Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3015

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
16/655700-12, 16/263524-11, 16/013861-12 (ter terechtzitting gevoegd) en 16/600211-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zes (bedrijfs-)inbraken, een poging tot inbraak in een school en een diefstal. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/655700-12, 16/263524-11, 16/013861-12 (ter terechtzitting gevoegd) en 16/600211-10 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1974] te [vestigingsplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein,

raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De politierechter heeft de zaken met parketnummers 16/263524-11 en 16/013861-12 overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering op de terechtzitting van 14 juni 2012 naar deze kamer verwezen teneinde gelijktijdig te kunnen worden behandeld met de zaak met parketnummer 16/655700-12.

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 juli 2012. Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd en hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 16/655700-12

feit 1: samen met een ander een inbraak in een supermarkt heeft gepleegd, dan wel dat verdachte samen met een ander goederen die bij die inbraak zijn gestolen, heeft geheeld;

feit 2: heeft geprobeerd in te breken in een school;

feit 3: heeft ingebroken in een school;

feit 4: heeft ingebroken in een ziekenhuis dan wel dat hij goederen die bij die inbraak zijn gestolen, heeft geheeld;

feit 5: heeft ingebroken in een kerk;

parketnummer 16/263524-11

feit 1: heeft ingebroken in de kantine van een sportcomplex;

feit 2: heeft ingebroken in bedrijfsbussen;

feit 3: heeft ingebroken in een bouwkeet en goederen heeft gestolen uit een tractor;

feit 4: heeft ingebroken in een bedrijfspand/ winkel;

parketnummer 16/013861-12

een winkeldiefstal heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12. Volgens de raadsman kan echter niet worden bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de feiten 2, 3 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 op die dagvaarding heeft de raadsman opgemerkt dat deze feiten zeer nauw met elkaar zijn verweven. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het onmogelijk is om binnen het tijdspad waarin deze feiten zouden zijn gepleegd, zoals dat ondermeer volgt uit de camera¬beelden, bij beide scholen aanwezig te zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman voorts aangevoerd dat het signalement zoals dat door getuige [getuige] is opgegeven onvoldoende is om op basis daarvan te concluderen dat verdachte de man is geweest die de getuige bij ‘de [naam]’ heeft gezien. Ook stelt de raadsman dat getuige [getuige] de man in de school evenmin heeft herkend als de persoon die zij even daarvoor heeft gezien bij het hekwerk van de school; zij herkende hooguit de muts en de jas van die man.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman ook opgemerkt dat de herkenning van een man die zou lijken op verdachte op de beelden van de bewakingscamera van het ‘[benadeelde 2]’ onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van feit 3 te kunnen komen. Van de waargenomen Mazda Demio is bovendien geen kenteken genoteerd.

Naar het oordeel van de raadsman kan voor feit 4 op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12 evenmin een veroordeling volgen nu de herkenning van de kabel met het witte uiteinde daarvoor onvoldoende specifiek is.

Ten aanzien van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 16/263524-11 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte een aannemelijke verklaring heeft afgelegd voor de aanwezigheid van zijn bloed op de bijrijderstoel van één van de bedrijfsbussen, zodat hij van dit feit dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van dit feit verzocht om de zaak aan te houden teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen met stukken en verklaringen van getuigen zijn stelling te onderbouwen dat hij voor het bedrijf [bedrijf 4] heeft gewerkt.

Ten slotte heeft de raadsman over feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 16/263527-11 opgemerkt dat de aanwezigheid van verdachte in de bouwkeet niet ook duidt op aanwezigheid van verdachte in de tractor. Het aantreffen van bloed van verdachte in de bouwkeet is daarom onvoldoende om tot een bewezenverklaring van diefstal uit de tractor te kunnen komen.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 5 op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12, het feit op de dagvaarding met parketnummer 16/013861-12 en de feiten 1 en 4 op de dagvaarding met parketnummer 16/263524-11.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Parketnummer 16/655700-12

Vrijspraak feiten 3 en 4

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraken zoals ten laste gelegd onder 3 en 4. De rechtbank overweegt daartoe dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden waaruit de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten voortvloeit. In het bijzonder zijn de herkenning van een persoon die mogelijk past binnen het signalement van verdachte, de omschrijving van de auto (feit 3) en de herkenning van de computerkabel (feit 4) daarvoor onvoldoende specifiek. De rechtbank zal verdachte daarom van deze feiten vrijspreken.

Ten aanzien van feit 1

Op 18 april 2012 heeft [naam] namens Albert Heijn, gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats], aangifte gedaan van diefstal met braak. De inbraak is gepleegd in de periode tussen 17 april 2012 en 18 april 2012. Bij de inbraak zijn scheermesjes, babyluiers, sigaretten, batterijen en medicijnen weggenomen. Sporenonderzoek heeft uitgewezen dat een ruit aan de linker zijgevel van het pand van Albert Heijn op onbekende wijze is vernield.

Kort na de melding van de inbraak in het pand van Albert Heijn is een Mazda Demio ter controle staande gehouden. In die auto is een tas van Albert Heijn gevonden met daarin pakjes sigaretten en scheermesjes. De bestuurder van dit voertuig, [verdachte] (verder: verdachte) is vervolgens aangehouden. Ook de broer van verdachte, die op dat moment als bijrijder in de auto zat, is aangehouden.

In de woning van de broer van verdachte zijn drie grote boodschappentassen gevonden met daarin medicijnen, rookwaren, Pampers en scheermessen. Ook is een oranje plunjezak met rookwaren gevonden.

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heeft ingebroken bij Albert Heijn door met een schroevendraaier een ruit open te wrikken. Hij heeft bekend dat hij sigaretten, scheermesjes en medicijnen heeft meegenomen. Deze goederen heeft hij daarna in de woning van zijn broer neergezet. Volgens verdachte heeft zijn broer niets met de inbraak te maken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij sigaretten, scheermesjes en batterijen heeft meegenomen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij babyluiers heeft gestolen. De aangetroffen luiers zouden door zijn vriendin zijn gekocht. De luiers stonden nog in de auto van verdachte en om die reden zijn de pakken met luiers door verdachte ook in de woning van zijn broer gezet. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [naam] te twijfelen. Nu verdachte steeds heeft verklaard dat hij de inbraak alleen heeft gepleegd en de luiers bovendien zijn aangetroffen in de tassen met de goederen waarvan verdachte heeft verklaard dat hij die goederen bij Albert Heijn heeft gestolen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte over de aankoop van de luiers niet aannemelijk. De rechtbank acht derhalve bewezen dat alle in de tenlastelegging genoemde goederen door verdachte zijn weggenomen.

Vrijspraak van medeplegen

Niet is gebleken van de betrokkenheid van een ander dan verdachte bij deze inbraak. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

Op 29 februari 2012 heeft [D] aangifte gedaan van diefstal met braak namens Openbare Scholengemeenschap ‘de [naam]’ te [vestigingsplaats]. Een ruit van het muzieklokaal was ingeslagen. Het muzieklokaal bevindt zich in een bijgebouw dat is gelegen aan de [adres]. In het muzieklokaal zijn kasten en de lades van een bureau doorzocht, maar er is niets weggenomen.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij een man en een hond heeft gezien toen zij op 12 februari 2012 op de [adres] in [vestigingsplaats] wandelde. De man droeg een donkere jas en een gebreid mutsje. De hond, die door de getuige wordt omschreven als een soort herder, kwam haar vanuit het bosgebied op de hoek van de [adres] met de Hugo de Grootlaan tegemoet. De man zat op zijn hurken bij het hekwerk in de directe nabijheid van het muzieklokaal van de ‘[naam]’. Getuige [getuige] heeft een rondje om de school gewandeld. Toen zij weer terugkeerde op de Hugo de Grootlaan zag zij dat dezelfde man in een auto met kenteken 67-HP-XH stapte. Getuige heeft later de bewakingsbeelden van de inbraak in het muzieklokaal bekeken. Op die beelden zag zij een man in het muzieklokaal die een soortgelijke donkere jas en gebreide muts droeg als de persoon die zij in de auto zag stappen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een Mechelse Herder heeft. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij in het bezit is van een Mazda Demio met kenteken 67-HP-XH die alleen door hem en zijn vriendin wordt gebruikt.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Niet aannemelijk is geworden dat de inbraak in de school is gepleegd door een ander dan de persoon die door getuige [getuige] bij het hekwerk van de school is gezien. De persoon die de getuige bij het hekwerk is gezien, is in een auto gestapt waarvan verdachte heeft verklaard dat die alleen door hem en zijn vriendin wordt gebruikt. Deze persoon was bovendien in het gezelschap van een hond die is omschreven als ‘een soort herder’. Verdachte heeft meermalen verklaard dat hij een Mechelse Herder heeft. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon is geweest die door getuige [getuige] bij het hekwerk van de school is gezien en die vervolgens de inbraak in het muzieklokaal heeft gepleegd.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit (2) heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- de aangifte van diefstal met braak van [A] namens [benadeelde 3];

- het proces-verbaal van sporenonderzoek inhoudende de wijze van binnengaan in het kerkgebouw en het veiligstellen van dactyloscopische sporen;

- het proces-verbaal inhoudende de uitslag van het dactyloscopisch onderzoek.

4.3.2 Parketnummer 16/263524-11

Ten aanzien van feit 1

In de periode tussen 22 maart 2008 en 24 maart 2008 is er ingebroken in de kantine van sportvereniging V.O.P. gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats]. Een ruit aan de voorzijde van de kantine is vernield, evenals een ruit tussen de kleedruimten en de kantine. Bij de inbraak is de gehele voorraad sterke drank, bestaand uit vijf stuks Vieux, vijf stuks Bacardi, twee stuks Apfelcorn, twee stuks rode wodka en 12 stuks Red Bull weggenomen. Daarnaast zijn drie kleedjes met Heineken-opdruk weggenomen.

Uit sporenonderzoek is gebleken dat de ruiten van de kantine zijn ingegooid met betonklinkers en trottoirtegels. Op de rand van een kassalade die is gevonden in de bestuurskamer van de kantine zijn bloedspatjes gevonden. Dit bloedspoor is veiliggesteld en voorzien van het zegel met nummer FGA245.

Op 8 oktober 2010 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 18 oktober 2010 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk FGA245#01 afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in de sportkantine.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dit feit (1) wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Op 11 augustus 2008 heeft [B] aangifte gedaan van inbraak in drie witte bedrijfsbussen van het merk Volkswagen, type Crafter die op dat moment in gebruik waren bij het bedrijf [bedrijf 4] dat is gevestigd te [vestigingsplaats]. [bedrijf 4] heeft deze bussen geleased van [slachtoffer] en Leasemaatschappij ARL B.V. De inbraak is gepleegd in de periode tussen 9 augustus 2008 en 11 augustus 2008. Bij al deze bussen is het linkerportierraam ingeslagen. Uit twee van de bussen zijn de autoradio’s van het merk Kenwood weggenomen. Uit alle bussen waren tankpassen van Total en Shell weg¬genomen. Op de bestuurdersstoelen van één van de bussen is bloed gevonden. Dit bloedspoor is veiliggesteld en voorzien van het zegel met nummer AAAL6440NL.

Op 8 oktober 2010 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 18 oktober 2010 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk AAAL6440NL#01 afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft op 9 december 2010 bij de politie verklaard dat hij zich de inbraak in de bedrijfsbussen niet kan herinneren. Verdachte heeft voorts verklaard dat het aantreffen van zijn bloed in één van die bussen duidt op zijn aanwezigheid in die bus.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij werkzaam is geweest voor het bedrijf [bedrijf 4]. Hij bestuurderde als koerier één van de bussen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op een dag zijn handen en ellebogen heeft verwond bij een val. Desondanks heeft hij die avond gewerkt waardoor zijn bloed op de stoel van één van de bussen terecht is gekomen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De verklaring van verdachte voor de aanwezigheid van zijn bloed in één van de bussen is niet aannemelijk geworden. Ook indien er –veronderstellenderwijs- vanuit wordt gegaan dat verdachte in dienst was bij [bedrijf 4], is daarmee het aantreffen van zijn bloed in één van de bussen niet verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek van de raadsman om aan te tonen dat verdachte werkzaam was bij [bedrijf 4] in een dienstverband wordt afgewezen nu de rechtbank hiervan reeds veronderstellenderwijs uitgaat. Voor zover de raadsman tevens heeft bedoeld om de oorzaak van de aanwezigheid van bloedsporen in de betreffende bus te verklaren, wordt dit verzoek als onvoldoende concreet onderbouwd afgewezen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit (2) heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 3

Op 10 oktober 2008 heeft G.W. van den Broek aangifte gedaan van inbraak in een bouwkeet van het bedrijf Eemfors B.V. De diefstal is gepleegd tussen 9 oktober 2008 en 10 oktober 2008. De bouwkeet stond op een bedrijventerrein gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Door een gat in het hekwerk rondom het bedrijventerrein te knippen, kon de bouwkeet worden bereikt. Vervolgens is met een baksteen de ruit van de bouwkeet ingegooid. Uit de bouwkeet zijn een printer van het merk HP (type HPJ537), een telefoon (Nokia 2630) en een simkaart (T-mobile) weggenomen. Uit een tractor van het bedrijf [benadeelde 1] die op hetzelfde bedrijventerrein stond geparkeerd, is een achteruitrijcamera met een voedingsunit (beide van het type CA561303) weggenomen.

Op een ladekast in de bouwkeet zijn bloeddruppels gevonden. Deze zijn veiliggesteld en voorzien van het zegel met nummer AAAW6171NL.

Op 8 oktober 2010 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 18 oktober 2010 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk AAAW6170NL#01 afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in de bouwkeet.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat de aanwezigheid van verdachte in de bouwkeet niet ook zijn aanwezigheid in de tractor impliceert.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat de tractor zich in de directe nabijheid van de bouwkeet op het bedrijventerrein bevond. Uit het dossier is niet gebleken van de aanwezigheid van iemand anders op het bedrijventerrein in de ten laste gelegde periode. Uit het dossier is voorts niet gebleken dat de diefstal uit de tractor op een ander moment zou

zijn gepleegd dan de inbraak in de bouwkeet. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel de inbraak in de bouwkeet als de diefstal uit de tractor heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 4

Op 10 juli 2009 is een inbraak gepleegd in het winkelpand van [bedrijf 5], gelegen aan de [adres] in Ede. Eén van de ramen van het pand is vernield. Bij de inbraak is een beeldscherm van het merk Dell, type 170-2FP weggenomen.

De ruit aan de buitenzijde van het pand is ingegooid met een straatsteen. De raambomen aan de binnenzijde van dit raam konden via het ontstane gat worden geopend. Op binnenzijde van de verbroken ruit is bloed aangetroffen. Dit bloedspoor is veiliggesteld en voorzien van zegelnummer AABK0245NL.

Op 8 oktober 2010 is het DNA-profiel van verdachte opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken. Op 18 oktober 2010 is vastgesteld dat het DNA in het sporenmateriaal met kenmerk AAB0245NL#01 afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte dat is opgenomen in de DNA-databank is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed in het winkelpand.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dit feit (4) wettig en overtuigend bewezen.

4.3.3 Parketnummer 16/013861-12

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- de aangifte van [C] namens [bedrijf 6] te [vestigingsplaats] gedateerd 19 januari 2012.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

parketnummer 16/655700-12

1.

Primair

omstreeks 18 april 2012 te Hoogland met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid scheermesjes en sigaretten en babyluiers en medicijnen en batterijen geheel toebehorende aan Albert Heijn, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van een ruit van voornoemd pand;

2.

op 12 februari 2012 te [vestigingsplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pand te weten: een school "de [naam]” weg te nemen geld of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan die school en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en die/dat weg te nemen geld of goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door braak en inklimming, immers heeft verdachte een raam van dat pand vernield en vervolgens via dat raam dat pand ingeklommen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

omstreeks 24 maart 2012 te Leusden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pand te weten: de kerk van de [benadeelde 3] heeft weggenomen geld geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde 3] waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, immers heeft hij, verdachte een raam van dat pand vernield en geforceerd en vervolgens via dat raam dat pand ingegaan;

parketnummer 16/263524-11

1.

omstreeks de periode van 22 maart 2008 tot en met 24 maart 2008 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kantine van een sportcomplex gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid drank (bestaande uit vijf stuks vieux en vijf stuks bacardi en twee stuks apfelcorn en twee stuks rode wodka en twaalf stuks red bull) en drie stoffen kleedjes met opdruk Heineken geheel toebehorende aan sportvereniging V.O.P. waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door twee ruiten van voornoemde kantine in te gooien;

2.

omstreeks de periode van 9 augustus 2008 tot en met 11 augustus 2008 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit drie bedrijfsbussen (merk Volkswagen, type Crafter, kleur wit) heeft weggenomen twee autoradio's (merk Kenwood) en drie tankpassen van de Total en de Shell geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en [bedrijf 1] of [B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door telkens het linkerportierraam van die bedrijfsbussen in te slaan;

3.

omstreeks 9 oktober 2008 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bouwkeet gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een printer (merk HP, type J537) en een telefoon (merk Nokia, type 2630) en een simkaart (merk T Mobile) geheel toebehorende aan [bedrijf 2] waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door een ruit van die bouwkeet in te gooien

en

omstreeks 9 oktober 2008 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tractor gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een filmcamera (type CA561303) en een voedingsunit voor een achteruitrijcamera (type CA561303) geheel toebehorende aan [benadeelde 1];

4.

op 11 juli 2009 te Ede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een computerbeeldscherm (merk Dell, type 170-2fp) geheel toebehorende aan [bedrijf 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door een ruit van voornoemde winkel in te gooien;

parketnummer 16/013861-12

op 19 januari 2012 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen flessen eau de toilette en bodywash toebehorende aan [bedrijf 6] of Ici Paris.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Parketnummer 16/655700-12

Feit 1 primair: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 2: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Feit 5: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Parketnummer 16/263524-11

Feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en diefstal.

Feit 4: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Parketnummer 16/013861-12

Diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman verzoekt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast zou een voorwaardelijk straf kunnen worden opgelegd.

De vriendin van verdachte heeft naast de zorg voor hun kind ook een baan. Bovendien ondervindt zij problemen met haar gezondheid. Het is van belang dat er hulp komt, bijvoorbeeld in de vorm van schuldsanering, voor het gezin van verdachte. Een aantal van de onderhavige feiten zijn voortgekomen uit een situatie waarin het water verdachte aan de lippen stond en hij geen andere uitweg zag. Indien aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, raakt zijn gezin nog verder in de problemen.

Verdachte is gemotiveerd om een opleiding te volgen of om aan het werk te gaan. Verdachte heeft diverse banen gehad. Daarnaast is verdachte bereid om de voorwaarden die door de reclassering in het rapport van 10 juli 2012 worden geadviseerd na te komen. Naar het oordeel van de raadsman is behandeling of begeleiding door de reclassering noodzakelijk. De eis van de officier van justitie doet geen recht aan de situatie waarin verdachte en zijn gezin zich bevinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zes (bedrijfs-)inbraken, een poging tot inbraak in een school en een diefstal. Niet alleen werden goederen meegenomen, maar vaak is daarbij ook schade veroorzaakt. Dit soort feiten leidt tot veel ergernis en ongemak.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 juli 2012 van verdachte blijkt dat hij reeds eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Eerdere hulpverleningstrajecten hebben niet het beoogde effect gehad. Verdachte heeft derhalve al vele kansen gehad om zijn gedrag en handelwijze aan te passen. De rechtbank zal daarom niet nogmaals over gaan tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf.

De onderhavige delicten rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een ruimere bewezenverklaring dan de rechtbank. Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit een voldoende passende strafrechtelijke reactie op de bewezenverklaarde feiten.

7 De benadeelde partijen – parketnummer 16/655700-12

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering die namens Albert Heijn door [bedrijf 3] is ingediend geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van het [benadeelde 2] heeft de officier van justitie gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 650,00 gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd om de vordering van de [benadeelde 3] niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de vordering van benadeelde partij [bedrijf 3] voor toewijzing in aanmerking komt. Voorts is de raadsman van mening dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de raadsman vrijspraak van verdachte voor dat feit heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van deze vordering verzocht om de hoogte van het bedrag dat zal worden toegewezen in het geval van een veroordeling te matigen.

Over de vordering van de [benadeelde 3] heeft de raadsman opgemerkt dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd zodat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [bedrijf 3] vordert een schadevergoeding van

€ 2397,73 voor feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 800,00 voor feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 4.000,00 voor feit 5 op de dagvaarding met parketnummer 16/655700-12.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot (in ieder geval) een bedrag van € 1.000,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

De overige schade is naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks toegebracht door het bewezenverklaarde feit en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot dat deel van vordering dat is toegekend zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De benadeelde partij – parketnummer 16/263514-11

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet ontvankelijk te verklaren.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Op het voegingsformulier dat is ingezonden door benadeelde partij [benadeelde 1] is geen schadebedrag ingevuld en wordt daarom door de rechtbank niet beschouwd als een vordering ten aanzien waarvan ingevolge artikel 361, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering een beslissing dient te worden genomen.

9 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, te weten: een witte pet (Nike), een blauwe broek, een paar witte schoenen (Nike) en een grijs/ paars kabelvest.

10 De vordering tot tenuitvoerlegging

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht van 12 mei 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er diverse redenen zijn voor het mislukken van de opgelegde covatraining. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de nijpende situatie binnen het gezin van verdachte. De aanwezigheid van verdachte is vereist om deze omstandigheden het hoofd te kunnen bieden. De strafbare feiten waarvan verdachte thans wordt verdacht in de zaak met parketnummer 16/655700-12 zijn mede het gevolg van deze nijpende situatie.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Daarnaast heeft verdachte ook de bijzondere voorwaarden overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

11 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 24c, 36f, 45, 57, 63, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 16/655700-12;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 16/655700-12

feit 1 primair: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

feit 5: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

parketnummer 16/263524-11

feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en diefstal;

feit 4:diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

parketnummer 16/013861-12

diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 4;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 12 mei 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600211-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 3] van € 2.397,73 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 4], € 2.397,73 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 33 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 1.000,- ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], € 1.000,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. C.A.M. van Straalen en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juli 2012.