Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2092

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
16/711508-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat zowel de bivakmuts, de mobiele telefoons, de aantekeningen betreffende de locaties en namen van banken, winkels en juweliers als de gasfles en de computer waarmee op internet is gezocht naar (locaties van) banken, winkels, juweliers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711508-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verblijvende te PI Noord Holland Noord –HvB Zwaag, Zwaag,

De Compagnie 1.

Raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 juni 2011 tot en met 21 december 2011 te Amsterdam en/of Utrecht samen met een ander of anderen voorbereidinghandelingen heeft verricht voor een beroving of afpersing;

Feit 2: in de periode van 29 oktober 2011 tot en met 21 december 2011 te Amsterdam samen met een ander of anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om een ontploffing te weeg te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Feit 3: in de periode van 20 april 2011 tot en met 22 juni 2011 zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van een bestelbus en/of een motorscooter en/of een personenauto en/of kentekenplaten;

Feit 4: een kast en een patroonmagazijn van een veerdrukpistool en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 5: in de periode van 25 mei 2011 tot en met 22 juni 2011 kinderporno in bezit heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] en de medeverdachte de bestelauto Peugeot Boxer met de daarin aangetroffen scooter en de Volkswagen Polo voorhanden hebben gehad. Ook voor de aangetroffen Volkswagen Polo geldt dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om te kunnen vaststellen dat [verdachte] van deze auto gebruik heeft gemaakt.

Voorts voert de verdediging aan dat op basis van de overige onder feit 1 opgesomde voorwerpen niet een concreet misdadig doel kan worden afgeleid, zodat [verdachte] van het onder feit 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat ook voor dit feit geldt dat niet kan worden vastgesteld welk specifiek misdadig doel [verdachte] voor ogen zou hebben gehad en dus ook niet of dit een misdrijf betreft, zoals genoemd in het onder feit 2 tenlastegelegde.

Voor zover dat misdadig doel uit het gebruik van de bij [verdachte] inbeslaggenomen computer zou moeten worden afgeleid voert de verdediging aan dat in het zaaksdossier op pagina 5 ten aanzien van (het gebruik van) de computer expliciet wordt gesteld dat andere personen dan [verdachte] en de medeverdachte gebruik maken van de betreffende internetaansluiting, onder wie [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gebruikte zoektermen door [verdachte] zijn ingevoerd en de daaraan gekoppelde websites door hem zijn bezocht en evenmin dat de chatgesprekken door [verdachte] zijn gevoerd.

Ten aanzien van feit 3 voert de verdediging aan dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] en de medeverdachte de bestelauto Peugeot Boxer met de daarin aangetroffen scooter en de Volkswagen Polo hebben verworven dan wel voorhanden hebben gehad dan wel hebben overgedragen. [verdachte] is immers niet in of nabij de bestelauto Peugeot Boxer waargenomen. Ook voor de aangetroffen Volkswagen Polo geldt dat [verdachte] niet in of nabij deze auto is waargenomen en dat er geen (bruikbare) sporen zijn aangetroffen die zijn te herleiden naar [verdachte]. En hoewel kentekenplaten in de kelderbox van de woning van [verdachte] zijn aangetroffen, wil dat nog niet zeggen dat het ook [verdachte] is geweest die deze kentekenplaten heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat aan de voorwerpen te zien was dat deze van enig misdrijf afkomstig waren. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders op het moment dat zij de voorwerpen verworven of voorhanden hadden redelijkerwijs hadden moeten weten, laat staan dat zij wisten, dat deze van misdrijf afkomstig waren. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 is de verdediging van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat hij zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de kast en patroonmagazijn van een veerdrukpistool en zeven scherpe patronen. [verdachte] was niet de enige bewoner van het pand. Er kwamen altijd mensen over de vloer die ook met grote regelmaat bleven logeren. Ook uit het verslag van binnentreden ter aanhouding van [verdachte] blijkt dat ten tijde van zijn aanhouding naast de medeverdachte nog 5 andere personen in de woning aanwezig waren. Ook was [verdachte] niet de enige persoon die toegang had tot de kelderbox. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Tenslotte verzoekt de verdediging om verdachte ook van feit 5 vrij te spreken. Wat men ook van het filmpje mag vinden, gezien de beschrijving ervan, is het maar zeer de vraag of er gesproken kan worden van het opwekken van een seksuele prikkeling. Dit is een filmpje dat jongeren elkaar toesturen, niet vanwege (het opwekken van) seksuele prikkeling, maar om te lachen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De feiten 1, 2 en 3

Bij zijn beoordeling van de feiten 1, 2 en 3 is de rechtbank uitgegaan van de navolgende uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken en in wettige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden.

4.3.1. De bevindingen van verschillende verbalisanten

Op woensdag 22 juni 2011 omstreeks 19:44 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1], in uniform gekleed en met een collega rijdend in een opvallend surveillancevoertuig, van de regionale meldkamer Utrecht het verzoek te gaan naar de [adres] te Utrecht. Een getuige had gezien dat een blauwe bus voorzien van het kenteken [kenteken] twee geparkeerd staande voertuigen had geraakt en daarna was doorgereden. Toen verbalisant vanaf de [adres] te Utrecht de [adres] te Utrecht in reed zag hij een blauwe bus staan met het kenteken [kenteken]. Hij zag dat de bestuurder van dit voertuig uitstapte, hun richting op keek en weg rende in de richting van de [adres]. Verbalisant riep ‘Stop, politie.’ Collega [verbalisant 5] stapte uit hun surveillancevoertuig en [verbalisant 1] riep hem toe dat hij achter de man aan moest gaan rennen. [verbalisant 1] heeft het surveillancevoertuig daarop achteruit gereden en is via de [adres] naar de [adres] te Utrecht gereden zodat hij parallel aan de verdachte en zijn collega reed. Ondertussen gaf hij via de portofoon door aan de meldkamer dat de bestuurder van de blauwe bus er rennend vandoor was gegaan in de richting van de [adres]. Verbalisant reed richting [adres] maar kon in verband met werkzaamheden de brug niet op rijden Hij zag drie jongens de trappen van de brug op rennen. Hij zag dat de achterste jongen diegene was die hij even tevoren uit de blauwe bus had zien stappen. Hij zag dat de jongens gevolgd werden door zijn collega [verbalisant 5]. Hij zag dat de andere twee jongens donkere jassen droegen en dat in ieder geval een van hen een petje droeg. Hij is de brug op gerend en zag op dat moment enkel nog de jongen die hij herkende als de bestuurder van de blauwe bus. Hij gaf portofonisch door waar hij de bestuurder van het busje zag lopen en dat deze een zwarte jas met een rode capuchon droeg. Hij zag een aantal surveillance-eenheden naderen en wees hen de bestuurder aan, zelf rende hij op dat moment ongeveer 15 meter achter de bestuurder. Hij zag vervolgens dat de bestuurder werd aangehouden door de eveneens ter plaatse gekomen collega [verbalisant 6]. Deze bestuurder bleek later te zijn [betrokkene 5] . [verbalisant 1] zag toen dat collega [verbalisant 5] nabij het kanaal liep. Hij vertelde hem dat hij het zicht op de andere twee verdachten was kwijtgeraakt.

Hij stapte in het (door de bestuurder achtergelaten) busje en zag dat het contactslot ontbrak. Hij zag dat er achter in het voertuig een scooter stond. Het kenteken van de auto bleek als gestolen te boek te staan.

Verbalisant [verbalisant 5] is achter de bestuurder aangerend die uit de hierboven genoemde blauwe bus stapte. Hij zag de jongen bij de [adres] de trap oprennen met nog twee andere jongens. Eén van die jongens droeg een beige pet. Toen verbalisant bij de [adres] aan kwam zag hij twee jongens staan die riepen ‘Over de brug! Eenmaal op de brug zag verbalisant dat de verdachte bestuurder werd aangehouden. Hierop is verbalisant terug gelopen naar de twee jongens en vroeg naar het signalement van de jongens die hij had zien wegrennen. De jongens zeiden dat één een jas met een bontkraag droeg, de andere droeg een pet. Ze vertelden dat de jongens over de [adres] waren gerend in de richting van de [adres] en dat ze langs het kanaal liepen op de [adres]. Hierop heeft verbalisant dit aan de meldkamer doorgegeven.

Op woensdag 22 juni 2011 omstreeks 20.05 uur zagen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dat een verdachte werd aangehouden in de middenberm tussen de [adres] en het [adres] te Utrecht. Zij hoorden portofonisch dat er nog twee verdachten te voet waren ontkomen en over de [adres] in onbekende richting zouden lopen. Het opgegeven signalement luidde: 2 manspersonen, 1 donkere kleding, 1 zwarte jas met bontkraag en beige petje.

Vervolgens zijn zij direct over de [adres] richting het [naam] gereden. Over een afstand van ongeveer 300 meter zagen zij 2 manspersonen lopen in donkere kleding. Toen zij de personen tot op 20 meter naderden, zagen zij dat deze personen voldeden aan het opgegeven signalement. De personen werden staande gehouden en beiden bleken afkomstig uit Amsterdam. Op de vraag van collega [verbalisant 3] waar zij vandaan kwamen, antwoordde de later als verdachte aangehouden [medeverdachte 1]: “Wij gaan de stad in, wij hebben afgesproken met 2 meisjes.” Zij hoorden dat beide personen niet specifiek konden aangeven waar ze hadden afgesproken in de stad. Hierop hebben verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] beide personen als verdachte aangehouden. De aangehouden personen bleken te zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1].

Op 8 juli 2011 reed verbalisant [verbalisant 4] over de [adres] te Utrecht ter hoogte van perceel 132. Dat is in de nabije omgeving van de plek waar de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] waren aangehouden en in de directe omgeving van waar verdachten waren gezien. Ter hoogte van genoemd perceel trof de verbalisant een geparkeerde grijze Volkswagen Polo aan met het kenteken [kenteken]. Hij zag dat de voorwielen in een wegrijdende stand stonden. Het bleek dat het voertuig van diefstal afkomstig en was gestolen in Amsterdam. Het voertuig is veilig gesteld.

4.3.2. Verklaringen van getuigen

Op 22 juni 2011 omstreeks 19.40 uur, is [getuige 3] te Utrecht getuige van een aanrijding door een blauw busje van twee op de [adres] geparkeerde auto’s. Hij ziet één inzittende in het busje, de bestuurder. De bestuurder was aan het keren, ging daarmee verder na de aanrijding en reed vervolgens door.

Omstreeks 20.05 uur ziet de getuige vanaf de [adres], aan de andere kant van het water een tweetal licht getinte jongens lopen op de [adres]. De twee jongens vielen hem meteen op. Hij zag dat de twee jongens zeer nerveus om zich heen keken. Hij belde hierop 112 om dit door te geven. Op dat moment kwam er een motoragent aangereden bij die twee jongens.

Op 22 juni 2011, omstreeks 19.45 uur zag getuige [getuige 1] vanuit het raam van haar woning aan de [adres] te Utrecht het volgende: Zij zag een jongen vanuit de richting van de [adres] over de [adres] in de richting van de [adres] rennen. Deze jongen was gekleed in een rood capuchonvest. Zij zag dat hij de capuchon over zijn hoofd droeg. Dit was de reden dat de jongen haar aandacht trok. De jongen keek, terwijl hij aan het rennen was, over zijn schouder achterom. Zij zag dat achter de jongen twee politieagenten renden. Zij zag dat de jongen naar de [adres] rende. Zij zag toen dat er op de brug nog twee jongens aan het rennen waren. De jongen in het rode capuchonvest rende achter de andere twee jongens aan. Zij renden als clubje verder.

Op 22 juni 2011 ziet getuige [getuige 2] in de avond op de [adres] te Utrecht een blauwe bestelbus geparkeerd staan. Er stond een Marokkaanse jongen bij de bestelbus die in zijn eentje probeerde een scooter in de laadbak van de bus te tillen. De jongen zei dat hij de scooter kwam halen omdat hij kapot was. De scooter zag er gehavend uit. Getuige geloofde de jongen en hielp hem tillen. Toen getuige verder liep zag hij dat er twee Marokkaanse of Turkse jongens aan kwamen lopen. Zij begroetten de jongen bij de bestelbus. Eén van die jongens droeg een licht petje.

4.3.3. vertrouwelijke communicatie

Op 7 juli 2012 is vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1], tijdens hun vervoer naar de rechtbank Utrecht in verband met hun voorlopige hechtenis. Ze zeggen onder meer het volgende tegen elkaar:

A (verdachte): “Ja na die klapper” (ongeluk),

B ([medeverdachte 1]): “Ja zijn we uitgestapt met z’n drieën”. (…).

A: Ik wou splitsen op die

B: Ja

(…)

B: (…) die paniek gast heeft twee auto’s gebotst vriend.

A: Ja hij is lomp

(…)

B: Ik ging alleen met hem mee omdat ik die moetroe (motor/scooter) wou he.

A: Wees blij dat ik tegen jou zei niet niet niet

B: Niet met hem (Skeppoe) in de waggie? (auto)

A: Ja (…) ik zweer het dat zou nog erger zijn.

B: Ik weet, dan zouden ze me, dan zou ik niet kans hebben op vrijspraak.

4.3.4. Reisbewegingen van verdachten

In de fouillering van de verdachten worden diverse mobiele telefoons aangetroffen. In de fouillering van medeverdachte [medeverdachte 1] worden twee mobiele telefoons aangetroffen. Eén mobiele telefoon is terug te brengen op [medeverdachte 1]. Het bij [medeverdachte 1] aangetroffen tweede toestel betreft een Nokia 2230, simkaart [telefoonnummer], imeinummer 35594704075416(3). Uit het uitlezen van de genoemde simkaart bleek het volgende.

In deze telefoon staat een opgeslagen SMS-bericht, ontvangen op 15-06-11 van [telefoonnummer]. Dit nummer is in deze mobiele telefoon opgeslagen onder de naam ‘[naam]’. Het SMS-bericht betreft de uitnodiging van vrienden en vriendinnen van de afzender ter gelegenheid van het feit dat deze de volgende dag een jaartje ouder wordt.

Uit onderzoek blijkt dat verdachte een broer heeft die [naam] heet en die jarig is op [kenteken].

In de telefoon staat voorts een opgeslagen SMS-bericht afkomstig van nummer

[telefoonnummer]. Dit nummer staat opgeslagen in deze mobiele telefoon onder de naam: ‘[naam]’. In de politiesystemen blijkt dat dit nummer op naam staat van [verdachte], [adres] hs te Amsterdam. Deze straat ligt ‘om de hoek’ bij de woning van verdachte. Nu verdachte zwijgt over deze telefoon gaat de rechtbank er op basis van deze bevindingen van uit dat deze Nokia telefoon, hoewel aangetroffen in de fouillering van medeverdachte [medeverdachte 1], toebehoort aan verdachte.

Uit onderzoek van de mobiele telefoons van de verdachten bleek dat de telefoons (lees: de verdachten met elk hun telefoon) op woensdag 22 juni 2011 tussen 17.36 uur en 18.31 uur vanuit Amsterdam naar Utrecht zijn gekomen. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben tijdens die rit veelvuldig telefonisch contact met [betrokkene 5], maar niet met elkaar.

De resultaten uit het onderzoek naar de door de telefoons van verdachten aangestraalde zendmasten rond de tijdstippen 18.30 uur en 18.42 uur op 22 juni 2011 en de resultaten van de het onderzoek naar de onderlinge belcontacten tussen het toestel van [betrokkene 5] enerzijds en de toestellen van [medeverdachte 1]/[verdachte] anderzijds passen in het scenario dat alle drie ongeveer gelijktijdig naar Utrecht zijn gereisd, dat [betrokkene 5] in een ander voertuig reed dan de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en dat laatstgenoemden samen in één voertuig reden tijdens hun reis van hun woonplaats Amsterdam naar Utrecht.

Uit bevraging bij het gemeentelijke reistijdenmeetsysteem Utrecht bleek dat het kenteken [kenteken] (Peugeot Boxer) op 22 juni 2011 om 18.56 uur is geregistreerd op de [adres] te Utrecht, komende vanaf de rijksweg A2.

Het kenteken [kenteken] (Volkswagen Polo) is op 22 juni 2011, op dezelfde locatie geregistreerd, om 18.40 uur.

De resultaten van een vergelijking van de registraties van het kenteken [kenteken] (VW Polo) met de aangestraalde zendmastlokatiegegevens van de telefoons van de verdachten [medeverdachte 1]/ [verdachte] passen in het scenario dat de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] gebruik hebben gemaakt van deze Volkswagen Polo op 22 juni 2011.

4.3.5. Voertuigen blijken van diefstal afkomstig

Bij controle van de blauwe bestelbus bleek dat deze als gestolen gesignaleerd stond.

Tevens bleek dat er in de bestelbus een scooter stond, waarvan de originele kentekenplaten [kenteken] bleken te zijn. Uit onderzoek bleek dat de scooter (merk Peugeot, chassisnr.: VGAS2AB 0000010494) op naam stond van [naam], die verklaarde dat zijn scooter begin mei 2011 uit de gezamenlijke parkeerruimte bij zijn woning was weggenomen.

Op deze scooter zaten valse kentekenplaten, die eveneens van diefstal afkomstig bleken te zijn. De motorfiets was van het merk Peugeot, type Speedfighter. Op de achterzijde bevond zich een verzekeringsplaat in de kleur blauw met daarop het kenteken [kenteken] vermeld. Het chassisnummer betrof VGAS2AB0000010494. Ook de kentekenplaten op de scooter bleken in de gemeente Amsterdam te zijn gestolen.

4.3.6. Modus operandi

De politie Utrecht heeft geconstateerd dat sedert het derde kwartaal van 2010 er een toenemend aantal overvallen op bankinstellingen is geweest in de provincie Utrecht, waarbij veelal gebruik is gemaakt van voertuigen (auto’s en (motor)scooters) welke nadien blijken te zijn weggenomen uit de regio Amsterdam. De modus operandi is dat vooraf aan deze overvallen deze voertuigen worden ‘klaargezet’ en dat de overvallers hier na de overval op vluchten.

4.3.7. Doorzoeking woning en kelderbox [adres] d.d. 23 juni 2011

In de woning van verdachte [verdachte] aan de [adres] te Amsterdam

en de bijbehorende kelderbox zijn op 23 juni 2011 diverse goederen in beslag genomen , waaronder:

- in kamer 2 (slaapkamer): in de onderste la van de kledingkast 7 scherpe patronen (9 MM);

- in kamer 3 (woonkamer): 1 computerkast, merk HP1 computerkast, merk Siemens;

- in kamer 4 (slaapkamer): een Ortel opschrijfboekje met aantekeningen; diverse papieren met aantekeningen. De aangetroffen “diverse papieren met aantekeningen”, hadden betrekking op meerdere objecten en locaties. Deze objecten en locaties betroffen geldinstellingen, winkels en juweliers.

Verder zijn daar in beslag genomen: een computerkast, merk Apple; een pruik, zwart;

- in de kelderbox: diverse papieren met aantekeningen; een kast van een pistool, een kentekenplaat [kenteken]; een kentekenplaat [kenteken].

Tijdens het hierboven reeds genoemde vertrouwelijk opgenomen gesprek op 7 juli 2011 tussen verdachte en medeverdachten wordt onder meer het volgende gezegd, dat betrekking lijkt te hebben op de bij de zoeking aangetroffen goederen:

A (verdachte): “Nee man die papiertje is echt faya man

(…)

B ([medeverdachte 1]): “Wat dan?”

A: Gewoon wat ze hebben gevonden in mijn ossofo

(…)

B: Er zijn ook twee dingen gekaikaid (fon) he?

A: He?

B: die dingen die je heb opgeschreven zijn twee dingen gekaikaid,

A: Ja ik weet

(…)

B: Die is kankerheet

C ([betrokkene 5]): welke

B: wa die pc

C: Van wie?

B: Van [naam]

A: Al m’n hele leven. M’n hele leven staat daarop

B: Z’n hele levensverhaal zit erin

A: Hee hee die pc is…dagboek van mij.

Verder wordt onder meer het volgende gezegd:

B ([medeverdachte 1]): ja maar weet je wat ik ga raggen olah ik ga ziek raggen gi

A (verdachte): Ja

B: Olah pak pak pak pak achter mekaar.

A: Mag ik mee?

B: Ola tuurlijk. Alleen maar…

A: Of ben ik heet?

B: Nee tuurlijk niet we zijn allebei heet nu.

(…)

B: Ik ga je meenemen als we vrij komen ga ik je naar eentje meenemen.

(…)

B: Als ik vrij kom ga ik gelijk een ossootje knakken.

Uit onder meer het bovenstaande fragment heeft bij de politie het vermoeden doen rijzen dat verdachten zich na vrijlating opnieuw schuldig zullen maken aan strafbare feiten. De medeverdachten zijn op 20 juli 2011 door de officier van justitie in vrijheid gesteld. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 29 juli 2011 beëindigd. Het onderzoek naar verdachten is voortgezet en heeft zich gericht op de verdenking van het verrichtten van voorbereidingshandelingen.

4.3.8. Onderzoek motor in kelderbox van [adres] d.d. 21 december 2011

Op 21 december 2011 zijn onder andere de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] (voor de tweede keer) aangehouden. Zij zijn beiden in de woning van [verdachte] aangetroffen. Aldaar is ook een doorzoeking gehouden. Tijdens de daarop volgende doorzoeking in de bij de woning behorende berging is onder meer aangetroffen: een op 3 december 2011 te Amsterdam gestolen motorscooter van het merk Aprilla met kenteken [kenteken] . Verder zijn de volgende goederen in beslaggenomen: een donkerkleurige bivakmuts, aangetroffen in een plastic zak naast de motorscooter, verscheidene papieren, computer, mobiele telefoons.

4.3.9. Doorzoeking woning [adres] 1 d.d. 21 december 2011

Op woensdag 21 december 2011 vond er tevens een doorzoeking plaats in een woning gelegen aan de [adres] 1 te Amsterdam, de woning van de ouders van de medeverdachte [medeverdachte 1]. Er zijn daar diverse mobiele telefoons in beslag genomen.

4.3.10. Inbeslagname mobiele telefoons verdachten

In de mobiele telefoon van het merk Blackberry, type Curve, imei-nummer 355283048513231, inbeslaggenomen bij de verdachte [medeverdachte 1], is een simkaartje aangetroffen en uitgelezen waar géén persoonlijke informatie op staat. In de fouillering van de verdachte [medeverdachte 1] zijn echter 2 losse simkaartjes aangetroffen, waarvan er één, te weten [telefoonnummer], wel persoonlijke informatie bevatte.

4.3.11. Onderzoek in beslag genomen kentekenplaten

De twee kentekenplaten ([kenteken] en [kenteken]) bleken te zijn weggenomen in 2009 van personenauto’s die geparkeerd stonden in Leiderdorp. Hiervan is aangifte gedaan.

4.3.12. MSN-chatgesprek

Op 4 november 2011 tussen de tijdstippen 13:18:26 en 14:10:03 vond over het IP adres [nummer], zijnde het IP adres van de woning van [verdachte], een MSN-chatgesprek plaats tussen [emailadres] en [emailadres]. Uit het MSN chatgesprek bleek dat [verdachte] aan een Nnpersoon ([emailadres]) vraagt of deze Nnpersoon aan [verdachte] een vuurwapen kan leveren. [verdachte] vraagt om een ‘gun’. Nnpersoon biedt een shotgun aan, met een ‘dubbel loop afgezaagt’. [verdachte] vraagt of Nnpersoon geen andere heeft. [verdachte] vraagt of het een ‘9’ of glock’ kan zijn, omdat [verdachte] naar eigen zeggen niet met een shotgun kan werken. Nnpersoon doet de toezegging dat deze persoon het gaat regelen voor [verdachte]. Nnpersoon zegt dat hij contact zal opnemen met [verdachte] via de telefoon.

Op 1 december 2011 omstreeks 00:51 uur vond een gesprek plaats tussen [verdachte] op het nummer [telefoonnummer] en een NNman op het nummer [telefoonnummer]. Een deel van dit gesprek is als volgt gegaan: nnman; donderdag heb je die ding, is garantie [verdachte]; hoe laat

nnman: is garantie, 1 miljoen procent, eh tien uur in de ochtend 11 uur in de ochtend ken je hem bij me halen.

4.3.13. Aantreffen gasfles bij de doorzoeking d.d. 21 december 2011

In de afgesloten berging behorende bij de woning van [adres] te Amsterdam, die door het onderzoeksteam is geopend met een sleutel afkomstig van de sleutelbos van [verdachte], is verder een gasfles aangetroffen.

4.3.14. Sporenonderzoek gasfles

Bovengenoemde inbeslaggenomen gasfles, zijnde een acetyleen gascilinder, is vervolgens overgebracht naar de afdeling Forensische onderzoeken van de politie Utrecht, met het verzoek een nader onderzoek in te stellen naar genoemde cilinder. Het betrof een rode gascilinder, met een lengte van 93 centimeter, met aan de bovenzijde een stikker “Westfalen gassen Nederland BV Deventer” en een stikker met opschrift “Acetyleen”. Verder is het gasventiel verzegeld met een gele dop, wat inhoudt dat de cilinder is gevuld en nog niet is gebruikt. Bij navraag bij de leverancier Westfalen, bleek dat op de gascilinder een zogenaamde “Barcode hoort te zitten, waaraan is af te lezen aan wie de gascilinder is geleverd. Deze “barcode” was niet meer aanwezig. Aan verbalisant is medegedeeld dat door het ontbreken van de “Barcode”, de afnemer niet was te achterhalen. Het is verbalisant ambtshalve bekend dat deze acetyleen gascilinders, samen met zuurstofcilinders, gebruikt worden bij zogenaamde “plofkraken” van geldautomaten.

4.3.15. Raadpleging internet IP adres [nummer]

Het internetgebruik via het IP adres [nummer] is gekenmerkt door het veelvuldig en op diverse manieren zoeken naar en bekijken van informatie met betrekking tot historische criminele activiteiten waaronder inbraken, overvallen, ramkraken en plofkraken. Daarnaast bleek dat de gebruiker(s) van het IP adres [nummer] informatie hebben bekeken danwel verzameld over (onder meer locaties van) juweliers, winkels, casino’s, autoverkopers en veilinglocaties die niet gekoppeld zijn aan historische overvallen of inbraken.

In de periode van 31 oktober 2011 tot en met 28 november 2011 is de datacommunicatie over adres [nummer], wat de IP-aansluiting is van het GBA adres van [verdachte] op de [adres]III te Amsterdam, opgenomen, afgeluisterd en/of kennis van genomen.

Uit de opgenomen communicatie die is afgeluisterd en/of waarvan kennis is genomen, is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 1] gebruik hebben gemaakt van de IP-verbinding [nummer].

Uit de opgenomen communicatie, die is afgeluisterd en/of waarvan kennis is genomen, is gebleken dat op de computer van [verdachte] nieuwsberichten en aanverwante berichten met betrekking tot gepleegde plofkraken zijn opgezocht en bekeken, actief is gezocht naar advertenties c.q. advertenties zijn bekeken van te koop aangeboden gasflessen, locaties van banken/pinautomaten zijn opgezocht en bekeken.

Op 13 november 2011 is tussen 14:58:07 en 15:04:06 drie maal de website www.tjoeten.be bekeken. Op voornoemde website zijn de artikelen “plofkraak pinautomaat in Limburg” (1 maal) en “Plof- en ramkraak bij verschillende filialen Rabobank”(2 maal) bekeken. [verbalisant 1] zag dat [medeverdachte 1] tijdens deze bezoeken was ingelogd op MSN en diverse chatgesprekken voerde over de IP verbinding [nummer].

Tussen 2 november 2011 en 23 november 2011 is er door de gebruiker van het IP-adres [nummer] meerdere malen op internet gezocht naar opvallende termen en onderwerpen. Op 69 momenten dat er gezocht is naar onderwerpen als ram- en plofkraken, juweliers, overvallen (waaronder een overval al op een juwelier te Enschede op 27 oktober 2011) en inbraken, zag verbalisant dat als gebruiker op de MSN chat [medeverdachte 1] was ingelogd onder één van de emailadressen die hij in gebruik had.

Op donderdag 17 november 2011 is tussen 16:43:55 uur en 16:55:33 uur de website http://www.politie.ni/noord en oost gelderland / nieuws /111117 hoenderloo na mislukte plofkraak explosief aangetroffen.asp bekeken. Hier is het artikel “na mislukte plofkraak explosief aangetroffen” bekeken. Het betreft een artikel dat verhaalt over een plofkraak die is mislukt en waarbij mogelijk een explosief is aangetroffen. Uit onderzoek naar de communicatie over de IP-verbinding is gebleken dat tussen voornoemde tijdstippen [medeverdachte 1] was ingelogd (middels het emailadres [emailadres] dat bij hem in gebruik is) op een chat-applicatie. Op diezelfde dag, tussen 16:33:22 uur en 16:43:55 uur gebruikte [verdachte] middels zijn emailadres [emailadres] een chatapplicatie over dezelfde IP-verbinding. Op basis van deze bevinding is het aannemelijk dat [medeverdachte 1] en [verdachte] het artikel “na mislukte plofkraak explosief aangetroffen” hebben bekeken.

Op 20 november 2011 is tussen 20:45:54 uur en 20:55:55 uur een blok ruwe data opgenomen met communicatie over de IP-verbinding [nummer]. Verbalisant [verbalisant 7] zag dat er tussen genoemde tijdstippen meerdere malen de website

www.marktplaats.nl is bekeken. [verbalisant 1] zag dat er zes pagina’s van marktplaats zijn bekeken met als zoekvraag: “co2 gasfles”. Hij zag dat van deze zes pagina’s er drie stuks advertenties waren. Hij zag dat de gasflessen die zijn bekeken een inhoud hadden tussen de 5 en 20 liter. Tevens zag hij dat er in het voornoemde blok geïntercepteerde data een chatgesprek zat. Hij zag dat dit chatgesprek is gevoerd door [verdachte], die daarbij gebruik maakte van zijn accountnaam [emailadres]. Op basis van deze bevinding is het aannemelijk dat [verdachte] de zoekopdrachten op marktplaats heeft uitgevoerd, en de advertenties van gasflessen heeft bekeken. Tevens zag verbalisant dat er in het blok data, die zijn opgenomen tussen 20:55:55 uur en 21:55:54 uur, meerdere chatgesprekken zaten. [verbalisant 1] zag dat er meerdere gesprekken zijn gevoerd met verschillende accounts. Hij zag dat onder andere [verdachte] was ingelogd op de chatfunctie met de bij hem in gebruik zijnde gebruikersnamen ([emailadres]; [emailadres]).

Op 9 november 2011 zijn middels de IP verbinding [nummer] diverse zoekopdrachten uitgevoerd op de website www.maps.google.nl. [verbalisant 1] zag dat er op google maps als zoektermen zijn ingevoerd: ‘Abn Amro Bank’, ‘Sns Bank’en ‘GWK’. Hij zag dat er naar lengte- en breedtegraden is gekeken op kaarten van googlemaps, verkregen met bovengenoemde zoektermen, die corresponderen met locaties in of in de buurt van Almelo, Drachten (‘Abn Amro Bank’) en Zeewolde (‘SNS bank’ en ‘GWK’).

4.3.16. Telefoongesprek over een “bottel”

Uit de opgenomen telecommunicatie op het Imei nummer [nummer] bleek dat [verdachte] op 29 oktober 2011 omstreeks 00:55 uur een gesprek heeft gevoerd met een NNpersoon. Het deels versluierde gesprek ging over een ‘bottel’. [verdachte] zei dat hij de bottel van NNman wilde ontvangen. Uit het gesprek bleek dat [verdachte] de ‘bottel’ wilde ontvangen zodat [verdachte] die kon laten zien als ‘bewijs’, omdat een derde persoon ‘dat gaat willen’. Tot heden is onbekend gebleven wie de NNman is van wie [verdachte] de bottel wilde verkrijgen en wie de NNman is aan wie [verdachte] de bottel kennelijk als ’bewijs’ wilde tonen.

4.3.17. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1 en 2

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bovenstaande feiten en omstandigheden impliceren dat sprake is van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor beantwoording van deze vraag is doorslaggevend of de onderhavige voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Daarbij kan, naar mede volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 46 Sr, niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat een verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen heeft.

De rechtbank overweegt dat zowel de bivakmuts, de mobiele telefoons, de aantekeningen betreffende de locaties en namen van banken, winkels en juweliers als de gasfles en de computer waarmee op internet is gezocht naar (locaties van) banken, winkels, juweliers en informatie over het plegen van plofkraken, als de (gestolen) vervoermiddelen tezamen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, bestemd waren voor het plegen van een diefstal met geweld in vereniging en/of een afpersing in vereniging en om een ontploffing teweeg te brengen.

Uit genoemde bewijsmiddelen is gebleken dat de drie verdachten gezamenlijk met een gestolen bestelbusje en met een gestolen auto van Amsterdam naar Utrecht zijn gereden en dat een medeverdachte een gestolen scooter met valse kentekenplaten in de bestelbus heeft geplaatst. Dit is een bij gewapende overvallen vaak gebruikte modus operandi.

De omstandigheid dat een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, kan op zichzelf niet bijdragen aan het bewijs. Wel kan de rechter het zwijgen in zijn bewijsoverwegingen betrekken, indien de verdachte aangaande een voor hem bezwarende voor het bewijs redengevende omstandigheid geen redelijke verklaring heeft, welke die redengevendheid ontzenuwt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden redengevende feiten en omstandigheden zijn voor het bewijs dat verdachte de genoemde voorbereidingen voor een overval c.q. afpersing en plofkraak heeft gepleegd. Deze feiten en omstandigheden schreeuwen dus om een nadere uitleg door verdachte. Die heeft verdachte echter niet willen geven.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de combinatie en onderlinge samenhang van de aangetroffen voorwerpen en de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden alsmede gelet op het feit dat verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht terwijl deze belastende feiten en omstandigheden vragen om een uitleg, is komen vast te staan dat verdachte en medeverdachten kennelijk de intentie hadden om een derde geld afhandig te maken en daarbij geweld te gebruiken, mede gezien het feit dat bij verdachte [verdachte] bij de doorzoeking in de woning een onderdeel van een vuurwapen en munitie is aangetroffen en uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij nog een vuurwapen heeft besteld.

De rechtbank stelt vast dat uit de opgenomen communicatie die is afgeluisterd en/of waarvan kennis is genomen, is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de IP-verbinding [nummer] waaruit is gebleken dat ook hij nieuwsberichten en aanverwante berichten met betrekking tot gepleegde plofkraken heeft opgezocht en bekeken. Verdachte heeft actief gezocht naar advertenties c.q. heeft advertenties bekeken van te koop aangeboden gasflessen, en heeft locaties van banken/pinautomaten opgezocht en bekeken. Dit was kennelijk met als doel om informatie in te winnen voor het uitvoeren van een overval/ afpersing en om een plofkraak teweeg te brengen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat er sprake van medeplegen van een strafbare voorbereiding, zoals ten laste gelegd onder 1 en 2. Dat de verdachten mogelijk nog niet concreet besloten hadden wanneer zij het strafbare feit zouden plegen en wie daarvan het slachtoffer zou worden, maakt dat niet anders.

4.3.18. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3

De rechtbank overweegt dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen kan worden verklaard dat verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan opzetheling. Gezien de hierboven genoemde omstandigheden waaronder verdachten met de gestolen goederen zijn aangetroffen (een gestolen scooter voorzien van gestolen kentekenplaten, geplaatst in de gestolen bestelbus samen met de gestolen VW Polo, het frequente telefonische contact tussen [betrokkene 5] die reed in de gestolen Peugeot Boxer en verdachte en [medeverdachte 1] die reden in de gestolen VW Polo en het vluchtgedrag nadat de politie ter plaatse is gekomen) is het evident dat verdachten wisten dat de goederen van diefstal afkomstig waren. De verdachten zwijgen echter en geven geen verklaring voor het bezit van deze gestolen goederen en de verdachte omstandigheden waaronder deze bij hen zijn aangetroffen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten zich in de periode van 20 april 2001 tot en met 22 juni 2011 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde goederen.

4.3.4. De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen wat betreft feit 4

4.3.4.1. Doorzoeking woning verdachte [verdachte]

Op 23 juni 2011 is een doorzoeking ter inbeslagneming verricht in de woning gelegen aan de [adres] lll-hoog te Amsterdam. In de woning zijn diverse goederen in beslag genomen, waaronder 7 scherpe patronen (9 mm munitie) en een kolf van een handvuurwapen.

In beslag genomen goederen kamer 2 (slaapkamer): in de onderste la van de kledingkast zijn 7 scherpe patronen (9 mm) aangetroffen;

In beslag genomen goederen kelderbox: een kast van een pistool.

De kolf van het handvuurwapen bleek een kast en een patroonmagazijn hetgeen als compleet voorwerp qua werking wordt omschreven als een veerdrukpistool.

4.3.4.2. Bevindingen forensische opsporing

Naar aanleiding van de, in verband met de Wet wapens en munitie, aangetroffen voorwerpen is door verbalisanten een nader onderzoek aan deze voorwerpen ingesteld.

De hierboven vermelde kast en patroonmagazijn, kaliber 6mm, zijn elk een wezenlijk onderdeel van een voorwerp in de vorm van een pistool. Het complete voorwerp kan qua werking worden omschreven als een veerdrukpistool dat voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis zou vertonen met echt bestaande vuurwapens wat voor be- en afdreiging geschikt is. Gelet op het gestelde in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie zijn de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Derhalve is de bepaling van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, op deze onderdelen van toepassing.

Bovengenoemde patronen zijn 7 scherpe patronen van het kaliber 9mm. Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet of artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.

4.3.4.3. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 4

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit. Het verweer dat de goederen ook van iemand anders kunnen zijn nu meerdere personen van de woning gebruik maken is in dit verband te algemeen.

4.3.5. De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen wat betreft feit 5

4.3.5.1. Bevindingen zedenrechercheur

Door een senior thematisch rechercheur, coördinator kinderporno van de Divisie Recherche afdeling zeden is een videobestand bekeken. Dit bestand is aangetroffen op de bovengenoemde in beslag genomen Blackberry van de verdachte met de bestandsnaam [bestandsnaam].mp4 . Ditzelfde bestand is ook aangetroffen op de bij de doorzoeking inbeslaggenomen computer HP Pavilion pc van de verdachte onder de naam “[bestandsnaam].mp4” .

Toen hij dit bestand opende zag hij dat een jongetje, van ongeveer 2 à 4 jaar oud, seksuele handelingen verrichtte bij een vrouw.

Het jongentje maakte met zijn onderlichaam heen en weer gaande bewegingen tegen de vagina van de vrouw. Hij imiteerde geslachtsgemeenschap. (…) Hij ging direct verder met zijn onderlichaam tegen de billen en vagina van de vrouw heen en weer te bewegen. (…) De film is door hem als kinderpornografisch geclassificeerd.

4.3.5.2. Bewijsoverweging feit 5

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde feit. Namens de verdediging is weliswaar gesteld dat het betreffende filmpje door jongeren naar elkaar wordt toegestuurd om te lachen en niet om een seksuele prikkeling op te wekken. Dit doet aan het pornografische karakter daarvan echter gaan afbreuk aangezien het filmpje gezien de inhoud daarvan daarvoor in zijn algemeenheid wel geschikt en kennelijk ook bedoeld is.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op meerdere momenten in de periode van 01 juni 2011 tot en met 21 december 2011 te Amsterdam en Utrecht, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven diefstal met

geweld of bedreiging met geweld in vereniging (artikel 312 WvSr.) of afpersing

in vereniging (artikel 317 WvSr), met zijn mededader(s) opzettelijk

- een (van diefstal afkomstige) bestelauto (Peugeot Boxer) en

- een (van diefstal afkomstige) auto (Volkswagen Polo) en

- een of meer (van diefstal afkomstige) scooter(s), en

- (een) gestolen kentekenplaat/kentekenplaten ([kenteken] en [kenteken]),

- een bivakmuts, en

- meer mobiele telefoons, en

- papieren met aantekeningen betreffende (locaties en namen van)

banken, winkels en juweliers, en

- een computer, waarmee op internet gezocht is naar (locaties van) banken,

winkels en juweliers

bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven,

voorhanden heeft/hebben gehad;

2.

hij op meerdere momenten in de periode van 29 oktober 2011

tot en met 21 december 2011 te Amsterdam, (telkens) tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk

een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen

te duchten was (art. 157 WvSr.), opzettelijk

- een gasfles (gevuld met acetyleen), en

- een computer waarmee gezocht is naar informatie over (het plegen van)

plofkraken,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

3.

(parketnummer 600619-11)

hij op meerdere momenten in de periode van 20 april 2011

tot en met 22 juni 2011 te Utrecht en in Amsterdam,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

- een bestelbus (merk Peugeot Boxer, kleur blauw, kenteken [kenteken]), en

- een motorscooter (merk Peugeot type S2A, chassisnr. VGAS22AAb00), en

- een personenauto (merk VW Polo, kenteken [kenteken]), en

- kentekenplaten ([kenteken], [kenteken], [kenteken])

voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die bestelbus en motorscooter en personenauto

en kentekenplaten wisten, dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

4.

hij op 22 juni 2011 te Amsterdam, een onderdeel van een wapen van categorie I sub 7, te weten een kast en patroonmagazijn van een veerdrukpistool, en munitie van categorie III, te weten 7 scherpe patronen (kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

5.

hij in de periode van 25 mei 2011 tot en met 22 juni 2011 te Amsterdam, afbeeldingen, te weten videobestanden met de naam [bestandsnaam.mp4 en [bestandsnaam].mp4 en een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten een geheugenkaart (micro SD) uit een mobiele telefoon (Blackberry Bold) en een computer (HP Pavilion), bij welke vorenbedoelde afbeeldingen een persoon die kennelijk de

leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, in bezit heeft gehad, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer): het imiteren van geslachtsgemeenschap tussen een volwassen vrouw en een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2: medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 3: medeplegen van opzetheling;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III;

Feit 5: een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, bezitten.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het voorbereiden van een diefstal met geweld dan wel afpersing in vereniging en aan medeplegen van het voorbereiden van een plofkraak. Dit soort feiten veroorzaken grote schade en, afhankelijk van de locatie, kunnen letsel en schrik bij personen veroorzaken. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan toen hij samen met zijn mededaders het plan opvatte om voornoemde strafbare feiten te gaan plegen en hiertoe ook voorbereidingen ging treffen. Verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent verdachte zijn betrokkenheid hierbij zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een onderdeel van een wapen en van munitie en aan het in bezit hebben van kinderpornografie.

De rechtbank overweegt dat het bezit van kinderporno buitengewoon verwerpelijk is, met name omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte houdt door zijn handelen dergelijk misbruik in stand en wakkert het aan. Verdachte heeft hierbij kennelijk nimmer stilgestaan maar beschouwt het filmpje als een grap. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen en verspreiden, maar zeker ook degenen die kinderporno bezitten. De rechtbank heeft acht geslagen op het feit dat het filmpje een imitatie van seksuele gemeenschap betreft waarbij de vrouw geen ontbloot geslachtsdeel had.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is gezien de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 mei 2012 eerder voor vermogensdelicten tot onder meer een vrijheidsstraf is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een door mevrouw A.M. Schüle, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland op 15 september 2011 retour gezonden rapportageverzoek wegens het niet willen meewerken van verdachte bij het opstellen van een reclasseringsadvies.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een voltooide overval van een winkel wordt in voormelde oriëntatiepunten minimaal een gevangenisstraf van 2 jaren onvoorwaardelijk gehanteerd. Hier is naast medeplegen van voorbereiding van een diefstal met geweld c.q. afpersing in vereniging tevens sprake van medeplegen van een voorbereidingshandeling van een plofkraak. Artikel 46, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij voorbereiding het maximum van de hoofdstraf met de helft wordt verminderd. Deze bepaling heeft de rechtbank betrokken bij de toepassing van voormeld LOVS-oriëntatiepunt. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden passend en geboden moet worden geacht.

7. Het beslag

7.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2. De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7.3. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [naam], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbenden kan worden aangemerkt.

7.4. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen c.q.

het feit is begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

7.5. De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 46, 47, 57, 157, 240b, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2: medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 3: medeplegen van opzetheling;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III;

Feit 5:een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, bezitten.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 1, 2, 3A, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 14 t/m 29, 34, 35, 37, 38, 41, 45, 46;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen sleutel VW afstandsbediening 410516 (nummer 11 op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst);

- gelast de teruggave aan rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 3B (bestelauto Peugeot Boxer, kenteken [kenteken]);

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 13, 30, 31, 32, 33, 36, 39, 42, 43, 44, 47;

- verklaart verbeurd het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd: 40.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbey en M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 juni 2012.

Mr. Corbey is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.