Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2209

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
16/601216-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Officier van justitie vordert vrijspraak van poging tot diefstal uit een auto en veroordeling voor mishandeling van een politieambtenaar en diefstal door middel van braak. De rechtbank acht alle drie de feiten wettig en overtuigend bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-601216-11, 16-655362-12 en 16-600398-11 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

Raadsman: mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16-601216-11

Feit 1:

op 17 december 2011 te Utrecht heeft geprobeerd spullen uit een auto te stelen;

Feit 2:

op 17 december 2011 te Utrecht een politieambtenaar heeft mishandeld;

Parketnummer 16-655362-12

op 1 februari 2012 te Utrecht een autoruit heeft ingeslagen en vervolgens een frontje van een autoradio en/of een afstandsbediening uit die auto heeft gestolen.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 1 ten laste gelegde feit

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Volgens de officier van justitie bestond er voldoende vermoeden van schuld aan een strafbaar feit om verdachte aan te houden, maar kan niet tot een bewezenverklaring van dit feit worden gekomen omdat de tijdspanne tussen het moment van de melding bij de politie van een poging tot autokraak en het moment waarop de politie verdachte in de omgeving van de plaats delict heeft aangetroffen 15 minuten beslaat.

Ten aanzien van de onder parketnummer 16-601216-11 onder 2 en onder parketnummer 16-55362-12 ten laste gelegde feiten

Deze feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden, aldus de officier van justitie.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 1 ten laste gelegde feit

De verdediging is het met de officier van justitie eens dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Het signalement dat getuige [getuige] heeft gegeven van de persoon die hij aan een autoportier heeft zien rukken, is het enige bewijs dat er is. [getuige] is niet geconfronteerd met verdachte. Bovendien had verdachte geen inbrekersgereedschap bij zich toen hij werd aangehouden.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 2 ten laste gelegde feit

Verdachte moet volgens de raadsman van dit feit worden vrijgesproken. Verdachte is van mening dat hij dit feit niet heeft gepleegd en tegenover zijn verklaring staan (enkel) de verklaringen van de verbalisanten.

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van dit feit komt staat niet vast met welke tas verdachte zou hebben gegooid.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 1 ten laste gelegde feit

[getuige] zag op 17 december 2011 omstreeks 01.00 uur vanaf een bankje op de [adres] ter hoogte van nummer 125 een man met kracht aan het portier aan de bestuurderszijde van een kleine groene personenauto trekken. De afstand tussen [getuige] en de man was ongeveer 5 à 8 meter. De man trok zo hard aan het portier dat [getuige] door had dat de man aan het inbreken was. Toen de persoon op wie [getuige] zat te wachten er aan kwam, is hij haar woning binnen gegaan en heeft hij de politie gebeld. Voordat hij de woning binnenging, zag hij de man in het voertuig zitten en in het dashboardkastje rommelen. Volgens [getuige] droeg deze man een zwarte trui met een capuchon. Achterop de trui stond een lichtkleurige afdruk van een soort tribal of gewei .

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden werkzaam bij de politie Utrecht, kregen op 17 december 2011 omstreeks 01.00 uur van het personeel van de gemeenschappelijk meldkamer Utrecht de opdracht om naar de [adres] te gaan waar zou zijn ingebroken in een kleine groene personenauto. De verdachte zou een zwarte trui met capuchon met een zilveren opdruk op de achterzijde hebben.

Op 17 december 2011 te 01.05 uur waren genoemde verbalisanten op de [adres] ter hoogte van de [adres]. Vanuit de [adres] zagen zij een man lopen die een zwart vest met een capuchon met een grote witte/zilveren opdruk op de achterzijde in de vorm van een tribal. De andere zijde van de [adres] is de [adres]. Verbalisanten hebben de verdachte aangehouden en deze bleek te zijn genaamd [verdachte], geboren op [1977] te [geboorteplaats] in Marokko, wonende te [woonplaats] .

[aangever 1] heeft op 17 december 2011 omstreeks 00.20 uur haar groene personenauto van het merk Alfa, type Romeo 145, geparkeerd aan de [adres] in Utrecht en rondom afgesloten en geheel onbeschadigd achtergelaten. Op dezelfde datum omstreeks 01.30 uur belde een politieagent haar en vertelde dat in voornoemde auto was ingebroken. Toen [aangever 1] bij de auto kwam zag zij dat het slotgat van het voorportier aan de bestuurderszijde groter was gemaakt. Er is niets weggenomen. .

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 1 ten laste gelegde feit

De rechtbank acht dit feit in tegenstelling tot de officier van justitie en de verdediging wel wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Getuige [getuige] heeft op 17 december 2011 omstreeks 01.00 uur op de [adres] een man aan een deurportier zien rukken en in een auto zien rommelen bij het dashboardkastje, waarna hij direct de politie heeft gebeld. Volgens [getuige] droeg deze man een zwart vest met op de achterkant een lichtkleurige opdruk in de vorm van een gewei of tribal.

Omstreeks 01.05 uur komt de politie in de nabije omgeving van de [adres] en treft daar verdachte [verdachte] aan die een zwart vest draagt met een opdruk op de achterkant zoals door getuige [getuige] omschreven.

De politie heeft verdachte aldus binnen zeer korte tijd nadat de auto was opengebroken, te weten vijf minuten, aangetroffen in de directe omgeving van de plaats delict terwijl verdachte een vest droeg met dezelfde uiterlijke kenmerken waaronder het specifieke kenmerk van de opdruk als het vest dat de getuige [getuige] heeft beschreven van de man die in een auto heeft ingebroken. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die in de in de tenlastelegging genoemde auto heeft ingebroken.

De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 2 ten laste gelegde feit

[aangever 2], politieambtenaar, was op 17 december 2012 (de rechtbank begrijpt 17 december 2011) in de cellengang op politiebureau Paardenveld te Utrecht om de aangehouden verdachte [verdachte] over te brengen naar het arrestantencomplex van de politie Utrecht..[verdachte] pakte de plastic tas waarin zijn spullen zaten van de inschrijfbalie, hield deze boven zijn hoofd en gooide deze met kracht in de richting van [aangever 2]. [verdachte] keek haar hierbij aan. [aangever 2] probeerde de plastic tas af te weren door haar hoofd weg te draaien maar dit lukte niet. Ze kreeg de tas tegen de linker achterkant van haar hoofd aan. Ze voelde dat dit pijn deed aan haar hoofd en nek. Ze voelde dat de tas zwaar was en dat er iets hards in zat dat zij tegen haar hoofd aan kreeg. [aangever 2] voelde dat haar hoofd door het gewicht van de tas naar rechts knakte waarbij zij een pijnscheut voelde in haar nek. Toen collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4][verdachte] even later naar de bus brachten, voelde [aangever 2] zich duizelig door de klap op haar hoofd en moest daarom gaan zitten. Ze voelde pijn achterop haar hoofd en in haar nek. Twee uur na het incident voelde ze een suizende pijn in haar hoofd en een bult op de plek waar de tas haar hoofd heeft geraakt. Haar nek voelde stijf en pijnlijk aan. Daarnaast had ze kloppende hoofdpijn .

[verbalisant], hoofdagent van politie Utrecht, bevond zich op 17 december 2011 in de cellengang in het politiebureau Paardenveld te Utrecht. [verdachte] pakte de plastic tas waarin zijn goederen zaten van de balie en gooide die met kracht in de richting van collega [aangever 2]. [verbalisant] hoorde [aangever 2] zeggen dat ze iets hards op haar hoofd had gekregen en dat ze pijn had. Toen [verbalisant] in de tas keek waarmee [verdachte] had gegooid, zag hij daarin diverse goederen waaronder schoenen. [verbalisant] voelde dat de tas zwaar was .

[verbalisant 4], surveillant van politie Utrecht, zag op 17 december 2011 omstreeks 04.25 uur dat [verdachte] een witte tas naar collega [aangever 2] gooide en dat [aangever 2] werd geraakt aan haar hoofd .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 17 december 2011 in politiebureau Paardenveld te Utrecht een tas heeft gegooid in de richting van politieambtenaar [aangever 2] .

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder parketnummer 16-601216-11 onder 2 ten laste gelegde feit

De stelling van verdachte dat zijn schoenen zich niet bevonden in de tas die hij naar [aangever 2] heeft gegooid, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op de verklaringen die [aangever 2] en haar collega [verbalisant] hieromtrent hebben afgelegd, inhoudende dat dit wel het geval was.

De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder parketnummer 16-655362-12 ten laste gelegde feit

Aangezien verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak ten aanzien van dit feit heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 mei 2012 ;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 1 februari 2012, genummerd PL0910 2012025923-1, doorgenummerde pagina’s 18 en 19.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 16-601216-11

1.

op 17 december 2011 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [adres] geparkeerd staande auto, merk Alfa, type Romeo 145, kleur groen, weg te nemen goederen van zijn gading en/of geld, toebehorende aan [aangever 1] en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen door braak,

met kracht de deur van die auto heeft opengebroken en getrokken en vervolgens in die auto plaats heeft genomen en die auto heeft doorzocht op goederen van zijn gading en/of geld, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 17 december 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [aangever 2], ambtenaar van politie, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, het overbrengen van een aangehouden verdachte, een tas met daarin onder andere een paar schoenen tegen het hoofd van die [aangever 2] heeft gegooid, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 16-655362-12

op 1 februari 2012 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, kenteken [kenteken], heeft weggenomen een frontje van een autoradio en een afstandsbediening, toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, het inslaan/vernielen van een ruit van die auto en het vervolgens betreden van die auto.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Parketnummer 16-601216-11

Feit 1: Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2: Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Parketnummer 16-655362-12

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 186 dagen waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, inclusief klinische behandeling en een meldgebod. Daarnaast vordert zij toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 50 dagen. De officier van justitie vordert voormelde strafduur en toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf zodat verdachte op 12 juni 2012 op vrije voeten zal komen, op welke datum hij met zijn behandeling zal kunnen beginnen.

Voorts vordert de officier verbeurdverklaring van de schroevendraaier.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] dient niet ontvankelijk te worden verklaard en de vorderingen van [aangever 2] en [aangever 3] dienen te worden toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, aldus de officier van justitie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman meent dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is voor de feiten die zij bewezen acht. Het strafrecht dient ertoe om verdachte te straffen voor hetgeen hij heeft misdaan, niet om hem gedetineerd te houden tot een datum waarop hij behandeld kan worden.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 50 dagen heeft de verdediging gesteld dat de proeftijd moet worden verlengd, zodat verdachte gevolg kan geven aan de bijzondere voorwaarden die hieraan verbonden zijn.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] dient te worden afgewezen omdat uit de vordering blijkt dat [aangever 2] eerder geweldsincidenten in haar functie heeft meegemaakt, die (mede) aanleiding zijn geweest om in de onderhavige strafzaak een vordering in te dienen.

De raadsman refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3].

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een autokraak en een poging daartoe waarmee hij inbreuk heeft gemaakt op het recht van eigendom van de aangevers en hen overlast en schade heeft bezorgd. Daarnaast heeft verdachte een politieambtenaar mishandeld. Door aldus te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van deze ambtenaar geschonden en het gezag van de politie aangetast.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 april 2012, waaruit blijkt dat de verdachte zich veelvuldig heeft schuldig gemaakt aan vermogensdelicten waaronder vele autokraken. Bovendien liep verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten in een proeftijd.

Tevens heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies van 25 april 2012, opgemaakt door N. de Leeuw, reclasseringswerker, waarin onder meer is vermeld dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat en dat er een hoog risico is op het onttrekken aan voorwaarden. De reclassering adviseert de rechtbank een meldingsgebod en opname in een zorginstelling als bijzondere voorwaarden op te leggen.

R.C. Mulder, reclasseringswerker, heeft als getuige-deskundige ter terechtzitting verklaard dat een klinische behandeling van verdachte noodzakelijk is, gelet op de vele criminogene factoren waarvan bij verdachte sprake is, als dakloosheid, cocaïneverslaving en ADHD. Verdachte kan op 12 juni 2012 worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna te noemen: FPA) Roosenburg. Een behandeling van verdachte zal tussen 9 en 12 maanden duren, aldus Mulder.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard om mee te werken aan een dergelijke behandeling.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 135 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden. De rechtbank legt een hogere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank ook het eerste ten laste gelegde feit bewezen heeft verklaard.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 50 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 14 november 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie echter niet toewijzen nu zij het noodzakelijk acht dat de bij voormeld vonnis gestelde bijzondere voorwaarde, inhoudende toezicht door de reclassering Centrum Maliebaan, opname en behandeling van verdachte bij de Detox van Centrum Maliebaan en aansluitend bij de Dubbel Diagnosekliniek Roosenburg, of een soortgelijke instelling, te wijzigen in die zin dat veroordeelde reclasseringstoezicht wordt opgelegd met een meldingsgebod en dat hij meewerkt aan zijn opname op 12 juni 2012 in de zorginstelling FPA Roosenburg en aan zijn behandeling aldaar.

8. De benadeelde partijen

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 256,60 voor het onder parketnummer 16-601216-11 onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 300,- voor het onder parketnummer 16-601216-11 onder 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 150,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal het gevorderde bedrag voor het overige afwijzen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 98,28 voor het onder parketnummer 16-655362-12 ten laste gelegde feit, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

9. Het beslag

De rechtbank zal verbeurdverklaring gelasten van de schroevendraaier.

Dit voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze onder verdachte in beslag zijn genomen en gebleken is dat het onder parketnummer 16-655362-12 ten laste gelegde feit met behulp van dit voorwerp is begaan.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14d, 14f, 33, 33a, 45, 24c, 36f, 57, 300, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 16-601216-11:

Feit 1: Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2: Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Parketnummer 16-655362-12: Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 135 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, maar wijzigt de daaraan verbonden voorwaarden in die zin dat:

- de veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Nu opname in een 24-uurs setting aansluit op de detentie, dient veroordeelde zich te melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan binnen drie dagen na beëindiging van de behandeling. In het geval de veroordeelde eenzijdig de behandeling afbreekt, dient hij zich dezelfde dag te melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan;

- de veroordeelde met ingang van 12 juni 2012 verplicht zal verblijven in en zal meewerken aan een klinische behandeling in FPA Roosenburg. De behandeling van veroordeelde zal 12 maanden duren, of zoveel korter als de leiding van FPA Roosenburg in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 256,60, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 256,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] € 150,-, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 150,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 98,28, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening,;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], € 98,28 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten de schroevendaaier;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 mei 2012.