Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2957

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
16/655293-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met straatroof. Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655293-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1968] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd: P.I. Nieuwegein, HvB Nieuwegein te Nieuwegein

raadsman mr. E.J. de Groot, advocaat te Baarn

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 26 maart 2012, 26 juni 2012 en 3 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op

5 januari 2012 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan straatroof (primair) respectievelijk een poging tot straatroof (subsidiair).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de verklaring van verdachte, dat hij tegen aangeefster is opgebotst, dat hij aangeefster vastpakte om haar overeind te helpen en dat hij niets heeft weggenomen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte zich aan diefstal met geweldpleging schuldig heeft gemaakt. De rechtbank acht hiertoe de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Op 5 januari 2012 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op 5 januari 2012, omstreeks 20:24 uur, over de Minrebroederstraat te Utrecht liep, dat zij ineens voelde dat met kracht een hand over haar mond en haar neus werd geplaatst en dat ook direct een tweede hand met kracht tegen haar achterhoofd werd geplaatst en dat deze hand haar hoofd naar beneden drukte. Direct hierna hoorde aangeefster een mannenstem op een agressieve toon zeggen: “Geef je geld! Meewerken.”

Aangeefster voelde dat de man (hierna: verdachte) met kracht aan haar haren trok, dat verdachte beide knieën om en om en met kracht tegen haar buik plaatste en dat zij hierdoor meerdere malen een stekende pijn in haar buik voelde. Aangeefster voelde vervolgens dat verdachte haar arm met één van zijn handen vasthield en met zijn andere hand haar tas. Verdachte trok met kracht aan haar arm en haar tas. Daardoor kwam aangeefster met haar gezicht met kracht tegen de muur en voelde zij op dat moment een stekende pijn in haar gezicht. Tussendoor voelde en zag aangeefster dat verdachte haar met kracht en met gebalde vuisten meerdere malen in haar gezicht sloeg. Hierdoor voelde aangeefster meerdere malen een stekende pijn in haar gezicht. Aangeefster is vervolgens om hulp gaan schreeuwen.

Aangeefster hield zich aan een regenpijp vast en zag dat verdachte het buitenste vak van haar tas open ritste en haar portemonnee uit de tas pakte. Vervolgens zag aangeefster dat er diverse mensen naar haar toe renden, dat verdachte haar losliet en wegrende en dat verdachte halverwege de straat haar portemonnee op de grond gooide.

Aangeefster zag dat verdachte door een lange man met een zwarte jas werd beetgepakt, dat deze man met zwarte jas verdachte naar haar toetrok en aan haar vroeg: “Is dit de dader?”. Aangeefster herkende verdachte meteen. Aangeefster zag een omstander naar haar toe komen met haar portemonnee, dat het knoopje van haar portemonnee was vernield en dat zij € 40,- miste.

Uit de geneeskundige verklaring van 6 januari 2012 blijkt dat aangeefster diverse schaafwonden in haar gezicht heeft, alsmede kneuzingen in de buikwand en de nekspieren.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 5 januari 2012 op de Korte Minrebroederstraat fietste, dat hij hard gegil hoorde, dat hij een man en een meisje half op de grond zag liggen, dat er een worsteling aan de gang was, dat de man ineens wegrende, dat getuige achter de man aanfietste en dat de man op de Telingstraat door een andere man werd beetgepakt. Toen zij weer bij het meisje aankwamen hoorde getuige de andere man aan het meisje vragen: “Was dit hem?”, waarna getuige het meisje hoorde zeggen: “Ja, dat is hem.” De politieagenten hebben de man die eerder bovenop het meisje lag in de gearriveerde politiebus gestopt.

Op 5 januari 2012 te 20.30 is in de Minrebroederstraat te Utrecht [verdachte] aangehouden.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 5 januari 2012 een omstander op een fiets achter een man aan zag gaan, dat die omstander de man wilde staande houden maar dat dit niet lukte. Getuige heeft vervolgens de man aan zijn kleren vastgepakt en heeft tegen die man gezegd dat hij mee moest lopen. Getuige wilde teruglopen naar de gillende dame om te kijken of de vastgepakte man degene was die haar iets had aangedaan. Getuige hoorde de vastgepakte man zeggen dat hij alleen wat buskaarten had gepakt. De vastgepakte man liet enkele papieren zien die hij in zijn hand vasthield. Getuige heeft de vastgepakte man naar het meisje gebracht en heeft haar gevraagd of hij haar wat had aangedaan. Getuige hoorde van haar dat dit inderdaad het geval was.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 5 januari 2012 op de Schoutenstraat te Utrecht fietste, dat zij een meisje hoorde gillen, dat zij enkele meters van de hoek van de Telingstraat een Marokkaans meisje zag, dat zij een man met een lichtbruine huiskleur zag, ongeveer 1 à 2 meter van het meisje vandaan, dat de man een grote beige portemonnee in zijn handen had, dat de man in ieder vakje van die portemonnee keek en telkens wat uit een vakje haalde en op straat gooide. Op een gegeven zag getuige dat de man hard wegrende.

Enige minuten later zag getuige een man met de dader de straat inlopen. Getuige herkende de dader meteen. Getuige hoorde het Marokkaanse meisje zeggen: “Hij was het.”

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op 5 januari 2012 omstreeks 20:30 uur over de Minrebroederstraat te Utrecht liep, dat zij aan de overzijde van de straat een meisje en een jongen zag stoeien, dat zij direct begreep dat het niet in orde was en dat zij het meisje om hulp hoorde roepen. Getuige zag dat de jongen het meisje van achteren vasthield, dat beiden aan een tas trokken, dat de jongen op enig moment de tas losliet en hard wegrende. Getuige rende achter de jongen aan. Kort voordat zij stopte met rennen, zag getuige dat de jongen een lichtkleurige portemonnee achter zich weggooide. Getuige heeft deze portemonnee opgeraapt en zag dat de inhoud uit de portemonnee op straat lag. Getuige heeft de inhoud van de portemonnee opgeraapt. Getuige heeft verklaard dat daar geen geld bij zat.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 5 januari 2012 tegen aangeefster opbotste, dat hij haar wegduwde en dat toen haar portemonnee op de grond viel. Verdachte heeft vervolgens de portemonnee opgepakt en daar buskaarten en papiergeld uit gehaald.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 5 januari 2012 te Utrecht, op de openbare weg de Minrebroederstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- zijn hand over de mond van die [slachtoffer] heeft geplaatst en/of gehouden

en

- zijn (andere) hand op het achterhoofd van die [slachtoffer] heeft geplaatst

en gehouden en haar hoofd (met kracht) naar beneden heeft gedrukt

en

- die [slachtoffer] aan haar haar heeft getrokken

en

- op (agressieve toon) die [slachtoffer] de volgende woorden heeft toegevoegd:

"Geef je geld! Meewerken!"

en

- (met kracht) meer (zogenaamde) knietjes (tegen de buik van) die [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft gegeven

en

- (met kracht) aan een arm en de tas van die [slachtoffer] heeft getrokken

(waardoor het gezicht van die [slachtoffer] (met kracht) tegen een muur aan is

gekomen)

en

- die [slachtoffer] tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek en met een proeftijd van 3 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en zich over de strafoplegging niet uitgelaten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, en het uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 mei 2012, alsmede met de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof op de wijze zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven. Dat is een ernstig strafbaar feit dat de rechtbank verdachte zwaar aanrekent. Het is bekend dat slachtoffers dergelijke gebeurtenissen als traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Dat is ook voor [slachtoffer] het geval, zoals blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring van 23 februari 2012.

Aan het opstellen van een reclasseringsadvies en een Pro Justitia rapport door een psychiater heeft verdachte niet mee willen werken.

Voor wat betreft de justitiële documentatie van verdachte, stelt de rechtbank vast dat deze weliswaar omvangrijk is, maar dat het voorlaatste op deze documentatie vermelde delict is gepleegd in 2008.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 3 maanden voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om een proeftijd van 3 jaar te bepalen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 290,46 aan materiële schade en € 550,- aan immateriële schade (totaal € 840,46).

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 755,46 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 205,46 ter zake van materiële schade en € 550,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte daarvoor aansprakelijk.

Daarbij overweegt de rechtbank dat aannemelijk is dat de factuurspecificatie van Agis zorgverzekeringen van 15 januari 2012, mede gelet op de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting, ziet op het bezoek op 6 januari 2012 van de benadeelde partij aan de huisarts en de aldaar verstrekte medicatie.

Het gevorderde acht zij tot het bedrag van € 755,46 aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag, met de gevorderde rente, toewijzen.

Voor het overige, te weten een bedrag van € 85,-, acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat die gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit.

In dat verband overweegt de rechtbank dat sprake is van een offerte d.d. 29 februari 2012 voor reparatie van een mobiele telefoon, die ver na de datum van het delict ligt, die niet op naam van benadeelde partij staat en die rept over het vastlopen en over een SW (de rechtbank begrijpt: software) -update van de betreffende telefoon.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 755,46 waarvan € 200,46 ter zake van materiële schade en € 550,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 755,46 vermeerderd met de wettelijke rente te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. M.J. Grapperhaus, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 juli 2012.