Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2908

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
SBR 12/348-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOB. Rijksrechercheonderzoek DSB medialek, samenvatting, geluidsopnamen.

Wetsartikelen: artikel 7, 10 en 11 Wob en artikel 1 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob

Samenvatting:

RTL Nederland heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op het Rijksrechercheonderzoek naar het mogelijk lekken naar de media van de aanstaande noodregeling die De Nederlandsche Bank had aangevraagd voor de Dirk Scheringa Bank in oktober 2009. Verweerder heeft voor een deel van de documenten onvoldoende gemotiveerd dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, e en g en artikel 11, eerste lid, van de Wob zich verzetten tegen openbaarmaking. De rechtbank doet een tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/348-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2012 in de zaak tussen

RTL Nederland, te Hilversum, eiser

(gemachtigde: R.J.E. Vleugels),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van der Vegt en mr. A. Dingemanse).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een deel van de door eiser met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzochte documenten over het Rijksrechercheonderzoek naar het uitlekken van de aanvraag door De Nederlandsche Bank (DNB) van de zogeheten noodregeling voor de Dirk Scheringa Bank (DSB), te verstrekken.

Bij besluit van 20 december 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij een aantal (nieuwe) documenten alsnog gedeeltelijk verstrekt en een deel daarvan volledig geweigerd te verstrekken.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank te Alkmaar. De rechtbank te Alkmaar heeft het beroep doorgestuurd naar de bevoegde rechtbank te Amsterdam. Deze rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank te Utrecht. Eiser heeft tweemaal de beroepsgronden aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een nader verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Aan het einde van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een aanvullend besluit te nemen over een document (geluidsopnamen) dat eerder niet in de beoordeling was betrokken. Verweerder heeft hierover een aanvullend besluit bij brief van 13 april 2012 aan de rechtbank toegezonden. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 8 mei 2012.

Overwegingen

1. Op zondag 11 oktober 2009 werd door DNB een noodregeling aangevraagd voor de DSB bij de rechtbank te Amsterdam. Hierover verschenen op maandag 12 oktober 2009 berichten in de Volkskrant (internet) en het Financieele Dagblad. Op 15 oktober 2009 kondigde de minister van Financiën aan dat er een Rijksrechercheonderzoek zou worden verricht naar eventueel lekken naar de media over de aanvraag van de noodregeling (oriënterend feitenonderzoek). Op 24 november 2009 heeft de Rijksrecherche een rapport uitgebracht. Eiser heeft op 3 februari 2010 verzocht om openbaarmaking van geanonimiseerde afschriften van alle processen-verbaal van de Rijksrecherche in het oriënterend feitenonderzoek en om openbaarmaking van geanonimiseerde afschriften van alle onderliggende documenten van het oriënterend feitenonderzoek.

2. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft verweerder besloten tot geanonimiseerde openbaarmaking van het Rijksrechercherapport van 24 november 2009. Bij aanvullend besluit van 1 april 2010 heeft verweerder besloten tot weigering van openbaarmaking van de onderliggende stukken van het oriënterend feitenonderzoek van de Rijksrecherche (zijnde de bijlagen bij het rapport, met name processen-verbaal van verhoor van getuigen), voor zover deze niet reeds openbaar zijn gemaakt. Tegen het besluit van 1 april 2010 heeft eiser op 6 april 2010 bezwaar gemaakt. Op 4 juni 2010 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit van 20 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. Deze procedure is bij partijen bekend onder de naam [naam]

3. Omdat tijdens de hiervoor onder 2 genoemde hoorzitting van 4 juni 2010 werd geconstateerd dat verweerder eisers aanvankelijke verzoek om openbaarmaking te beperkt had opgevat, heeft verweerder op 5 augustus 2010 het in deze procedure aan de orde zijnde primaire besluit genomen over twaalf andere onderliggende stukken (hierna: documenten 1 tot en met 12). Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt, waarmee nog eens aan het licht kwam dat het verzoek zag op meer stukken. Bij het in deze procedure bestreden besluit van 20 december 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en alsnog beslist over 44 nieuwe documenten (hierna: documenten 13 tot en met 56). Deze procedure is bekend geworden onder de naam [naam].

4. Verweerder heeft er dus voor gekozen om een procedurele afsplitsing te maken voor de documenten 1 tot en met 56 en heeft dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk kenbaar gemaakt aan eiser. De rechtbank verwijst hiervoor naar de brief van verweerder aan eiser van 24 juni 2010. Het besluit van 20 augustus 2010 over het Rijksrechercherapport met bijlagen valt dan ook buiten het bestek van de nu aan de orde zijnde procedure. Het komt voor rekening van eiser dat hij tegen het besluit op bezwaar van 20 augustus 2010 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Weliswaar hangen beide procedures inhoudelijk nauw met elkaar samen, maar naar het oordeel van de rechtbank had eiser kunnen en moeten begrijpen dat door verweerder een scheiding was gemaakt. Ook de Awb biedt geen steun voor het ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat in deze procedure alle voorgaande beslissingen ter discussie kunnen staan. Het primaire besluit van 5 augustus 2010 en het bestreden besluit van 20 december 2010 bevatten geen wijziging of intrekking van de primaire besluiten van 10 maart 2010 en 1 april 2010 of van het besluit op bezwaar van 20 augustus 2010 en ook geen hernieuwde besluitvorming daarover.

5. Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft de rechtbank kennis genomen van de documenten 1 tot en met 56 en de geluidsopnamen. Eiser heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder nog altijd niet volledig is geweest in het aanleveren van de gevraagde documenten. In de tot aan de bij het bestreden besluit vrijgegeven documenten wordt veelvuldig verwezen naar documenten, bijvoorbeeld bijlagen en onderliggende stukken, die noch verstrekt, noch geweigerd worden. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat hij niet beschikt over andere dan de reeds genoemde documenten. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt om welke documenten het zou gaan, ziet verweerder geen reden om aan te nemen dat er meer documenten aanwezig zouden moeten zijn.

7. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat verweerder beschikt over geluidsopnamen van de verhoren van de getuigen die zijn gehoord in het kader van het oriënterend feitenonderzoek, waarvan de opgemaakte processen-verbaal onderdeel uitmaken van de procedure [naam] Deze geluidsopnamen vormen een zelfstandig document in de zin van de Wob. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit van 20 december 2010 niet beslist. Eisers beroepsgrond slaagt dus.

8. Verweerder heeft op 13 april 2012 alsnog een besluit genomen over openbaarmaking van de geluidsopnamen. Onder toepassing van artikel 6:19 van de Awb merkt de rechtbank het beroep aan als mede te zijn gericht tegen dit besluit. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat de gronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob zich tegen openbaarmaking van de geluidsopnamen verzetten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dit standpunt mogen stellen. Verweerder heeft daarbij gewicht toe mogen kennen aan het feit dat een geluidsopname indringend is in de weergave van het persoonlijke stemgeluid, de intonatie en de interacties. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de getuigen heeft verweerder zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Verder heeft verweerder het belang van het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche dat personen en organisaties vrijwillige medewerking verlenen aan feitenonderzoeken, eveneens zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van de geluidsopnamen. Daarbij heeft verweerder waarde mogen toekennen aan het feit dat aan de getuigen vertrouwelijkheid is toegezegd en aannemelijk is dat de toegezegde vertrouwelijkheid mede bepalend is geweest voor de inhoud van de afgelegde verklaringen. De rechtbank acht om tot dit oordeel te komen ook van belang dat door middel van (gedeeltelijke) openbaarmaking van het Rijksrechercheonderzoek al veel informatie, die is vergaard uit de verklaringen op de geluidsopnamen, openbaar is gemaakt.

9. Voor het overige heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verweerder over nog meer stukken beschikt die vallen binnen de reikwijdte van zijn verzoek. In navolging van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overweegt de rechtbank dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Verweerder heeft gesteld over niet meer stukken te beschikken dan hij heeft genoemd in zijn overzichten in het primaire en het bestreden besluit. Dit acht de rechtbank niet ongeloofwaardig. Over de door eiser in zijn brief van 13 juli 2011 genoemde ontbrekende stukken waarnaar wel wordt verwezen, maar waarover niet zou zijn beslist, heeft verweerder in zijn nadere verweerschrift van 22 augustus 2011 gemotiveerd uiteengezet dat de door eiser genoemde documenten ofwel niet bestaan ofwel al vallen binnen de verzameling documenten waarover is beslist. Daaraan voegt de rechtbank toe dat zij bij kennisneming van alle stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb geen stukken heeft aangetroffen die door verweerder niet in de overzichten zijn genoemd.

10. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder, als een bepaald document niet zelf kan worden verstrekt, verplicht is om te proberen te komen tot beperkte verstrekkingsvormen. Verweerder had bijvoorbeeld samenvattingen kunnen maken. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat artikel 7 van de Wob niet van toepassing is op informatie waarvan openbaarmaking met een beroep op één van de bepalingen van de Wob moet of mag worden geweigerd. Een samenvatting kan alleen plaatsvinden wanneer het gaat om informatie die openbaar moet worden gemaakt op grond van de Wob. De rechtbank overweegt hierover dat in beginsel de vraag naar de wijze van informatieverstrekking pas aan de orde komt nadat het bestuursorgaan heeft besloten dat de betreffende informatie voor openbaarmaking in aanmerking komt dan wel de bestuursrechter zo heeft geoordeeld. Het bestuursorgaan dient eerst te bezien of zich één van de weigeringsgronden voordoet en als dat niet het geval is, is het aan de verzoeker op welke wijze hij de informatie wil ontvangen. Slechts als het honoreren van die keuze buitengewoon bezwaarlijk is, kan het bestuursorgaan voor een andere vorm van het verstrekken van de informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een samenvatting, kiezen. Overigens sluit de rechtbank niet uit dat de wijze van informatieverstrekking van invloed kan zijn op de beslissing om bepaalde informatie al dan niet openbaar te maken, omdat de weigeringsgrond, bijvoorbeeld de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, aan gewicht verliest juist door te kiezen voor een bepaalde verstrekkingsvorm. Uit de Wob vloeit hiertoe evenwel geen verplichting voort, zodat de beroepsgrond niet slaagt.

11. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet per document heeft vermeld waarom geweigerd wordt het desbetreffende document openbaar te maken. De gehanteerde weigeringsgronden bieden geen dan wel onvoldoende grondslag voor de weigering van de documenten en passages. Met name is niet onderbouwd dat sprake is van een onevenredige benadeling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat hij per document heeft aangegeven welke weigeringsgrond ten grondslag ligt aan de niet-openbaarmaking van (passages in) de documenten. Bij iedere weigeringsgrond is gemotiveerd waarom deze op een of meer stukken van toepassing is. Verweerder is verder van mening dat sprake is van onevenredige benadeling van het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche wanneer gegevens die tot natuurlijke of rechtspersonen herleidbaar zijn, openbaar worden gemaakt. Het slagen van feitelijke onderzoeken door de Rijksrecherche onder leiding van het Openbaar Ministerie als in dit geval, is afhankelijk van de vrijwillige medewerking aan het onderzoek door personen en werknemers van organisaties die bereid zijn de onderzoekers van de Rijksrecherche van informatie te voorzien. Daarnaast bevatten de stukken informatie over opsporingsmethoden en -tactieken die de Rijksrecherche gebruikt in zijn onderzoeken.

12. De rechtbank stelt voorop dat verweerder per document of onderdeel daarvan dient te motiveren waarom aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten, doorslaggevend gewicht toekomt. Dit heeft verweerder gedaan. Per document heeft verweerder vermeld welke weigeringsgrond(en) op een bepaald (deel van een) document van toepassing is (zijn). Voor de rechtbank moet te herleiden zijn welke weigeringsgrond ten grondslag ligt aan de weigering tot openbaarmaking (van delen) van dat document. Bij kennisneming van de stukken is de rechtbank hiertoe in staat gebleken. Het is de rechtbank voldoende duidelijk om welke reden welke passage is geweigerd. Over eisers positie, die in een Wob-procedure per definitie minder gemakkelijk kan achterhalen waarop een weigeringsgrond precies betrekking heeft, oordeelt de rechtbank dat de motivering van verweerder waarom hij op (delen) van documenten een bepaalde weigeringsgrond van toepassing acht, in ieder geval zo inzichtelijk is dat hij zich daar in rechte voldoende tegen kan keren.

13. Na te hebben kennis genomen van alle door verweerder aan de rechtbank ter beschikking gestelde documenten, komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Bij een aantal documenten, althans in voorkomende gevallen bij de weggelakte passages daarin, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob), dan wel het belang van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob), dan wel het belang dat geen onevenredige benadeling plaatsvindt (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob) zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van deze documenten of passages. Ook verweerders standpunt dat passages in deze documenten niet openbaar kunnen worden gemaakt, omdat het persoonlijke beleidsopvattingen zijn, opgesteld ten behoeve van intern beraad (artikel 11, eerste lid, van de Wob), kan standhouden. Het gaat dan om de volgende documenten: 1 tot en met 8, 11, 17, 19 tot en met 44, 50 tot en met 53 en 55. Verweerder heeft waarde mogen toekennen aan het feit dat namen, e-mailadressen en telefoonnummers tot personen herleidbare informatie bevatten. Hetzelfde geldt in dit geval voor functieomschrijvingen, omdat openbaarmaking van deze informatie, gelet op de beperkte kring van betrokkenen, eenvoudig tot een persoon zou kunnen worden herleid. Verder heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking van de hiervoor genoemde documenten of passages onevenredige benadeling op kan leveren van het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche. Daarbij heeft verweerder voor zover de documenten betrekking hebben op verklaringen van getuigen, weergaven van dergelijke verklaringen of anderszins passages die direct verband houden met dergelijke verklaringen, gewicht mogen toekennen aan het belang dat de Rijksrecherche erbij heeft dat getuigen bereid blijven verklaringen af te leggen. Verder heeft verweerder waarde mogen toekennen aan het belang om opsporingsmethodieken, tactieken en werkwijzen van de Rijksrecherche niet openbaar te maken en zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de Nederlandse Staat, het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche zouden worden geschaad als de Rijksrecherche bij het openbaar worden hiervan niet meer naar behoren zou kunnen functioneren. Overigens merkt de rechtbank op dat zij hier weliswaar één oordeel uitspreekt over vier weigeringsgronden, maar het gaat telkens om een weigeringsgrond die naar het oordeel van de rechtbank ook op zichzelf standhoudt.

14. Eiser heeft meer in het bijzonder aangevoerd dat verweerder ten onrechte artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob aan de weigering ten grondslag heeft gelegd, omdat deze documenten er al waren voordat aangifte werd gedaan door de DSB-bestuurder. Als verweerder binnen de wettelijke termijnen had beslist, had deze aangifte geen rol kunnen spelen in verweerders motivering voor het hanteren van deze weigeringsgrond. De aangifte nu wel een rol laten spelen, lijkt het honoreren van traagheid. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de belangen van opsporing en vervolging worden geschaad als de documenten openbaar worden gemaakt. Een beslissing op bezwaar houdt een heroverweging in naar de situatie zoals die zich op dat moment voordoet. De aangifte door de DSB-bestuurder acht verweerder een relevant gegeven en het maakt daarbij geen verschil of de documenten ook al los van en voorafgaand aan die aangifte bestonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dit standpunt mogen stellen. Daaraan voegt de rechtbank evenwel toe dat, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 13 is overwogen, ook andere weigeringsgronden aan de weigering ten grondslag zijn gelegd, die de weigering tot openbaarmaking kunnen dragen.

15. Over de hiervoor onder rechtsoverweging 13 niet genoemde documenten (uitgezonderd de documenten 13 tot en met 16 die reeds openbaar waren) is de rechtbank van oordeel dat verweerder wat de hierna genoemde passages betreft onvoldoende heeft gemotiveerd dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van openbaarmaking. Als de rechtbank hierna overweegt “uitgezonderd …” bedoelt zij daarmee uit te drukken dat de weigering tot openbaarmaking in zoverre wel voldoende is gemotiveerd.

Document 9: pagina 1, uitgezonderd geslacht, naam en functieomschrijving in de derde alinea.

Document 10: pagina 1 vanaf “Op donderdag” tot en met pagina 2 eerste witregel, uitgezonderd geslacht, namen en functieomschrijvingen.

Document 12: pagina 1, eerste alinea, uitgezonderd de functieomschrijving en tweede alinea.

Document 18: gehele tekst, uitgezonderd de namen.

De documenten 45 tot en met 49 heeft verweerder geheel geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat deze documenten niet net als de meeste andere openbaar gemaakte stukken openbaar kunnen worden gemaakt met weglakking van geslacht, namen, functieomschrijvingen, (email)adressen, telefoonnummers, websites en (zo nodig) een deel van de inhoudelijke informatie. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder deze documenten openbaar kunnen maken met weglakking van de hierna te noemen passages:

Document 45: geslacht, namen, (email)adressen, telefoonnummers, website. In de eerste alinea de zeven woorden achter het woord “contact” en de passage in de vierde alinea die begint met “Daaruit” tot aan de eerstvolgende witregel.

Document 46: geslacht, namen, functieaanduidingen, (email)adressen, telefoonnummers, organisatie, tijdsaanduidingen en de alinea die begint met “Namens” en eindigt met “zijn”.

Document 47: namen, emailadressen, telefoonnummer, functiebeschrijving, volledige tekst, uitgezonderd de zin die begint met “Het Financieel Dagblad” tot en met “proces-verbaal” en de laatste alinea die begint met “Verder” en eindigt met “ingediend”.

Document 48: namen, (email)adressen, telefoonnummers.

Document 49: namen, (email)adressen, telefoonnummers, in de eerste alinea de passage na “stellen,” tot “hetgeen” en in de tweede alinea de passage na “en een” tot en met haakje sluiten.

Document 54 bevat een overzicht van journaalmutaties en is door verweerder in zijn geheel geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit niet door de genoemde weigeringsgronden gerechtvaardigd, ook niet als deze in samenhang worden bezien. De documenten bevatten immers ook passages die bijvoorbeeld van algemene bekendheid zijn. Nu verweerder zich heeft beperkt tot een globaal oordeel over alle 59 pagina’s, volstaat de rechtbank met dit algemeen oordeel over de weigering van dit document.

16. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de afwijzing van eisers verzoek om informatie in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Hierna zal de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen dit gebrek te herstellen.

17. Over document 56 heeft verweerder overwogen dat dit document buiten het toetsingskader van de Wob valt, nu het een brief betreft van DNB aan de bewindvoerders. Op grond van artikel 1 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob is DNB van de Wob uitgezonderd voor haar stelsel- en toezichttaken en kan reeds hierom geen Wob-afweging plaatsvinden. Daaraan kan niet afdoen dat het stuk thans onder de Rijksrecherche berust, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 1 van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob voorziet erin dat DNB voor haar stelsel- en toezichttaken als bestuursorgaan wordt uitgezonderd van de toepasselijkheid van de Wob. Dit betekent dat geen Wob-verzoeken kunnen worden gericht tot dit bestuursorgaan voor zover het haar stelsel- en toezichttaken betreft, maar niet dat documenten afkomstig van of betrekking hebbend op dit bestuursorgaan van toepasselijkheid van de Wob zijn uitgezonderd. Dit primaire standpunt kan dus niet standhouden. Verweerder heeft zich over dit document echter subsidiair op het standpunt gesteld dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en g, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

18. Zoals volgt uit wat is overwogen onder rechtsoverweging 15 is het bestreden besluit van 20 december 2010 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek is niet hersteld bij het besluit van 13 april 2012. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder voor zover hij aan de weigering tot openbaarmaking van de in rechtsoverweging 15 genoemde passages wenst vast te houden motiveren welke belangen zich verzetten tegen openbaarmaking. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

19. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, voorzitter, en mr. M. ter Brugge en mr. D.A. Verburg, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.