Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2831

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
779212 BU 11-273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Snelheidsovertreding A28. Betrokkene heeft aangevoerd dat er omstandigheden zijn die het opleggen van een sanctie niet billijken. Volgens betrokkene was de bebording zo onduidelijk, dat redelijkerwijs geen verwijt van overschrijding van de maximumsnelheid kan worden gemaakt. Onduidelijk was of er ter plekke 90 of 120 gereden mocht worden.

De kantonrechter concludeert anders dan betrokkene dat er geen sprake was van onduidelijke bebording ten tijde van de gedraging. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: 779212 BU 11-273

CJIB-nummer: 149328275

beslissing d.d. 26 juli 2012

[betrokkene],

verder ook te noemen: betrokkene.

Verloop van de procedure

Bij brief van 12 juni 2011, ontvangen op 15 juni 2011, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, gegeven op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), bekend onder bovengenoemd CJIB-nummer.

Betrokkene is in de gelegenheid gesteld alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken in te zien.

Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is in eerste instantie behandeld ter zitting van 19 december 2011. Betrokkene is verschenen. Namens de officier van justitie is verschenen D. Jironet-Loewe, werkzaam bij de CVOM. De kantonrechter heeft in verband met de behandeling van meerdere beroepschriften die betrekking hebben op de wegsituatie van de A28, Utrecht – Amersfoort en v.v., nadere informatie opgevraagd bij de officier van justitie en Rijkswaterstaat en daartoe de behandeling van de zaak aangehouden. Deze nadere informatie is op 16 april 2012 op de rechtbank ontvangen en aan de betrokkene toegezonden, c.q. op www.rechtspraak.nl ter inzage aangeboden. Vervolgens is een nieuwe zitting gepland.

Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is behandeld ter zitting van 12 juli 2012. Betrokkene is verschenen. Namens de officier van justitie is verschenen J.J. Lammers, werkzaam bij de CVOM.

Vervolgens heeft de kantonrechter deze beslissing gegeven.

Beoordeling van het beroep

Aan betrokkene is een sanctie van € 318,00 opgelegd terzake van de in de inleidende beschikking aangeduide gedraging op 30 januari 2011 om 18.36 uur te Leusden (Rijksweg A28 rechts) met de personenauto, kenteken [kenteken]:

overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 39 km/h (verkeersbord A 1).

Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie. Betrokkene rijdt dit traject al jaren. Het was haar opgevallen dat begin 2011 er een rond bord met 90 en daarboven een waarschuwingsbord met slipgevaar stond. Daaronder stond een bord ‘nat wegdek’. Ten tijde van de snelheidsovertreding was er geen sprake van een nat wegdek dus betrokkene ging er vanuit dat zij 120 km/u mocht rijden. Kennelijk was op het moment van de snelheidsovertreding het onderbord verdwenen. Betrokkene verzoekt de kantonrechter om de beslissing van de officier van justitie te herzien.

Ter zitting van 19 december 2011 heeft betrokkene nog aangevoerd:

‘Ik leg correspondentie over van Rijkswaterstaat. Ik rij regelmatig op de A28. Op 30 januari 2011 was het droog. Ik heb niet gezien dat het onderbord was weggehaald. Later zijn er karren neergezet met de tekst 90 km/u. De matrixborden werden niet gebruikt. Ik heb harder gereden dan 120 km/u en ben bereid de sanctie voor dat deel te betalen.’

Ter zitting van 12 juli 2012 heeft betrokkene nog aangevoerd:

‘Ik heb in een rapportage gelezen dat ongeveer 20% van de bestuurders de situatie met de snelheidsbeperking niet en 80% van de bestuurders het wel heeft begrepen. Vanaf oktober 2011 tot maart 2012 blijkt uit cijfers van de politie dat er nog steeds een groot aantal bestuurders wordt bekeurd. Na extra onderzoek heeft Rijkswaterstaat het bordje ‘bij nat wegdek’ weggehaald, maar geen matrixborden gebruikt om de wijziging beter kenbaar te maken. Als er ineens file komt, maken ze er ook gebruik van, waarom nu dan niet. Het bleef onduidelijk en m.i. is het nog steeds niet helemaal duidelijk.’

De officier van justitie heeft de kantonrechter verzocht het beroep van betrokkene ongegrond te verklaren.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

Betrokkene ontkent niet dat zij op bovengenoemde datum en plaats met een gecorrigeerde snelheid van 129 km/u reed, zodat dit vaststaat.

Voor zover betrokkene betwist dat de op het traject geldende maximumsnelheid 90 km/u bedraagt, overweegt de kantonrechter als volgt. Naar aanleiding van de inhoud van een aantal beroepschriften heeft de kantonrechter vragen aan de officier van justitie gesteld. In zijn reactie van 16 april 2012 onderbouwt de officier van justitie het in zijn beslissing ingenomen en in de beroepsfase gehandhaafde standpunt dat de maximumsnelheid ten tijde van de gedraging op de pleeglocatie 90 km/uur was. De officier van justitie maakt hierbij gebruik van door Rijkswaterstaat verstrekte data en kaarten. In navolging van Rijkswaterstaat heeft de officier van justitie verklaard dat de B-kaarten de situatie weergeven zoals deze op 15 en 16 november 2010 is gerealiseerd, een en ander conform het verkeersbesluit (RWS/DUT-2010/5043). De kantonrechter constateert allereerst dat de meetlocatie langs de A28 zich binnen het traject bevindt dat op deze kaarten is weergegeven. De kantonrechter constateert verder dat blijkens de betreffende kaarten de borden J20 (slipgevaar) boven de borden A1 (90 km/uur) zijn geplaatst, terwijl het onderbord ‘bij nat wegdek’ ontbreekt. De combinatie van het bord J20 met een A1-bord betekent niet dat de op het A1-bord weergeven maximumsnelheid slechts geldt bij slipgevaar of bij nat wegdek, maar betreft een permanent ingestelde maximumsnelheid. Het staat daarom vast dat op de betreffende meetlocatie een maximumsnelheid van 90 km/uur gold ten tijde van de gedraging. De gedraging is verricht.

Betrokkene heeft aangevoerd dat er omstandigheden zijn die het opleggen van een sanctie niet billijken. Volgens betrokkene was de bebording zo onduidelijk, dat redelijkerwijs geen verwijt van overschrijding van de maximumsnelheid kan worden gemaakt.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Uit het aanvullend commentaar van de officier van justitie van 16 april 2012 blijkt dat Rijkswaterstaat op 14 december 2010 een wegcontrole heeft uitgevoerd waarbij is gebleken dat bij elke toerit aan het eind van de blokkenlijn op de hoofdbaan A1-borden met 90 km/uur zijn geplaatst. Uit dit commentaar blijkt eveneens dat reeds op 15 en 16 november 2010 de vermelding 100 km/uur op de hectometerpaaltjes is afgeplakt. Het zaakoverzicht vermeldt bovendien dat de borden voorafgaand aan en na de snelheidscontrole zijn gecontroleerd. In het aanvullend proces-verbaal van de KLPD van 13 september 2011 wordt bevestigd dat de controle ook in dit geval heeft plaats gevonden. Uit de administratie van Rijkswaterstaat blijkt bovendien –aldus de officier van justitie in zijn aanvullend commentaar- niet dat sprake zou zijn geweest van een gedraaid bord 90 km/u. Evenmin is uit deze administratie gebleken dat nog een A1-bord met 100 km/uur zichtbaar was, dan wel een A2-bord met einde 100 km/uur.

De kantonrechter heeft geen reden om aan dit commentaar van de officier van justitie te twijfelen, nu betrokkene geen informatie of foto’s heeft overgelegd die aanleiding geven te twijfelen aan de mededelingen van Rijkswaterstaat of de (aanvullende) ambtsedige processen-verbaal. Het door enkele betrokkenen overgelegde krantenartikel uit het Algemeen Dagblad van 2 maart 2011, waarin wordt vermeld dat bij een steekproef nog enkele borden met daarop de vermelding “bij nat wegdek” werden opgemerkt, vormt onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de bovengenoemde ambtsedige processen-verbaal, nu daarbij geen specifieke gegevens of foto’s dienaangaande zijn overgelegd.

Van een weggebruiker mag te allen tijde en onder alle omstandigheden worden verwacht dat hij de voor hem geldende verkeerstekens tijdig opmerkt en daarnaar handelt. Hoewel betrokkene moet worden toegegeven dat de bebording “slipgevaar”, “90 km/u” en “bij nat wegdek” ook als combinatie wordt gebruikt, ontslaat dat de weggebruiker niet om een verkeersbord met uitsluitend de borden “slipgevaar” en “90 km/u” op de juiste betekenis -te weten: 90 km/u, ongeacht de weersomstandigheden- te schatten. Dat geldt ook indien er (nog) geen wegwerkzaamheden zijn aangevangen.

Voor zover een beroep wordt gedaan op de gewenning van de tot november 2010 geldende bebording die bestond uit “slipgevaar”, “90 km/u” en “bij nat wegdek”, blijkt uit het aanvullend commentaar van de officier van justitie dat de bewuste onderbordjes “bij nat wegdek” in elk geval op en vanaf 14 december 2010 (de eerder genoemde controle van Rijkswaterstaat) niet meer aanwezig waren. Dat betekent dat er tussen het moment van verwijderen van de onderbordjes en de bewuste snelheidscontrole méér dan een maand is verstreken. Die periode is zo lang dat in redelijkheid op het moment van de gedraging van een gewenning geen sprake meer kan zijn. Een beroep op gewenning door vaste weggebruikers slaagt niet.

Dat er geen gebruik is gemaakt van de matrixborden om de maximumsnelheid extra aan te duiden doet evenmin af aan het gegeven dat de weggebruiker onder alle omstandigheden de geldende verkeerstekens dient op te merken. Dat Rijkswaterstaat achteraf tekstkarren heeft geplaatst om de weggebruikers te herinneren aan de geldende maximumsnelheid betekent niet dat de situatie vóór het nemen van die maatregel zo onduidelijk was, dat daarmee de eigen verplichting van de weggebruiker om verkeerstekens op te merken, kwam te vervallen. Ook het gegeven dat medewerkers van (de Landelijke Informatielijn van) Rijkswaterstaat hebben vermeld dat “de uitvoering van de 90-km-bebording is in de aanvang rommelig geweest”, maakt het voorgaande niet anders, temeer nu deze mededeling –aldus de officier van justitie- zag op de periode tussen juli 2010 en december 2010, en dus niet op de periode waarin in de betreffende gedraging is verricht. De kantonrechter ziet geen aanleiding aan deze mededelingen te twijfelen.

De kantonrechter concludeert anders dan betrokkene dat er geen sprake was van onduidelijke bebording ten tijde van de gedraging. Dit verweer slaagt dan ook niet.

Ook overigens heeft betrokkene geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de kantonrechter aanleiding geven de sanctie te matigen, zodat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

De kantonrechter zal, gelet op het bovenstaande, beslissen als volgt.

Beslissing

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.W. Veenendaal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2012.

de griffier de kantonrechter

N.M.E.N. Schreuder mr. J.W. Veenendaal