Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2233

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
16-712017-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

kindermishandeling, de rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712017-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen)

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Wolvenplein te Utrecht

raadsvrouw mr. B. Molleman, advocaat te Amersfoort

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

onder 1 primair: samen met een ander het kind dat hij verzorgt met een voorwerp of zijn vuist zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken, heeft toegebracht;

onder 1 subsidiair: samen met een ander heeft geprobeerd het kind dat hij verzorgt met een voorwerp of zijn vuist zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken, toe te brengen;

onder 1 meer subsidiair: samen met een ander het kind dat hij verzorgt met een voorwerp of zijn vuist heeft mishandeld, waardoor dat kind zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken, heeft bekomen;

onder 2 primair: samen met een ander het kind dat hij verzorgt met een riem of een slipper of een flexibel voorwerp of zijn vuist zwaar lichamelijk letsel, te weten schaafwonden en onderhuidse bloeduitstortingen, heeft toegebracht;

onder 2 subsidiair: samen met een ander heeft geprobeerd het kind dat hij verzorgt met een riem of een slipper of een flexibel voorwerp of zijn vuist zwaar lichamelijk letsel, te weten schaafwonden en onderhuidse bloeduitstortingen, toe te brengen;

onder 2 meer subsidiair: samen met een ander het kind dat hij verzorgt met een riem of een slipper of een flexibel voorwerp of zijn vuist heeft mishandeld, waardoor dat kind zwaar lichamelijk letsel, te weten schaafwonden en onderhuidse bloeduitstortingen, heeft bekomen.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde, maar acht niet bewezen dat hij dat tezamen en in vereniging met een ander heeft gedaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat de verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit het volgende .

De aangeefster [aangever 1], werkzaam als unitleider bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK), heeft verklaard dat er op 9 november 2011 een melding binnenkwam van de [naam] te Utrecht, dat een 4-jarige leerling, genaamd [slachtoffer], aan zijn leerkracht heeft verteld dat hij geslagen wordt door zijn vader. De vertrouwensarts van het AMK heeft diezelfde dag het lichaam van [slachtoffer] onderzocht en heeft geconstateerd dat [slachtoffer] blauwe plekken heeft op zijn wangen en op zijn pols en dat op de linker flank en zijn gehele rug ernstig letsel zichtbaar is. Ook op het rechter bovenbeen en de bil van [slachtoffer] is letsel zichtbaar. Het betreffen verkleuringen (rood, paars, blauw, geel), zwellingen en ontvellingen. Ook afdrukken en striemen zijn zichtbaar. Aan het t-shirt zit bloed, enkele schaafplekken op de rug zijn vers en hebben recent gebloed. Bij het aankleden zegt [slachtoffer] dat het pijn deed.

Het slachtoffer [slachtoffer], geboren op [2007], gehoord in een daarvoor bestemde ruimte van de politie , heeft verklaard dat hij pijn had aan zijn arm, zijn benen, zijn rug en zijn wang en dat zijn vader hem ging slaan . Dat zijn papa heel hard ging slaan, wel tien keer en dat hij sloeg met een riem en met zijn slippers en ook met de handen . [slachtoffer] heeft verder verklaard dat alleen zijn vader hem slaat en dat [slachtoffer] dan in zijn slaapkamer is .

De medeverdachte [medeverdachte 1], de moeder van [slachtoffer], heeft verklaard dat de verdachte [slachtoffer] op 9 november 2011 in haar woning heeft geslagen met een riem of een slipper.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] aan het begin van het schooljaar na drie à vier weken afwezig te zijn geweest weer op school kwam en dat hij toen mank liep . Verder heeft zij verklaard dat [slachtoffer] op 8 november 2011 zichtbare blauwe plekken in zijn gezicht had en dat [slachtoffer] die dag tegen haar heeft gezegd "papa slaat mij". De getuige zag op 9 november 2011 op de arm van [slachtoffer] rode en blauwe plekken en op zijn benen veel rode en blauwe plekken en schrammen.

De Forensisch-medische rapportage over [slachtoffer] van 20 januari 2012 houdt in dat bij het top-teen onderzoek van [slachtoffer] een veelheid aan afwijkende bevindingen is waargenomen, waaronder botbreuken, schaafverwondingen en onderhuidse bloeduitstortingen. Deze huidafwijkingen zijn het gevolg van meerdere momenten van niet-accidenteel uitwendig inwerkend lichamelijk geweld. De patroonafdrukken zijn het gevolg van heftig botsend uitwendig geweld met of door een voorwerp. De patroonafdruk op de linkerzijde van de romp van [slachtoffer] moet zijn veroorzaakt door een flexibel voorwerp met een breedte van circa 1 centimeter. De glanzende blauwe riem uit het huis van de moeder van [slachtoffer] voldoet aan deze kenmerken. De L-vormige patroonafdrukken op de rug van [slachtoffer] moeten zijn veroorzaakt door een deel van een rechthoekig voorwerp met een smalle rand en een centrale opening. Uit de collectie in beslaggenomen voorwerpen voldoen meerdere gespen van riemen aan deze kenmerken. De halvemaanvormige patroonafdrukken aan de linkerzijde van de rug van [slachtoffer] passen bij een voorwerp dat aan het einde een ronding vertoont, zoals bijvoorbeeld een slipper. Meerdere slippers uit de collectie in beslaggenomen voorwerpen voldoen aan deze kenmerken. De ovale, hoefijzervormige patroonafdruk aan de binnenzijde van de rechterknie van [slachtoffer] is veroorzaakt door een voorwerp met een ovale vorm.

De Forensisch-medische rapportage ten aanzien van [slachtoffer] van 7 mei 2012 houdt in dat bij [slachtoffer] een botbreuk in de linker onderkaak is vastgesteld, dat er sprake is geweest van een genezingsproces van het bot van de onderkaak van [slachtoffer] en dat er een botbreuk in het schaambeen van het bekken is vastgesteld. Bij [slachtoffer] is geen onderliggende medische aandoening vastgesteld die hiervoor een verklaring kan zijn. Verder is gebleken dat breuken van de onderkaak en van het bekken bij kinderen zelden voorkomen en dat het ontstaan van een bekkenbreuk bij een kind veel kracht vereist. De rapporteur acht de mate van waarschijnlijkheid dat een ongecompliceerde val van de trap, zoals door de moeder van [slachtoffer] beschreven, twee relatief zeldzame botbreuken oplevert, zeer laag. De botbreuk van het bekken zou bij benadering vóór 31 oktober 2011 ontstaan kunnen zijn. De botbreuk van de linker onderkaak zou bij benadering vanaf 31 oktober 2011 en vóór 10 november 2011 kunnen zijn ontstaan. Het genezingsproces van de onderkaak zou bij benadering ná 27 oktober 2011 en vóór 3 november 2011 kunnen zijn ontstaan.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij vanaf het moment dat de verdachte bij de moeder van [slachtoffer] kwam wonen, blauwe plekken zag bij [slachtoffer]. In de zomervakantie van 2011 heeft zij gezien dat [slachtoffer] een keer een blauw oog had en dat hij een andere keer blauwe plekken op zijn billen en benen had. De zus van [slachtoffer] heeft tegen haar gezegd: "pappa [verdachte] heeft [slachtoffer] geslaan, heel hard oma". [slachtoffer] heeft tegen haar gezegd: "papa [verdachte] slaat me".

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] hem papa noemde. Verder heeft hij verklaard dat hij vanaf ongeveer 15 april 2011 een relatie had met de moeder van [slachtoffer] en dat hij vanaf dat moment regelmatig

Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank overweegt dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. In het algemeen wordt onder zwaar lichamelijk letsel begrepen ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of waarvan het uitzicht op volkomen genezing ontbreekt. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Ook voor andere factoren die naar normaal spraakgebruik lichamelijk letsel zwaar kunnen maken zijn geen aanknopingspunten in het dossier te vinden.

Voorts overweegt de rechtbank dat het in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde opzet moet zijn gericht op het gevolg, te weten zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek te weinig informatie heeft opgeleverd om te kunnen vaststellen wanneer en op welke wijze de diverse soorten letsel bij [slachtoffer] precies zijn ontstaan. Hieruit volgt dat evenmin overtuigend bewijsmateriaal aanwezig is voor de conclusie, dat de verdachte zich op zijn minst willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij door zijn handelen bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Nu het (voorwaardelijk) opzet daartoe ontbreekt, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde.

Medeplegen

De rechtbank ziet, met de officier van justitie, onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van medeplegen.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat de verdachte in de periode van 1 juni 2011 tot en met 10 november 2011 [slachtoffer], het kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin, op verschillende momenten heeft mishandeld, waardoor [slachtoffer] botbreuken en schaafwonden en onderhuidse bloeduitstortingen heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.4. Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.5. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1. meer subsidiair

op tijdstippen in de periode van 1 juni 2011 tot en met 10 november 2011 te Utrecht, telkens opzettelijk mishandelend [slachtoffer], geboren op [2007], zijnde een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen, fors geweld heeft uitgeoefend op het lichaam van die [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel (te weten botbreuken van de onderkaak en van het bekken) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2. meer subsidiair

op tijdstippen in de periode van 1 juni 2011 tot en met 10 november 2011 te Utrecht, telkens opzettelijk mishandelend [slachtoffer], geboren op [2007], zijnde een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen, met kracht met een (gesp van een) riem en slippers en met de handen tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel (te weten een of meer schaafverwondingen en onderhuidse bloeduitstortingen) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feiten 1 en 2:

Telkens, mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 4 jaren en met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een contactverbod met betrekking tot het slachtoffer en een contactverbod met betrekking tot de medeverdachte. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat, als de rechtbank tot een veroordeling komt voor het ten laste gelegde, de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft het vierjarige kind van zijn vriendin meermalen mishandeld, waardoor het slachtoffer lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Kindermishandeling is een zeer ernstige vorm van mishandeling. De verdachte heeft hiermee de psychische en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] in ernstige mate geschonden. Kinderen van een leeftijd als waar het in deze zaak om gaat, behoren door hun ouders beschermd te worden en in een veilige omgeving op te groeien. Zij zijn volledig afhankelijk van hun ouders en verzorgers en hebben niet de feitelijke mogelijkheid zich aan mishandelingen te onttrekken. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer in zijn mogelijkheden een evenwichtige en onbezorgde jeugd door te maken ernstig beperkt. Bovendien valt niet uit te sluiten dat hij ook op lange termijn nadelige gevolgen van het handelen van de verdachte zal ondervinden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Op dergelijke ernstige feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Een gedeelte van deze straf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, met bijzondere voorwaarden, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande ook van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen indien er geen behandeling of begeleiding van de verdachte plaatsvindt. De rechtbank acht het om die reden geboden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het vonnis.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feiten 1 en 2:

Telkens, mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

- verklaart de verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat de verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat de verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

* dat de verdachte zich daartoe binnen 7 dagen volgend op zijn vrijlating meldt bij reclassering Leger des Heils op het adres [adres] te Utrecht en zich blijft melden zo frequent als de reclassering dit gedurende de proeftijd nodig acht;

* dat de verdachte deelneemt aan de Cognitieve vaardigheidstraining of de Cognitieve vaardigheidstraining+;

* dat de verdachte een ambulante behandeling bij Kade 17 of een soortgelijke instelling ondergaat;

* dat de verdachte na zijn vrijlating verblijft bij Exodus of een soortgelijke voorziening en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de gestelde voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. I. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 mei 2012.

Mr. Bruins is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.