Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2185

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
16-655359-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring: eendaadse samenloop van wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg en mishandeling van een politieambtenaar; bedreiging met de dood; mishandeling van een ambtenaar. Artikel 181 Sr bedoeld om samenloop met gekwalificeerde vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-655359-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

verblijvende te [woonplaats], [adres].

Raadsvrouw: mr. L. Demmer, advocaat te IJsselstein.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 29 januari 2012 te Vinkeveen

Feit 1:

zich heeft verzet tegen zijn aanhouding door een vijftal opsporingsambtenaren, waardoor opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel heeft opgelopen;

Feit 2:

zijn vrouw heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling;

Feit 3:

de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen acht.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat geen sprake van wederspannigheid is geweest en dat politieagent [verbalisant 1] geen lichamelijk letsel heeft opgelopen. Met betrekking tot feit 2 heeft ze aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 1] onbetrouwbaar is en van het bewijs moet worden uitgesloten. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van deze ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De bewijsmiddelen

Hieronder volgen de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 29 januari 2012 te Vinkeveen tegen zijn vrouw [aangever 1] heeft gezegd dat hij haar kop eraf zou slaan als hij zou merken dat zij vreemd gaat. Nadat de politie was gearriveerd om hem had aangehouden weigerde verdachte met vijf politieagenten mee te gaan en heeft hij vervolgens om zich heen geslagen .

[aangever 1] werd op 29 januari 2012 gebeld door haar man, verdachte [verdachte]. Hij zei dat ze met spoed naar huis moest komen om met hem te praten. Hij zei: “Als je niet komt dan ben je de mijne. Als je niet komt dan zal ik je ook gaan slaan net zoals je die ex [naam] vroeger dat bij jou gedaan heeft”. [aangever 1] voelde zich hierdoor bedreigd en bang. [aangever 1] kwam op 29 januari 2012 omstreeks 19.30 uur thuis aan de [adres] perceel nummer [adres] te Vinkeveen. Verdachte was al in de woning aanwezig. [aangever 1] zei tegen verdachte dat zij klaar met hem was, dat hij de woning uit moest gaan en dat zij klaar was met zijn bedreigingen. Verdachte bleef in een stoel zitten waarna [aangever 1] het alarmnummer 112 heeft gebeld. Verdachte schreeuwde toen tegen haar: “Je bent lefwijf, de politie krijgen me echt niet de boot af, en als ik gepakt word dan kom ik terug en dat moet jij het met de dood verkopen (de rechtbank begrijpt: bekopen)”. [aangever 1] voelde zich door deze woorden angstig en bedreigd. Op het moment dat de politie in de woning aankwam sprak een agent verdachte aan en vroeg hem om mee te gaan. Verdachte weigerde dit en zei: “Nee kom maar op, ik ga niet mee, wie komt er als eerst”. Een agent met een hond zei tegen verdachte dat hij was aangehouden en dat als verdachte niet zou meewerken, hij zijn hond op hem zou moeten inzetten. Vervolgens liep verdachte naar de agenten toe en ging op de agenten inslaan, waarbij hij agenten heeft geraakt. Er vielen agenten op de grond nadat verdachte hen had geslagen. Verdachte pakte de politiehond vast en sloeg de hond op het hoofd .

[verbalisant 5], agent van politie Utrecht, heeft gerelateerd dat hij met collega’s op 29 januari 2012 omstreeks 20.40 uur werd gezonden naar een woning aan de [adres] in Vinkeveen waar [verdachte] aanwezig zou zijn. Op dezelfde datum omstreeks 20.50 uur waren zij ter plaatse. [verbalisant 5] hoorde [aangever 1] verklaren dat verdachte [verdachte] de woning niet wilde verlaten. Hij hoorde dat verdachte haar bedreigd had met de dood. Collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 3] stonden bij verdachte. [verbalisant 5] deelde verdachte mede dat hij verdacht werd en dat hij was aangehouden. Verdachte wilde niet met de politieagenten meegaan. Verdachte zei dat hij zich bij de aanhouding zou gaan verzetten. [verbalisant 5] heeft de meldkamer van de politie Utrecht om versterking gevraagd omdat hij vermoedde dat het met drie man niet zou lukken om verdachte aan te houden.

Vervolgens kwam collega [verbalisant 1], hoofdagent van politie Utrecht, ter plaatse. Verdachte zei tegen [aangever 1]: “Als ik met de politie meega dan ga ik je wat aandoen als ik vrij kom” of woorden van gelijke strekking. Diverse collega’s van [verbalisant 5] zeiden tegen verdachte dat hij moest meegaan omdat hij aangehouden was. Verdachte zei: ”Ik zal mij verzetten, jullie zullen mij aanhouden maar ik zal er sowieso twee van jullie rake klappen geven” of woorden van gelijke strekking. Verdachte stond op en maakte met zijn handen een gebalde vuist. Hij nam een gevechtshouding aan en riep: “Kom maar op, wie wil er als eerst”. Verdachte zei tegen collega [verbalisant 6]: “Wil jij als eerst, kom maar op dan”. [verbalisant 5] hoorde dat een hondengeleider onderweg was en zag dat verdachte weer op de bank ging zitten. Vervolgens kwam collega [verbalisant 2], hoofdagent en hondengeleider van politie Utrecht, ter plaatse. [verbalisant 2] kwam met een politiehond de woning binnen. [verbalisant 2] waarschuwde verdachte om mee te werken omdat er anders geweld op hem zou worden toegepast en de politiehond daarbij ingezet zou worden. Verdachte bleef weigeren medewerking te verlenen. Voorts gaf [verbalisant 2] met zijn lange wapenstok een klap tegen de linker bovenarm van verdachte. Verdachte stapte in de richting van [verbalisant 2] waarna de politiehond in de rechterarm van verdachte beet. Verdachte pakte de politiehond vast en gooide de hond van zich af. Vervolgens liep verdachte op collega’s in. [verbalisant 2] viel op de grond. [verbalisant 1] viel door de aanval van verdachte eveneens op de grond. Verdachte bleef staan en viel [verbalisant 2] aan waarop [verbalisant 5] zijn wapenstok ter hand nam. Verdachte sloeg met zijn handen wild om zich heen .

[verbalisant 6], agent van politie Utrecht, heeft tegen verdachte gezegd dat hij was aangehouden waarop hij verdachte hoorde zeggen: “Ik ga niet mee, als ik ga gaan er twee van jullie mee”. Op een gegeven stond verdachte tegenover [verbalisant 6] in een gevechtshouding. Hij maakte van zijn handen een gebalde vuist en riep: “Ben jij de eerste, kom maar, ik maak je af”. Toen verdachte deze woorden zei had hij een agressieve blik in zijn ogen waardoor [verbalisant 6] zich bedreigd voelde .

Nadat [verbalisant 2] tegen verdachte had gezegd dat hij moest meewerken omdat hij anders geweld zou gebruiken, hoorde hij verdachte zeggen: “Kom maar met die hond”. [verbalisant 2] zag dat verdachte met zijn hand in de richting van een vaas bewoog waarna hij hem met zijn wapenstok heeft geslagen. Vervolgens stapte verdachte op [verbalisant 2] af en begon hem met kracht met zijn vlakke handen te slaan. [verbalisant 2] bracht zijn beide armen voor zijn hoofd om de klappen af te weren. [verbalisant 2] zag en voelde dat verdachte hem raakte. Vervolgens begon de politiehond verdachte in zijn linker bovenarm te bijten. Verdachte pakte de hond bij zijn nek en trok de hond los. Hij gaf de hond met zijn linkervuist een klap en gooide de hond weg. Hierna ging verdachte verder met het slaan van [verbalisant 2] waardoor [verbalisant 2] pijn voelde aan de linkerzijde van zijn gezicht .

[verbalisant 1], hoofdagent van politie Utrecht, zag dat zijn collega’s [verbalisant 3], [verbalisant 6] en [verbalisant 5] verdachte sloegen met hun wapenstok. Verdachte liep op [verbalisant 1] af en gaf hem twee harde duwen waarbij [verbalisant 1] ten val kwam. [verbalisant 1] viel met zijn rechter knie tegen een tafelpoot waardoor hij pijn heeft gevoeld. Door deze val is [verbalisant 1] met zijn linker heup op het hard plastic achterbord van zijn holster terechtgekomen waardoor hij een blauwe plek op zijn heup heeft opgelopen .

Verdachte is overgebracht naar het districtsbureau te Maarssen om verdachte ten spoedigste voor te leiden aan de hulpofficier van justitie.

4.3.2. De bewijsoverwegingen en verweren

Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank verwerpt de stelling van de raadsvrouw, dat geen sprake is van wederspannigheid omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte door de in de tenlastelegging genoemde opsporingsambtenaren werd vastgegrepen of vastgehouden. Het vastgrijpen of vasthouden van een verdachte is geen bestanddeel voor het delict wederspannigheid. De steller van de tenlastelegging heeft deze keuze weliswaar niet expliciet weergegeven in de tenlastelegging. De woorden ‘en vastgegrepen, althans vast had(den)’ hebben echter geen wezenlijke betekenis voor het in de tenlastelegging gemaakte verwijt zodat verdachte niet zal worden veroordeeld voor iets anders dan hem ten laste is gelegd. De rechtbank zal, gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen, niet wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte tijdens zijn aanhouding is vastgegrepen althans is vastgehouden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de blauwe plek op de heup die opsporingsambtenaar [verbalisant 2] heeft opgelopen als gevolg van zijn val nadat verdachte hem heeft geduwd lichamelijk letsel oplevert, zodat de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de bewoordingen “Je bent (een) lefwijf, de politie krijgen me echt niet de boot af” omdat deze woorden geen bedreiging met de dood of zware mishandeling opleveren.

De rechtbank heeft de verklaring van [betrokkene 1], de dochter van [aangever 1], niet voor het bewijs gebruikt en zal daarom het verweer van de raadsvrouw dat de verklaring die [betrokkene 1] heeft afgelegd onbetrouwbaar is, niet nader bespreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 29 januari 2012 te Vinkeveen, toen de aldaar dienstdoenden:

- [verbalisant 2]

- [verbalisant 6]

- [verbalisant 1]

- [verbalisant 3]

- [verbalisant 5]

(allen politieambtenaren)

verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening,

- door opzettelijk dreigend tegen die politiemedewerkers te zeggen dat hij zich zou verzetten en dat hij minstens twee politiemensen mee zou nemen en

- door opzettelijk dreigend een gevechtshouding met gebalde vuisten aan te nemen en daarbij opzettelijk dreigend te zeggen: "Kom maar op, wie wil er eerst!" en "Ben jij de eerste, ik maak je af!" en

- opzettelijk dreigend tegen die [verbalisant 2], hondengeleider, te zeggen: "Kom maar met die hond!" en

- door opzettelijk gewelddadig meermalen op het hoofd van die [verbalisant 2] in te slaan met en

- vervolgens de diensthond bij zijn nek te pakken en een vuistslag te geven en die diensthond vervolgens van zich af te gooien en

- door meermalen opzettelijk gewelddadig tegen het lichaam van die de [verbalisant 1] te duwen waarbij die de [verbalisant 1] ten val kwam,

tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel bekwam, blauwe plek op heup;

2.

op 29 januari 2012 te Vinkeveen [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Als ik gepakt word dan kom ik terug en dat moet jij met de dood bekopen!", althans woorden van gelijke strekking;

3.

op 29 januari 2012 te Vinkeveen opzettelijk heeft mishandeld navolgende politieambtenaren:

- [verbalisant 2]

- [verbalisant 1],

terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door:

- [verbalisant 2] meermalen in het gezicht te slaan;

- [verbalisant 1] op de grond te duwen;

waardoor deze ambtenaren letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat dit feit niet als wederspannigheid kan worden gekwalificeerd. Volgens de raadsvrouw was geen sprake van aanhouding op heterdaad van verdachte wegens bedreiging van [aangever 1] maar van aanhouding buiten heterdaad waarvoor toestemming van een (hulp)officier van justitie vereist was. Deze toestemming is blijkens het dossier niet verleend. De in de tenlastelegging genoemde opsporingsambtenaren waren aldus niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zo stelt de raadsvrouw.

De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Daargelaten dat de argumenten die ter onderbouwing van het verweer zijn aangedragen niet tot ontslag van alle rechtsvervolging kunnen leiden – deze argumenten hebben immers betrekking tot de vraag of bepaalde bestanddelen van de tenlastelegging bewezen kunnen worden - overweegt de rechtbank het volgende. De in de tenlastelegging genoemde opsporingsambtenaren zijn naar aanleiding van een melding naar de woning aan de [adres] in Vinkeveen gegaan. Om 20.40 werden verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 6] en [verbalisant 3] naar voornoemd adres gestuurd, alwaar zij binnen een korte tijd, te weten om 20.50 uur, aankwamen. Ter plaatse troffen zij [aangever 1] en verdachte aan. [verbalisant 5] hoorde [aangever 1] zeggen dat verdachte haar met de dood had bedreigd. Vervolgens hebben de politieambtenaren verdachte aangehouden terzake van bedreiging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op deze feiten en omstandigheden, op heterdaad is aangehouden en dat sprake is geweest van een voortdurende opsporing. De omstandigheid dat op het moment dat de politieambtenaren naar woning werden gezonden, nog niet over een bedreiging was gesproken, maakt dat niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Ingevolge artikel 181 van het Wetboek van Strafrecht levert het lichamelijk letsel dat [verbalisant 1] heeft opgelopen een strafverhogend gevolg van wederspannigheid. Nu deze bepaling in het Wetboek van Strafrecht is ingevoegd om samenloop met gekwalificeerde vormen van mishandeling uit te sluiten, zal de rechtbank het onder 1 bewezen verklaarde feit kwalificeren als wederspannigheid terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft ([verbalisant 1]) en het onder 3 bewezen verklaarde feit als mishandeling terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening ([verbalisant 2]).

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Eendaadse samenloop van:

Feit 1:Wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

en

Feit 3: Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van of gedurendede rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 3: Mishandeling terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van of gedurende de rechtmatig uitoefening van zijn bediening.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Psychiater T.A. Wouter en psychiater in opleiding W.G. Noom hebben op 27 april 2012 gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO gepaard gaand met een beperkt mentaliserend vermogen. Deze factoren waren ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig. Wouter en Noom beschouwen verdachte ten aanzien van feit 2 enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en ten aanzien van de feiten 1 en 3 verminderd toerekeningsvatbaar. Voormelde deskundigen adviseren oplegging van een bijzondere voorwaarde waarbij verdachte zich onder behandeling laat stellen bij de Waag voor agressieregulatieproblematiek binnen een relatie en het omgaan met jaloezie.

De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldgebod en behandeling van verdachte in De Waag of een soortgelijke instelling.

De vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] dienen volgens de officier van justitie te worden toegewezen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de duur van de op te leggen gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast dient verdachte een werkstraf te worden opgelegd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn vrouw. Hiermee heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij haar teweeggebracht. Daarnaast heeft verdachte zich tegen een vijftal politieagenten verzet tijdens zijn aanhouding en een politieagent mishandeld, tengevolge waarvan één van die agenten letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft een politieambtenaar harde klappen op het hoofd en in het gezicht gegeven en een andere politieambtenaar zodanig hardhandig geduwd dat deze hierdoor ten val is gekomen. Met deze buitensporige reactie op zijn aanhouding heeft verdachte op grove wijze het ambtelijk gezag aangetast en inbreuk op de lichamelijk integriteit van de betreffende politieagenten gemaakt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 april 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld, doch niet wegens geweldsdelicten.

Daarnaast houdt de rechtbank bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van feit 2 enigszins verminderd en ten aanzien van de feiten 1 en 3 verminderd toerekeningsvatbaar is, zoals onder 5.2 vermeld.

Tevens neemt de rechtbank bij de strafoplegging in aanmerking een reclasseringsadvies van 8 mei 2012, opgemaakt door D.J. van der Torre, onder meer inhoudende het advies dat verdachte reclasseringstoezicht, een agressieregulatietraining en een training cognitieve vaardigheden wordt opgelegd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden met oplegging van de bijzondere voorwaarden als hiervoor genoemd in het reclasseringsadvies van 8 mei 2012. Aangezien verdachte aanzienlijk fysiek geweld heeft gebruikt tegen politieagenten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest, al dan niet gecombineerd met een werkstraf. Anderzijds kan naar het oordeel van de rechtbank met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [verbalisant 1] vordert een schadevergoeding van € 175,-, vermeerderd met wettelijke rente, voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [verbalisant 2] een schadevergoeding van € 300,-, vermeerderd met wettelijke rente, voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 55, 57, 181, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van:

Feit 1:Wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

en

Feit 3: Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 3: Mishandeling terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar ter zake van de rechtmatig uitoefening van zijn bediening.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als deze inhouden het volgen van een training agressieregulatie en een training cognitieve vaardigheden;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1] van € 175,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1], € 175,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 2] van € 300,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 2], € 300,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 mei 2012.