Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2963

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-04-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
16/711069-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak roof en wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711069-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. P. Doorakkers, advocaat te Dongen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

op 19 mei 2011 te Amersfoort samen met anderen een auto, een ketting, een horloge, een geldbedrag en mobiele telefoons heeft gestolen onder bedreiging met geweld, dan wel onder bedreiging met geweld het slachtoffer heeft gedwongen tot afgifte hiervan;

Feit 2

op 19 juli 2011 te Tilburg samen met anderen een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een diefstal in vereniging heeft gepleegd en samen met anderen het wapen voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich op het volgende. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn staande gehouden terwijl zij in de gestolen Volvo zaten. Er is een 100% herkenning door verbalisanten. Er zijn verklaringen afgelegd door verdachte en aangever die qua achtergrond en context wisselend zijn. Echter, de verklaringen komen op de essentiële punten wel overeen, namelijk dat een beroving heeft plaatsgevonden. Uit de telefoniegegevens blijkt ook dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op de plek van de beroving waren en dat er contact is geweest met aangever. Daarbij merkt de officier van justitie op dat in het proces-verbaal is gerelateerd waarom er vanuit wordt gegaan dat het telefoonnummer eindigend op 5230 bij medeverdachte [medeverdachte 1] in gebruik was. Vast staat dat een auto en andere goederen zijn weggenomen. Over de precieze gang van zaken is twijfel. Alles bij elkaar genomen, acht de officier van justitie de diefstal in vereniging bewezen, maar verzoekt zij de rechtbank verdachte vrij te spreken van het gebruik van geweld.

Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op het volgende. Verdachte zat samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in de Volvo. Verdachte zat op de achterbank en de medeverdachte op de bijrijderstoel. Het vuurwapen is aangetroffen achter de bijrijderstoel. Verdacht heeft verklaard dat het wapen op de middenconsole lag en naar achteren werd doorgegeven. Verdachte heeft het wapen aangepakt en op dat moment had hij het voorhanden. Het ging om een wapen van ongeveer 12 cm. Het criterium voor veroordeling is dat men zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van een wapen (LJN BQ 3804, 14 juli 2011). De officier van justitie is van mening dat alle vier inzittenden van de Volvo het vuurwapen voorhanden hebben gehad.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte op geen enkel moment voorafgaand aan de uitvoering weet gehad van wat er die avond ging gebeuren. Hij betwist daarnaast uitdrukkelijk zelf te hebben deelgenomen aan het strafbare feit en dient daarom vrijgesproken te worden. Er is geen enkel bewijs dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich de goederen van aangever wederrechtelijk toe te eigenen dan wel dat hij het oogmerk heeft gehad zich wederrechtelijk te bevoordelen. Subsidiair doet de verdediging een beroep op psychische overmacht en verzoekt de rechtbank verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Verdachte stelt ten tijde van het strafbare feit onder enorme druk van medeverdachte [medeverdachte 1] te hebben gestaan.

Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat het bestanddeel “voorhanden hebben” niet kan worden bewezen. Het wapen was aanwezig in de auto waarin verdachte zat, maar verdachte was zich niet bewust van het feit dat het wapen in de auto aanwezig was tot het moment dat de politie hen staande hield. Tevens was er geen sprake van een machtsrelatie tussen verdachte en het wapen. Verdachte wist pas voor het eerst van de aanwezigheid van de shotgun toen de politie hen staande hield en heeft het wapen direct van zich afgeduwd in de richting van zijn medepassagier. De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte ook van dit feit vrij te spreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht zowel feit 1 als feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte dan ook van beide feiten vrijspreken.

Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank van oordeel dat aangever meerdere keren is gehoord en telkens anders heeft verklaard. Derhalve worden die verklaringen onbetrouwbaar geacht. Er is, naast het feit dat verdachte heeft verklaard daar aanwezig te zijn geweest, geen ander bewijs dat kan leiden tot een bewezenverklaring van een diefstal in vereniging vergezeld van geweld.

Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich, voorafgaande aan de staandehouding door de politie, in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto, mede gelet op het tijdstip (schemering) en de korte tijdsduur dat verdachte in de auto heeft gezeten. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij het vuurwapen pas zag op het moment dat de auto een stopteken kreeg van de politie en het vuurwapen naar achteren werd gegooid. Dat verdachte het vuurwapen op dat moment in handen heeft gehad, is onvoldoende voor het “voorhanden hebben” van een vuurwapen.

5 De overwegingen omtrent het beslag.

5.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet:

- 10 stuks munitie Sellier & Bellot .22;

- onderdelen van een vuurwapen;

- een onderhoudsset;

- een zwarte BBM doos met vuurwapen onderdelen;

- 11 stuks munitie Mirage hagelpatronen;

- 6 stuks munitie Kettner hagelpatronen;

- 1 rood doosje voor onderdelen voor wapens

5.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen:

- een zwarte Nokia E71 telefoon;

- een blauwe broek;

- een polo shirt met groene, witte en blauwe strepen van het merk Gino Santi;

- witte La Coste schoenen;

- een witte sok;

- wit ondergoed.

6 De toepasselijke wetsartikelen.

De opgelegde maatregel berust op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd: 1 t/m 7;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 8 t/m 13;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2012.

Mr. Y.A.T. Kruijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.