Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1621

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
16/700042-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplichtigheid woningoveral. Vrijspraak medeplegen/medeplichtigheid diefstal en (poging tot) inbraak. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens medeplichtigheid aan een inbraak tot één maand gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700042-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

wonende te [adres],

[woonplaats],

raadsman mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1, primair: samen met een ander of anderen met geweld en/of bedreiging met geweld goederen uit een woning heeft weggenomen en/of [slachtoffer 1] heeft afgeperst;

feit 1, subsidiair: medeplichtig is geweest aan het met geweld en/of bedreiging met geweld wegnemen van goederen uit een woning en/of medeplichtig is geweest aan afpersing van [slachtoffer 1];

feit 2: samen met een ander of anderen goederen heeft gestolen;

feit 3, primair: samen met een ander of anderen door middel van braak en/of verbreking goederen heeft gestolen;

feit 3, subsidiair: medeplichtig is geweest aan diefstal van goederen door middel van braak en/of verbreking;

feit 4, primair: heeft geprobeerd samen met een ander of anderen goederen en/of geld te stelen door middel van braak/verbreking/inklimming.

feit 4, subsidiair: medeplichtig is geweest aan een poging tot diefstal van goederen en/of geld door middel van braak/verbreking/inklimming.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

- medeplichtigheid bij diefstal van [slachtoffer 1] in diens woning op 2-3 december 2011 te Amersfoort gepleegd door medeverdachte [medeverdachte], bestaande uit het klaarstaan met een auto in de omgeving van deze woning en het ophalen van deze [medeverdachte];

- het medeplegen van een winkeldiefstal waarbij dameskleding en een portemonnee (ter waarde van in totaal € 487,85) is weggenomen bij V&D op 21 april 2011 te Amsterdam;

- medeplichtigheid bij een diefstal van muziekinstrumenten en geluidsapparatuur van een GGZ-instelling door middel van braak/verbreking van ruit(en) en een tussendeur op 17 november 2011 te [woonplaats] gepleegd door medeverdachte [medeverdachte], bestaande uit het klaarstaan met een auto in de omgeving van deze instelling en het ophalen van deze [medeverdachte];

- medeplichtigheid bij een poging tot diefstal van goederen/geld van een GGZ-instelling door middel van braak/verbreking van deuren, ruit(en), openbreken van een kassalade en het uitdraaien van stoppen/trachtten alarm uit te schakelen op 11 november 2011 te Ermelo gepleegd door medeverdachte [medeverdachte], bestaande uit het klaarstaan met een auto in de omgeving van deze instelling en het ophalen van deze [medeverdachte].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de tenlastegelegde feiten. De verdediging verzoekt verdachte vrij integraal te spreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

Op grond van de stukken in het dossier en het ter terechtzitting behandelde stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] verdachte in de late avond van 2 december 2011 belt met het verzoek om hem op te halen uit Amersfoort. Verdachte geeft gehoor aan dit verzoek en rijdt in de nacht van 2 op 3 december 2011 van Purmerend naar Amersfoort om hem op te halen. Nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte daarnaast ook op andere wijze betrokken is geweest bij het onder 1 ten laste gelegde feit, is de rechtbank van oordeel dat van een nauwe of bewuste samenwerking hoe dan ook geen sprake is. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit. Ter beoordeling staat nog slechts of haar betrokkenheid moet worden gekwalificeerd als medeplichtigheid. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

Verdachte zegt niet te hebben geweten wat [medeverdachte] in Amersfoort deed. Verdachte verklaart dat de verhouding tussen hen zo was dat hij haar ongeacht het tijdstip belde met het verzoek hem op te halen en dat zij dan gehoor moest geven aan deze oproepen.

Deze mate van ongelijkheid in de relatie tussen verdachte en [medeverdachte] blijkt ook uit stukken in het dossier. De rechtbank acht deze verklaring dan ook niet onaannemelijk.

Uit de stukken is niet gebleken dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [medeverdachte] in de nacht van 2 op 3 december 2011 een misdrijf ging plegen en dat zij door hem met de auto op te halen een middel verschafte om hem van de plek van het misdrijf te vervoeren. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte niet wist dat zij daarmee hulpvaardig was bij het uitvoeren van een misdrijf, zodat van medeplichtigheid evenmin sprake is. Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank verdachte integraal vrijspreken van feit 1.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank stelt aan de hand van de aangifte van [aangever 1] vast dat verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] paskamers verlaten zonder kleding en dat verdachte een tas draagt die – naar de uiterlijke verschijningsvorm – inhoud bevat. Beide personen verlaten de winkel zonder goederen bij de kassa af te rekenen. Verdachte en haar medeverdachte worden vervolgens aangehouden.

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er op het moment van aanhouding een redelijk vermoeden van schuld aan een winkeldiefstal bestond. De enkele omstandigheid dat iemand een winkel verlaat met een – naar het zich laat aanzien – volle tas, is onvoldoende voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Uit niets blijkt (bijvoorbeeld) dat de tas leeg was voordat verdachte en haar medeverdachte de winkel in kwamen. De rechtbank is van oordeel dat er in casu sprake was van een onrechtmatige aanhouding. Nu dit een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering betreft en verdachte daardoor in haar belang is geschaad, mogen de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Dientengevolge kunnen de verklaringen van verdachte en haar medeverdachte evenals de bij hen aangetroffen goederen niet tot het bewijs worden gebezigd. Dit heeft tot gevolg dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, wat maakt dat de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken.

Vrijspraak feit 3, primair

Er is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs om een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] aan te nemen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde onder 3.

Feit 3, subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 heeft begaan en overweegt daartoe op grond van het volgende.

Op 18 november 2011 doet [aangever 2] aangifte van een inbraak bij paviljoen de [naam] van de GGZ aan de [adres] te [woonplaats]. Bij deze inbraak is weggenomen: een keyboard, gitaren, een versterker van het merk Beringer type Pmh 1000, een minidisc, vier microfoons van het merk Shure en een kleine gitaar/zangversterker.

De politie stelt vast dat de inbreker zich de toegang tot het pand heeft verschaft door de kierstandhouder van een openstaand raam te vernielen en vervolgens via dit raam het pand binnen te klimmen. Vervolgens is de ruit van de afgesloten deur van de muziektherapie ruimte vernield.

De politie komt verdachte op het spoor via een ander onderzoek, te weten de overval op [slachtoffer 1] zoals tenlastegelegd onder feit 1. In het kader van dat onderzoek wordt de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. Bij deze doorzoeking treft de politie een GSM telefoon aan van het merk Nokia met imeinummer [nummer], waarvan de historische gegevens worden onderzocht. Uit onderzoek blijkt dat dit imeinummer werd gebruikt vanaf 4 november tot en met 28 november 2011 in combinatie met telefoonnummer [telefoonnummer]. Dit telefoonnummer heeft in de voornoemde periode contacten met de telefoonnummers van verdachte, [A] (de moeder van medeverdachte [medeverdachte]), [B] en met de Stichting [stichting] (de instelling waar verdachte werkt). Op 17 november 2011 verplaatst de gebruiker van de telefoon waaraan voornoemd imeinummer is gekoppeld zich van Purmerend naar Ermelo. In de nacht van 17 op 18 november 2011 worden vanaf 22:39 uur tot en met 02:02 uur telefoonmasten aangestraald in Ermelo. Gelet op het gegeven dat voornoemde telefoon wordt aangetroffen in de woning van verdachte, zijnde de vriendin van [medeverdachte], en de contacten alle gelinkt kunnen worden aan [medeverdachte], houdt de rechtbank het erop dat [medeverdachte] de gebruiker van dit telefoonnummer is.

In het onderzoek naar de overval wordt een computer uit de woning van verdachte, waar [medeverdachte] vaak verblijft, onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat er op www.google.nl via de kaartfunctie is gezocht naar de plaats Ermelo in combinatie met het trefwoord politie. Uit het onderzoek blijkt voorts dat op 18 november 2011 tussen 03:54 uur en 07:04 uur op www.marktplaats.nl, www.google.nl en www.[naam].nl is gezocht naar verschillende muziekinstrumenten, waaronder keyboards en meerdere gitaren. Ook is er verschillende malen gekeken en gezocht op internetpagina’s naar een gitaarversterker.

Op 18 november 2011 heeft [verdachte] om 00:03 uur met de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] getankt bij tankstation De Vanenburg te Putten. Dit blijkt uit een schuldbekentenis die zij heeft ingevuld bij het tankstation, omdat zij op dat moment de benzine niet kon betalen. Ter zitting verklaart verdachte dat dit haar auto is en dat zij twee keer in Ermelo is geweest om [medeverdachte] op te halen. Eenmaal had hij spullen bij zich. Hij had haar gezegd ergens bij de bosjes in de buurt van het station op hem te wachten. Voorts verklaart verdachte dat zij heeft gezien dat [medeverdachte] die avond muziekinstrumenten in de auto laadde. Om alles mee te krijgen moest hij een aantal keren heen en weer lopen. Het duurde ongeveer 10 tot 15 minuten om alles in de auto te leggen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte [medeverdachte] in de nacht van 17 op 18 november 2011 na de door hem gepleegde inbraak heeft opgehaald uit Ermelo. Ter plaatste aangekomen ziet zij hem een aantal muziekinstrumenten in haar auto laden. Ze ziet dat [medeverdachte] een aantal keren heen en weer moest lopen om alle muziekinstrumenten naar de auto te dragen en de tijd die hij daarvoor nodig heeft. Vorenstaande omstandigheden in ogenschouw genomen had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat [medeverdachte] deze instrumenten had verkregen door middel van diefstal. Door [medeverdachte] op te halen en hem met de gestolen voorwerpen in haar auto mee te nemen, heeft verdachte niet alleen opzet gehad op haar eigen bijdrage, maar ook op het plegen van het misdrijf. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij de diefstal door middel van braak gepleegd door [medeverdachte].

Vrijspraak feit 4

Uit het dossier en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard kan worden opgemaakt dat verdachte ook op 11 november 2011 [medeverdachte] heeft opgehaald uit Ermelo.

Nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte daarnaast ook op andere wijze betrokken is geweest bij het onder 4 ten laste gelegde feit, is de rechtbank van oordeel dat van een nauwe of bewuste samenwerking hoe dan ook geen sprake is. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit. Ter beoordeling staat nog slechts of haar betrokkenheid moet worden gekwalificeerd als medeplichtigheid. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

Verdachte zegt niet te hebben geweten wat [medeverdachte] op dat moment in Ermelo deed. Gelet op de verklaring van verdachte dat de verhouding tussen hen zo was dat hij haar ongeacht het tijdstip belde met het verzoek hem op te halen en de mate van ongelijkheid tussen verdachte en [medeverdachte] – zoals reeds besproken onder feit 1 – acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat verdachte niet wist dat [medeverdachte] een misdrijf ging plegen of gepleegd had en dat zij door hem met de auto op te halen een middel verschafte om hem van de plek van het misdrijf te vervoeren. Gelet op het feit dat er op 11 november 2012 geen goederen zijn ontvreemd door [medeverdachte], kon zij, anders dan bij het onder 3 ten laste gelegde feit (dat zich later heeft voortgedaan dan feit 4), ook niet uit het feit dat hij spullen in haar auto laadde opmaken dat hij zou hebben ingebroken.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte ten aanzien van feit 4 opzet had op het behulpzaam zijn bij het uitvoeren van een misdrijf, zodat van medeplichtigheid evenmin sprake is. Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank verdachte integraal vrijspreken van feit 4.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

3.

Subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 17 november 2011 te [woonplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen

- een keyboard en

- gitaren en

- een versterker (merk Beringer, type Pmh 1000) en

- een minidisc en

- vier microfoons (merk Shure) en

- een kleine gitaar/zangversterker,

geheel toebehorende aan GGZ Centraal, [adres], waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van ruiten,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 november 2011 te [woonplaats], opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk met een auto in de (directe) omgeving van voornoemd pand klaar te staan om [medeverdachte] op te halen en [medeverdachte] onmiddellijk na het plegen van dat misdrijf met die auto te vervoeren van de plaats van het misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

- Medeplichtigheid bij diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van psychische overmacht bij verdachte. Vanwege de persoon van verdachte, de door medeverdachte [medeverdachte] uitgeoefende druk en mishandeling kon in redelijkheid niet van verdachte worden verwacht dat zij zich tegen [medeverdachte] kon verweren. Volgens de raadsman is verdachte niet in staat om de door hem uitgeoefende druk te weerstaan.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er sprake was van buiten komende dwang waartegen van verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij daar weerstand aan kon bieden.

Op grond van de verklaring van verdachte en de stukken in het dossier heeft de rechtbank wel de overtuiging gekregen dat er een bepaalde mate van ongelijkheid tussen verdachte en [medeverdachte] bestond, maar niet aannemelijk is geworden dat de verdachte onder zodanige wezenlijke en buitennormale -met name psychische- druk stond dat daardoor onvoldoende sprake was van een voor strafbaarheid vereiste aanwezigheid van een daadwerkelijke wilsvrijheid ten tijde van de gedraging. Naar het oordeel van de rechtbank was er evenmin sprake van een extreme en acute vorm van een stresssituatie waaronder verdachte gebukt ging en waar zij aan heeft toegegeven. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot strafoplegging beslissen, dan bepleit de verdediging een lagere straf dan geëist met oplegging van verplicht reclasseringscontact.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is medeplichtig geweest aan een inbraak in een paviljoen van de GGZ. Inbraken zorgen voor veel overlast en schade. Ook versterken inbraken gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij behulpzaam is geweest bij het plegen van een dergelijk misdrijf.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitia van 26 juni 2012 van deskundige mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog. In dit rapport wordt – onder meer – geconstateerd dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aanpassingstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming. Van deze problematiek lijkt sprake te zijn geweest ten tijde van het tenlastegelegde. Er is geen posttraumatische stress stoornis en de realiteitstoetsing is intact. De psycholoog acht behandeling mogelijk maar niet noodzakelijk.

Er kan geen uitspraak over de mate van toerekeningsvatbaarheid gedaan worden en meer in algemene zin kenmerkt het gedrag van betrokkene zich niet door grensoverschrijdend gedrag. Het is derhalve niet mogelijk om een uitspraak over de kans op herhaling te doen, aldus de psycholoog. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte twee keer eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van medeplichtigheid bij twee voltooide diefstallen, medeplichtigheid bij een poging tot diefstal en medeplegen van diefstal. Nu de rechtbank enkel tot een bewezenverklaring komt van medeplichtigheid bij één diefstal, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat een gevangenisstraf van 1 maand passend is. Zij ziet geen aanleiding voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering

[slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 5.989,98, bestaande uit € 5.000,- ter zake van immateriële schade en

€ 989,98 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de officier van justitie

Aangezien de aard van de kosten ziet op het toegepaste geweld door medeverdachte [medeverdachte] en de officier van justitie meent dat slechts medeplichtigheid bij de diefstal bewezen kan worden, vordert de officier van justitie dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering.

7.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank eveneens om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, zij het om andere redenen.

7.4 Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder 1 ten laste gelegde feit en de gevorderde schade wordt gevorderd naar aanleiding van het onder 1 ten laste gelegde feit, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 48, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplichtigheid bij diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 juli 2012.

Mr J.R. Krol is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.