Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2071

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
16/655419-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezit wapens en munitie. Laag recidiverisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655419-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[woonplaats].

Raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van de verdachte, de doorzoeking van de woning van de verdachte en de uitkomsten van het forensische onderzoek.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen bewijsverweer.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Aangezien verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- het proces-verbaal sporenonderzoek in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 30 tot en met 37 van het proces-verbaal nr. PL0940/2012 0343848A van politie Utrecht, district Eemland-Zuid;

- het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 38 tot en met 100 van het voornoemde proces-verbaal;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2012.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 februari 2012 te Amersfoort,

* vuurwapens van categorie II, te weten

- een pistoolmitrailleur (model Sten) en meerdere onderdelen van een pistoolmitrailleur en

- twee machinegeweren en meerdere onderdelen van machinegeweren

- een kast en een cilinder en een trekker, onderdelen van een revolver (merk onbekend en model Buldog en kaliber 8mm en voorzien van het wapennummer 17), welke revolver in originele staat een wapen van categorie III zou zijn geweest

en

* vuurwapens van categorie III, te weten

- een pistool (merk Melior en kaliber 6,35mm Browning) en

- een pistool (merk Steyr (Steyr-Hahn) en kaliber 9mm) en

- een pistool (merk Mauser en kaliber 7,63mm) en

- een revolver (merk Smith & Wesson en kaliber .38) en

- een pistool (merk onbekend en model Luger P08 en kaliber 9mm Para)

en

- een pistool (merk Walther en kaliber 6,35mm) en

- een pistool (merk onbekend en model Walther P38 en kaliber 9mm) en

- een geweer (merk onbekend en model Mauser K98b en kaliber 8x57mm en

voorzien van het wapennummer 8570)

en

* munitie van categorie III, te weten

- 291, althans meer scherpe patronen

voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met vuurwapens van categorie II en vuurwapens en munitie van categorie III;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van het voorarrest en een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen voorlopige hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de eis passend is gelet op het tenlastegelegde feit en de persoon van de verdachte. Er is geen gevaar voor recidive, noch vormt verdachte een gevaar voor de maatschappij.

Voorts verzoekt de verdediging opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft uit belangstelling voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog een grote verzameling wapens en munitie vergaard en deze – zonder dat de wapens onklaar zijn gemaakt – in zijn woning uitgestald. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit. Het ongecontroleerde bezit hiervan is in strijd met de wet en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tevens levert het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen en goederen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 8 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de rapporten van drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, en drs. F.C.P. Zuidhof, forensisch GZ-psycholoog. Uit het rapport van drs. Gerritsen volgt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van alcoholafhankelijkheid in remissie, een algemene angststoornis, recidiverende depressies in engere zin en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en afhankelijke trekken. Zowel drs. Gerritsen als drs. Zuidhof concludeert dat er geen relatie is tussen de ziekelijke stoornis van verdachte en het hem tenlastegelegde. Beiden achten reclasseringstoezicht niet nodig gelet op het lage recidiverisico en wijzen op het belang van voortzetting van de contacten tussen verdachte en het hulpverleningsnetwerk dat reeds voor het onderhavige delict rondom hem was opgezet. De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en maakt deze tot de hare.

Ter zitting is de rechtbank gebleken dat verdachte de verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en gemotiveerd is om de structuur terug in zijn dagelijks leven te brengen. Dit met behulp van de hulpverlening waar hij reeds een aantal jaren gebruik van maakt. De rechtbank acht het van belang dat de hulpverlening in zicht blijft.

Alles afwegende, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats. De rechtbank wil met de voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde feit tot uitdrukking brengen en anderzijds bewerkstelligen dat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met vuurwapens van categorie II en vuurwapens en munitie van categorie III ;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juni 2012.

Mr. P.P.C.M. Waarts is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.