnenzijde van de vernielde ruit.

Op 4 mei 2012 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 7 mei 2012 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk ADU891#01 afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat uit het dossier niet (afdoende) blijkt dat het spoor met kenmerk ADU891#01 ook daadwerkelijk het bloedspoor betreft dat is veiliggesteld na de inbraak in het pand van [bedrijf 4]. Een opsomming van de bij diverse inbraken aangetroffen bloedsporen in het stamproces-verbaal is daartoe, volgens de raadsvrouw, onvoldoende.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 4

Een proces-verbaal van sporenonderzoek waaruit blijkt van de wijze van veiligstellen van het bloedspoor dat bij de inbraak in het pand van [bedrijf 4] is gevonden, maakt geen deel uit van het dossier. Evenmin bevindt zich in het dossier een afzonderlijk schriftelijk stuk waaruit blijkt dat aan het bloedspoor dat is aangetroffen bij deze inbraak het zegelnummer ADU891#01 is toegekend. Dit verzuim wordt naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende gecompenseerd zodat zij daaraan geen consequenties zal verbinden. Uit het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut d.d.7 mei 2012 volgt immers dat het bloedspoor met zegelnummer ADU891#01 hoort bij de zaak met nummer PL0940/02-550067¦004¦001, dat in bedoeld deskundigenverslag wordt genoemd als ‘kenmerk aanvrager’. Het nummer PL0940/02-550067 is het nummer van de aangifte van [B] van 15 april 2002. Het ambtsedig proces-verbaal van relaas van 27 mei 2012 meldt eveneens dat het bloedspoor met zegelnummer ADU891#01 behoort bij de aangifte van [B]. Het lijdt derhalve geen twijfel dat bloedspoor ADU891#01, waarvan is vastgesteld dat het overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte, is veiliggesteld tijdens sporenonderzoek in het pand van [bedrijf 4].

Verdachte heeft geen redelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in het pand van [bedrijf 4].

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit (4) heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte voor dit feit veroordelen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

omstreeks 05 oktober 2011 te [vestigingsplaats] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit basisschool '[naam]" heeft weggenomen een LCD Projector ('beamer') geheel toebehorende aan [naam]

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming, immers door het met enig breekijzer forceren van een kantelraam en het vervolgens via dat raam binnengaan van de school;

3.

op 8 juli 2007 te [vestigingsplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit basisschool '[bedrijf 3]' weg te nemen (computer)beeldscherm of geld of goederen van zijn gading, geheel toebehorende aan voornoemde basisschool en zich daarbij de toegang tot die school te verschaffen en dat weg te nemen beeldscherm en dat geld/goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming als volgt heeft gehandeld: zijnde en hebbende hij, verdachte, met een breekvoorwerp een raam geforceerd en vervolgens via dat raam die school ingegaan, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op 13 april 2002 te [woonplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

uit een bedrijfspand heeft weggenomen een computerkast (High screen family P 600), geheel toebehorende aan Amex Logistics waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, immers heeft hij, verdachte een raam vernield en is vervolgens via dat raam het pand binnengegaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Feit 3: poging tot diefstal met braak, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Feit 4: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van Centrum Maliebaan van 21 juni 2012: een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met het opleggen van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De raadsvrouw verzoekt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 dagen op te leggen met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel waaraan de voorwaarden worden gekoppeld zoals die ook reeds golden tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarnaast zou ook nog een werkstraf kunnen worden opgelegd zodat verdachte iets kan terugdoen voor de maatschappij, maar tegelijkertijd ook een dagbesteding heeft. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat verdachte er zelf voor heeft gekozen om urinecontroles te ondergaan om niet opnieuw te vervallen in middelengebruik.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een twee inbraken en een poging tot inbraak. Aan het plegen van inbraken tilt de rechtbank zwaar. Inbraken veroorzaken niet alleen de materiële schade, maar vaak leiden dit soort feiten ook tot veel ergernis en ongemak. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 31 mei 2012 volgt dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat het in het geval van feit 3 gaat om een ouder feit.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het over verdachte opgemaakte rapport van GGZ Centrum Maliebaan d.d. 21 juni 2012. Uit dit rapport volgt dat er gedurende meerdere jaren sprake is geweest van problematisch gebruik van softdrugs en cocaïne. In het najaar van 2011 is verdachte op vrijwillige basis opgenomen in de Detox. Verdere behandeling is daarna niet op gang gekomen. Sinds verdachte op 4 mei 2012 is geschorst uit zijn voorlopige hechtenis voor deze zaak is een ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek van Centrum Maliebaan van start gegaan. Uit het rapport blijkt dat de behandeling naar behoren verloopt, maar dat het nakomen van behandelafspraken een punt van aandacht blijft. Daarnaast zou sprake zijn van hoge beïnvloedbaarheid. Verdachte functioneert op zwakbegaafd intellectueel niveau en beschikt over onvoldoende copingvaardigheden. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De rapporteur van de reclassering adviseert om die reden om enkele bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, te weten: een meldingsgebod, het deelnemen aan een gedragsinterventie (CoVa+) en een behandelverplichting.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij is gestopt met het gebruiken van drugs sinds hij uit detentie is gekomen. Hij ondergaat urinecontroles en die verlopen goed. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij een familielid helpt met schilderen om bezig te zijn en dat hij op zoek is naar een beschermde werkplek waar hij heftruckwerkzaamheden kan uitvoeren. Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij zich kan vinden in de door de rapporteur van Centrum Maliebaan voorgestelde bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een ruimere bewezenverklaring dan de rechtbank. De rechtbank zal dan ook een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 74 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door reclassering Centrum Maliebaan, zoals geadviseerd in het rapport van 21 juni 2012, mogelijk. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis opleggen.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit een voldoende passende strafrechtelijke reactie op de bewezenverklaarde feiten.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van benadeelde partij [bedrijf 1] (feit 1) geheel en hoofdelijk toe te wijzen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu zij primair vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit ten aanzien van het feit waarvoor de vordering is ingediend.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [bedrijf 1] vordert een schadevergoeding van

€ 2.397,73 voor feit 1. Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier heeft teruggave aan verdachte gevorderd van de inbeslaggenomen goederen (een zwarte jas, schoenen (Nike Air), een blauwe pet, een paarse trui en een zwart trainingspak (Australian).

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting opgemerkt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht op 11 oktober 2011 reeds is toegewezen in een andere zaak.

De rechtbank begrijpt dit standpunt van de officier van justitie aldus dat zij heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, nu de vordering tot tenuitvoerlegging reeds is toegewezen bij vonnis van de meervoudige kamer te Utrecht d.d. 3 mei 2012. Weliswaar is het vonnis in die zaak nog niet onherroepelijk geworden, maar de rechtbank acht het niet opportuun om in een tweetal zaken dezelfde vordering toe te wijzen en zal derhalve de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 63, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

feit 3: poging tot diefstal met braak, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

feit 4: diefstal met braak, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens GGZ Centrum Maliebaan;

* dat verdachte wordt verplicht om zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis te melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan op het adres [adres] te [woonplaats], zo dikwijls als die instelling dat nodig acht;

* dat verdachte wordt verplicht om deelt te nemen aan de Cognitieve Vaardigheidstraining+ (CoVa+);

* dat verdachte wordt verplicht, gezien de directe samenhang tussen het criminele gedrag en de verslavingsproblematiek van verdachte, om een ambulante behandeling te ondergaan bij de Forensische Polikliniek van Centrum Maliebaan;

*dat verdachte wordt verplicht om een klinische (crisis-) opname te ondergaan met een maximumduur van 7 weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en diagnostiek als bedoeld in artikel 14c, tweede lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, indien en voor zover dat door de reclassering van Centrum Maliebaan nodig wordt geacht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 5;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel gevangenhouding met ingang van de datum waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. C.A.M. van Straalen en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juli 2012.