Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1593

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
16/712165-11 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:2982, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan het plegen van een gewelddadige woningoverval, waarbij het slachtoffer verkracht is en door het laten ontploffen van een explosief zwaar gewond is geraakt. De rechtbank gaat anders dan officier van justitie uit van poging tot doodslag (i.pv. poging moord). De rechtbank veroordeelt verdachte daarnaast voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, diefstal, diefstal met braak en poging diefstal met braak. De rechtbank veroordeelt verdachte tot tien jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712165-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats] (Suriname),

gedetineerd te P.I. Nieuwegein, Huis van Bewaring te Nieuwegein,

raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander of anderen met geweld en/of bedreiging met geweld goederen uit een woning heeft weggenomen en/of [slachtoffer 1] heeft afgeperst;

feit 2: [slachtoffer 1] heeft verkracht;

feit 3 primair: opzettelijk (en met voorbedachten rade) heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden;

feit 3 subsidiair: [slachtoffer 1] zwaar heeft mishandeld;

feit 4: opzettelijk brand heeft gesticht;

feit 5: [medeverdachte] met de dood heeft bedreigd;

feit 6: samen met een ander of anderen goederen heeft gestolen;

feit 7: een fiets heeft gestolen;

feit 8: samen met een ander of anderen door middel van braak en/of verbreking goederen heeft gestolen;

feit 9: heeft geprobeerd samen met een ander of anderen goederen en/of geld te stelen door middel van braak/verbreking/inklimming.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

- diefstal met geweld en bedreiging met geweld gericht tegen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), welke diefstal is gepleegd samen met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]);

- verkrachting van [slachtoffer 1], waarbij deze [slachtoffer 1] werd bedreigd met geweld en daadwerkelijk geweld tegen hem werd gebruikt;

- poging tot moord door het plaatsen en tot ontploffing brengen van vuurwerk of een vlinderbom op/aan de voordeur van een woning waarachter [slachtoffer 1] stond;

- het veroorzaken van een ontploffing door het plaatsen en tot ontploffing brengen van vuurwerk of een vlinderbom op/aan de voordeur van een woning waarachter [slachtoffer 1] stond, met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor [slachtoffer 1];

- bedreiging van [medeverdachte] op 28 oktober 2010 te [woonplaats] door haar op te tillen en te zeggen “ik gooi je van het balkon” en haar een mes te tonen en te zeggen “ik maak je dood”;

- winkeldiefstal op 21 april 2011 te Amsterdam samen met [medeverdachte];

- diefstal van een fiets op 5 april 2011 te Purmerend;

- diefstal van muziekinstrumenten en geluidsapparatuur van een GGZ-instelling door middel van braak/verbreking van ruiten en een deur op 17 november 2011 te [woonplaats];

- poging tot diefstal van goederen/geld van een GGZ-instelling door middel van braak/verbreking van deuren, ruit(en), openbreken van een kassalade en het uitdraaien van stoppen/trachten alarm uit te schakelen op 11 november 2011 te [woonplaats].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 tot en met 4, omdat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat verdachte in de woning van het slachtoffer is geweest en ook niet dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer anderen. De verdediging verzoekt vrijspraak voor deze feiten.

Tevens stelt de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 5, 8 en 9 vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 6 stelt de verdediging dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding. Verdachte werd aangehouden zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was. De verdediging stelt dat een dergelijk vormverzuim onherstelbaar is en dat verdachte daardoor in zijn belang is geschaad, waardoor al hetgeen aan bewijs is verkregen als gevolg van de onrechtmatige aanhouding van de bewijsvoering moet worden uitgesloten. Derhalve dient vrijspraak voor dit feit te volgen, aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 7 merkt de verdediging op dat verdachte dit feit heeft bekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1, 2,en 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 3 december 2011 omstreeks 01:50 uur komt er bij de politie een melding binnen dat er een ontploffing zou zijn geweest op de [adres]. Ter plaatse treft de politie getuige [getuige 1] aan, die verklaart dat zij naar aanleiding van een harde knal en een lichtflits omstreeks 01:41 uur naar haar buurman [slachtoffer 1], wonende op de [adres] te [woonplaats], is gegaan, alwaar zij een ravage aantrof. Zij treft [slachtoffer 1] daar aan in de keuken en ziet dat zijn hoofd en handen onder het bloed zitten.

Op 19 december 2011 doet [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) aangifte. Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat hij op een chatsite werd benaderd door een man. Aangever verklaart dat hij op 2 december 2011 rond 20:00 uur via internet met deze man een afspraak had gemaakt en dat de man naar zijn huis zou komen. [slachtoffer 1] de man binnen laat, wordt meteen een mes op zijn keel gezet. [slachtoffer 1] heeft zich nog verzet, maar wordt naar binnen geduwd en moet met de armen op zijn rug en met zijn gezicht in de kussens op zijn buik op de bank liggen. Aangever verklaart dat de man zei dat hij stil moest zijn, waarna zijn armen en voeten werden vastgemaakt met een snoer. Zijn hoofd werd bedekt met een doek. De man vraagt naar de bankpas van aangever. Terwijl aangever op de bank ligt, hoort hij de man telefoneren. De man heeft niets gezegd, maar [slachtoffer 1] hoort een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn.

Aangever verklaart dat hij op een gegeven moment mee naar boven moest.

Boven voelt aangever dat er iets om zijn keel wordt gedaan en dat zijn handen worden vastgebonden, waarna zijn nek achterover wordt getrokken. Aangever hoort de man bij de kastjes rommelen waar aangever condooms en buttplugs in bewaart. Aangever voelt vervolgens dat hij iets in zijn anus krijgt. Hij herkent dit gevoel als het gevoel van het inbrengen van een buttplug. Hij voelt dat het voorwerp tot ongeveer de helft naar binnen wordt geduwd. Dit deed pijn en dat heeft aangever ook tegen de man gezegd. Doordat aangever zijn spieren aanspant, lukt het niet om het voorwerp in zijn geheel naar binnen te brengen. Aangever verklaart dat de man twee keer heeft geprobeerd de buttplug in te brengen. Voorts verklaart aangever dat hij dit niet wilde en heeft geprotesteerd.

Wanneer aangever aangeeft dat hij – als hij moet pinnen – met de man mee wil gaan naar een pinautomaat, gaan ze naar beneden. Aangever heeft dan nog steeds iets om zijn hoofd. Aangekomen in het halletje voelt aangever op een gegeven moment aan de luchtstroom dat de deur open staat en dat de man buiten staat. Aangever weet de deur achter de man dicht te doen. Omdat hij zijn huissleutels terug wil van de man, praat aangever met de man via de brievenbus. Zo ziet hij op een gegeven moment iets van een lontje en iets van een gloed bij de deurklink. Aangever verklaart dat hij het gezicht van de man door het matglas van de deur ziet, ook ziet hij iets branden.

Bij klinisch onderzoek op 4 december 2012 (de rechtbank begrijpt 2011) werd bij aangever een schedelbreuk met impressie van botfragmenten en daaraan gepaard gaande hersenbeschadigingen links zijwaarts gediagnosticeerd en tevens een lijnvormige botbreuk in de slaapstreek links met een daaraan gerelateerde epidurale bloeding. In relatie met dit letsel waren er neurologische symptomen in de vorm van woordvindingsstoornissen en krachtsverlies van de rechterarm. Daarom is met spoed een neurochirurgische operatie uitgevoerd, waarbij tevens een groot aantal splinters van hout uit het gezicht werd verwijderd.

Aangever heeft verklaard dat bij de overval de volgende goederen zijn weggenomen: een telefoon van het merk Motorola type C140, een camera van het merk Sony type DSC-P72, een geluidset van het merk Böse, type Wave Music System, een chocoladeblikje met daarin oude munten en een trouwring van goud/zilver, een paspoort, een laptop en een sleutelbos.

Onderzoek gegevensdrager

In het kader van het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte en zijn vriendin [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) doorzoekt de politie de woning van [medeverdachte] aan de [adres] te [woonplaats]. Daar treft de politie onder andere een computer aan. Uit onderzoek aan die computer is het volgende gebleken. Op 29 november 2011 werd een advertentie van een zekere [naam] op de website www.homodate.nl bezocht, met daarin het telefoonnummer van aangever. Aangever heeft verklaard dat zijn accountnaam op internet [naam] is.

Ook is er op voornoemde datum via de website www.google.nl gezocht op de combinatie van de trefwoorden homo en date. De internetgeschiedenis van 30 november 2011 en 1 en 2 december 2011 is niet aanwezig. Uit het onderzoek blijkt echter dat wel kan worden vastgesteld dat middels Google Maps is gezocht naar de [adres] te [woonplaats] en dat deze zoekopdracht voor 2 december 2011 23:37:08 uur heeft plaatsgevonden.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat in beginsel alleen verdachte, zijzelf en hun dochter gebruik maakten van de onderzochte computer. Wanneer visite gebruik maakte van deze computer, was daar altijd één van hen bij aanwezig.

DNA-onderzoek

Bij de doorzoeking van de [adres] te [woonplaats] treft de politie in de badkamer handschoenen aan. Eén handschoen ligt in de wasmand en een andere in de douchehoek. Deze handschoenen zijn in beslag genomen en door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. De DNA-hoofdprofielen van de bemonsteringen van de buitenzijde van de handschoenen matchen met het DNA-profiel van aangever. De kans dat het profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze afgeleide hoofdprofielen is kleiner dan één op één miljard.

Ook van de binnenzijde van beide handschoenen zijn bemonsteringen genomen. Uit dit onderzoek volgt dat er DNA-mengprofielen zijn verkregen, waarin de DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. De DNA-profielen van verdachte en aangever matchen met deze DNA-mengprofielen. Dit betekent dat verdachte en aangever donoren kunnen zijn van het celmateriaal in de bemonsteringen.

Onderzoek telecom

Aangever verklaart voorafgaand aan de overval tweemaal telefonisch contact te hebben gehad met de man, die hem in zijn woning heeft overvallen. Uit een onderzoek naar telecomgegevens is gebleken dat het nummer [telefoonnummer], dat in gebruik is bij aangever, op de avond van 2 december 2011 tussen 20:03 uur en 23:34 uur een aantal keren contact heeft met het nummer [telefoonnummer]. Om 20:03 uur belt het telefoonnummer [telefoonnummer] naar het nummer van aangever. Daarbij wordt een mast aangestraald in [woonplaats]. Uit de telecomgegevens blijkt vervolgens op grond van de aangestraalde masten dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] zich van [woonplaats] verplaatst naar Amersfoort. Om 23:24 uur straalt de telefoon met het nummer [telefoonnummer] voor het eerst die avond een telefoonmast in Amersfoort aan. Ten tijde van de overval worden door dat telefoonnummer de cellid’s 2562 en 2563 van Vodafone aangestraald, welke zijn geplaatst op masten in Amersfoort en vanuit de woning van aangever kunnen worden aangestraald. Op 3 december 2011, direct na de overval, straalt het telefoonnummer [telefoonnummer] geen masten meer aan.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer] van hem is.

Uit de historische gegevens van het nummer [telefoonnummer] volgt dat dit nummer in de periode tussen 23:27 uur en 01:34 uur 13 keer contact heeft met het nummer [telefoonnummer]. Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat op naam van [medeverdachte]. [medeverdachte] verklaart bij de politie reeds 11 jaar een relatie met verdachte te hebben en dat zij samen een dochter hebben. Ook verklaart zij dat verdachte vaak in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] verblijft.

Op grond van de uitkomsten van het telecomonderzoek constateert de rechtbank dat met de telefoon van verdachte vanaf 2 december 2011 20.03 uur tot en met 3 december 2011 01:34 uur alleen contacten zijn geweest met [medeverdachte] en met aangever. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 2 december 2011 ’s avonds met een vriend naar Amersfoort is gegaan, alwaar hij op een bankje bij stadsschouwburg De Flint op zijn vriend heeft gewacht, die iets in Amersfoort moest ophalen. Voor de contacten die zijn telefoon met de telefoon van aangever heeft gehad, geeft verdachte de verklaring dat hij die avond waarschijnlijk zijn telefoon aan deze vriend heeft uitgeleend en dat die vriend mogelijk met aangever heeft gebeld. Wat betreft de telefonische contacten met [medeverdachte] verklaart verdachte dat hij zelf die avond contact met [medeverdachte] heeft gezocht.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat misschien die vriend van hem met zijn telefoon met aangever contact heeft gehad, niet geloofwaardig gelet op het volgende. Aangever heeft telefonisch contact gehad met de man, die hem in zijn woning heeft overvallen tot vlak voordat deze bij hem in zijn woning kwam. Hij verklaart immers dat hij hem het laatste deel van de route heeft uitgelegd door de telefoon. Gedurende de overval hoort aangever dat de man telefonisch contact zoekt. Aannemelijk is dat dit is gebeurd met dezelfde telefoon als waarmee de man eerder met aangever contact heeft gehad. Aangever verklaart dat hij een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn hoort. Gelet op de uitkomsten van het telecomonderzoek moet dat [medeverdachte] zijn geweest. Het is naar het oordeel van de rechtbank uitgesloten dat de zogenaamde vriend, die zich -naar de rechtbank begrijpt- volgens verdachte in de woning van aangever heeft moeten bevinden, met de telefoon van verdachte ook met [medeverdachte] heeft gebeld, terwijl verdachte zegt zelf die avond met [medeverdachte] te hebben gebeld. Daar komt bij dat verdachte geen verklaring heeft voor het gegeven dat eerder op de avond de telefonische en sms-contacten met enerzijds aangever en anderzijds [medeverdachte] elkaar in korte tijd opvolgen en afwisselen.

Tussenconclusie

Op grond van het hierboven overwogene naar aanleiding van de uitkomsten van het telecomonderzoek, het onderzoek aan de computer en het DNA-onderzoek concludeert de rechtbank dat verdachte de man is die de afspraak met aangever heeft gemaakt en in de avond van 2 december 2011 naar de woning van aangever is gegaan en aangever in zijn woning heeft overvallen.

Verkrachting

Wanneer de politie de woning van aangever betreedt ten behoeve van een forensisch onderzoek naar sporen, zien zij in de kleine slaapkamer van de woning een matras op de grond liggen met daarop een paarse handdoek. Er ligt nog een handdoek in de ruimte met een reep van de paarse handdoek. Verder ziet de politie een buttplug staan op het deurtje van een openstaande klepkast en ziet zij een flesje glijmiddel op het matras liggen.

Zoals hierboven is weergegeven heeft aangever verklaard dat er tegen zijn wil twee keer een voorwerp in zijn anus is ingebracht terwijl hij vastgebonden op het matras lag. Hij heeft zijn wil kenbaar gemaakt door zijn spieren aan te spannen, daardoor de verkrachting te bemoeilijken en te zeggen dat hij dit niet wilde. De in de kleine slaapkamer van zijn woning aangetroffen voorwerpen ondersteunen de verklaring van aangever. Gelet op de verklaring van aangever dat hij het gevoel herkende als het gevoel van een buttplug, die wordt ingebracht en het aantreffen van de buttplug buiten het kastje waar aangever deze in bewaart, terwijl aangever verklaart dit voorwerp in de kast te bewaren, leidt de rechtbank af dat de verkrachting heeft plaatsgevonden met behulp van een buttplug.

De explosie: opzet op de dood

Wanneer de politie in de nacht van 2 op 3 december 2011 ter plaatse komt na de melding van een ontploffing op het adres van aangever, ziet zij dat de ruiten van de deur zijn vernield en het kozijn boven het slot ernstig is ontzet en beschadigd. Er zijn inslagen van kleine bolvormige objecten in de deur en het kozijn te zien. Diverse stukken hout, afkomstig van het kozijn en de deur, liggen op de openbare weg. Ook liggen er meerdere metalen of loden bolletjes op de openbare weg. In de woning worden op de vloer tussen de keuken en de woonkamer en in de hal eveneens metalen of loden bolletjes aangetroffen. Diverse splinters van het kozijn liggen in de hal en de woonkamer. Tevens ligt er glas en bloed op de grond.

Uit het explosievenonderzoek van het NFI volgt dat uit de waargenomen schade is af te leiden dat er zich ongeveer 10 centimeter boven de voordeurgreep een explosie van een deflagrerende lading heeft voorgedaan. Gezien de schade aan en bij de voordeur ten opzichte van de stukken karton en kunststof heeft dit materiaal zich dicht tegen de explosieve lading aan bevonden. Het NFI concludeert dat het gebruikte mengsel in de regel makkelijk tot ontsteking is te brengen. Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk gaat om een oorspronkelijk fabrieksmatig gemaakte constructie, welke vervolgens is gemodificeerd. Door de effecten, die bij een ontploffing van de constructie optreden, ontstaat gevaar voor brandwonden, gehoorschade en doorboring van de huid. De ernst van dit letsel is onder meer afhankelijk van waar iemand door hitte en/of een scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment heeft en de locatie van die persoon ten opzichte van de ontploffing. Bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat er een explosief tot ontploffing is gebracht vlak boven de voordeurgreep. De rechtbank leidt uit het explosievenonderzoek af dat het gaat om een geïmproviseerd explosief. Gelet op de verklaring van aangever alsmede zijn letsel kan worden vastgesteld dat hij zich op het moment van ontploffing vlak achter de voordeur bevond. Uit zowel de verklaring van aangever als de uitkomsten van het explosievenonderzoek, leidt de rechtbank af dat verdachte het explosief aan de voordeur heeft bevestigd en heeft ontstoken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht. Gelet op het verbale contact tussen verdachte en aangever door de brievenbus van de voordeur, over de sleutelbos, moet verdachte zich bewust zijn geweest van de positie van aangever ten opzichte van het explosief. Desondanks heeft verdachte het explosief tot ontploffing gebracht, waarmee hij het leven van aangever in gevaar bracht. Uit voornoemde omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou kunnen komen.

Ontbreken van de voorbedachten rade

Van voorbedachten rade is sprake wanneer een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. In het onderhavige geval zag verdachte zich gesteld voor een onverwachte situatie. Aangever heeft gedurende de overval steeds in een weerloze positie verkeerd en zou met verdachte meegaan om geld voor hem te pinnen, maar op het moment dat verdachte voor aangever naar buiten stapt ziet aangever de kans om de deur dicht te doen. Uit de verklaring van aangever volgt daarop een kort moment van verbaal contact, waarna de ontploffing plaatsvindt. De rechtbank overweegt dat nu sprake was van een plotselinge wijziging van de omstandigheden en de besluitvorming van verdachte kennelijk in een kort tijdsbestek plaatsvond, voorbedachten rade op het beroven van het leven van aangever niet bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Geen medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit samen met een ander heeft gepleegd. Van enige bewuste en nauwe samenwerking met een ander is niet gebleken. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Geen vuurwapen

Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte bij het plegen van de feiten gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen. De rechtbank zal het gebruik van een vuurwapen derhalve niet bewezen verklaren.

Conclusie

Bovenstaande bewijsmiddelen en vaststellingen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, leiden tot de conclusie dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de overval op de woning van aangever in de avond en nacht van 2 op 3 december 2011 heeft gepleegd, waarbij hij gedreigd heeft met geweld, geweld heeft gebruikt en goederen heeft weggenomen, dat hij daarbij tevens aangever heeft verkracht en opzettelijk een explosief tot ontploffing heeft gebracht waardoor de aanmerkelijke kans bestond dat aangever om het leven zou komen, welke kans verdachte door zijn handelen heeft aanvaard.

Vrijspraak feit 4

De rechtbank acht –zoals hierboven is overwogen- bewezen dat verdachte een explosief tot ontploffing heeft gebracht. Uit het dossier blijkt echter niet dat ten gevolge van deze ontploffing brand is ontstaan, noch dat verdachte los van het tot ontploffing brengen van dit explosief brand heeft gesticht. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 4. Niet ten laste is gelegd dat verdachte een ontploffing teweeg heeft gebracht.

Feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 5 heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 28 oktober 2010 doet [medeverdachte] aangifte van bedreiging. Zij verklaart bij de politie op voornoemde datum ruzie met verdachte te hebben gekregen in haar woning te [woonplaats] en dat hij haar op een gegeven moment naar het balkon heeft gesleurd en schreeuwde dat hij haar van het balkon ging gooien. De zus van aangeefster ging op haar zitten, waardoor het hem niet lukte om haar op te tillen. Aangeefster verklaart voorts dat verdachte de woning weer binnen ging en terug kwam met een keukenmes met een lemmet van ongeveer 15 centimeter lang. Hij hield het mes boven zijn hoofd in de richting van aangeefster en riep: “ik maak je dood”.

De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte], de zus van aangeefster. Zij verklaart dat zij op die betreffende dag verdachte hoorde schreeuwen dat hij aangeefster van het balkon af wilde gooien. Tevens zag zij dat aangeefster door verdachte naar de rand van de galerij werd getrokken. [medeverdachte] is op aangeefster gaan zitten zodat het verdachte niet lukte om aangeefster over de rand te krijgen. [medeverdachte] zag dat verdachte vervolgens een keukenmes pakte van ongeveer 10 à 20 centimeter lang. [medeverdachte] verklaart dat de woning van aangeefster zich op de zesde etage van een flatgebouw bevindt.

Wanneer de politie ter plaatse komt treft zij daar aan: aangeefster, haar zus en de dochter van aangeefster, genaamd [A]. [A] was bij het handgemeen aanwezig en verklaart tegenover de politie dat verdachte een mes bij zich had en dat hij haar moeder over het balkon wilde gooien.

Verdachte verklaart dat hij op 28 oktober 2010 in de woning van [medeverdachte] te [woonplaats] was toen hij ruzie met haar kreeg. Verdachte verklaart dat hij haar heeft vastgepakt en dat zij op de galerij van de flat terecht kwamen. Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij tijdens het handgemeen een mes in zijn handen had.

De rechtbank maakt uit de bewoordingen en de feitelijke gedragingen die volgen uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen op dat verdachte het opzet had om aangeefster te bedreigen. Gelet op de omstandigheid dat er een handgemeen is ontstaan, waarbij verdachte haar naar het galerij sleurt en roept dat hij haar van het balkon af gaat gooien en haar ook daadwerkelijk probeert op te tillen, terwijl zij zich op de zesde etage bevinden, kon bij aangeefster de redelijke vrees ontstaan dat verdachte daadwerkelijk zijn dreigement zou uitvoeren. Uit de aangifte en de verklaringen van [medeverdachte] en [medeverdachte] volgt dat er sprake was van een zodanig gewelddadige en bedreigende situatie dat het tonen van het keukenmes aan aangeefster door verdachte, waarbij hij roept dat hij haar dood gaat maken, eveneens de vrees bij aangeefster kon doen ontstaan dat zij moest vrezen voor haar leven. Op grond van het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vrijspraak feit 6

Onrechtmatige aanhouding

De rechtbank stelt aan de hand van de aangifte van [aangever 1] vast dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] paskamers verlaten zonder kleding en dat [medeverdachte] een tas draagt die – naar de uiterlijke verschijningsvorm – inhoud bevat. Beide personen verlaten de winkel zonder goederen bij de kassa af te rekenen. Verdachte en zijn medeverdachte worden vervolgens aangehouden.

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er op het moment van aanhouding een redelijk vermoeden van schuld aan een winkeldiefstal bestond. De enkele omstandigheid dat iemand een winkel verlaat met een – naar het zich laat aanzien – volle tas, is onvoldoende voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Uit niets blijkt (bijvoorbeeld) dat de tas leeg was voordat verdachte en zijn medeverdachte de winkel in kwamen. De rechtbank is van oordeel dat er in casu sprake was van een onrechtmatige aanhouding. Nu dit een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering betreft en verdachte daardoor in zijn belang is geschaad, mogen de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Dientengevolge kunnen de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte, evenals de bij hen aangetroffen goederen niet tot het bewijs worden gebezigd. Dit heeft tot gevolg dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, wat maakt dat de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken.

Feit 7

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit onder 7 heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht feit 7 bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 920-922 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0981 2011275498 van de politie Utrecht, district Eemland zuid;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2012.

Feiten 8 en 9

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder de feiten 8 en 9 heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 11 november 2011 is [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) werkzaam als veldwachter bij de GGZ Centraal locatie [adres] te [woonplaats], wanneer hij omstreeks 22:55 uur een melding krijgt van een inbraak op de afdeling [naam] aan de [adres]. Hij ziet een deur open staan aan de achterzijde van het pand. Ook ziet hij dat de kassa is opengebroken. Onderaan de trap in de kelder ligt een breekijzer en de stoppen in de technische ruimte zijn eruit gedraaid. Er ligt een zwarte pet in de technische ruimte die [getuige 2] niet herkent. [getuige 2] verklaart dat hij een geluid hoorde alsof iemand wegrende.

Op 11 november 2011 omstreeks 00:00 uur rijden getuigen [getuige 3] (veldwachter bij GGZ Centraal, hierna: [getuige 3]) en zijn collega over het terrein van de GGZ Centraal aan de [adres] te [woonplaats], richting de uitgang bij het [woonplaats] station en zien dan een Volkswagen Golf met draaiende motor en ingeschakelde verlichting stilstaan op de weg. De auto heeft het kenteken [kenteken]. [getuige 3] ziet een negroïde man met een zwarte rugtas in de handen uit de bosjes komen en voorin de auto stappen aan de passagierszijde. [getuige 3] ziet dat er een vrouw achter het stuur zit. De man is geheel in het donker gekleed, heeft een breed postuur, heel kort zwart haar en is ongeveer 1.80-1.85 meter lang. [getuige 3] verklaart dat er bij de inbraak geen goederen zijn weggenomen.

De politie stelt vast dat er aan de deur, aan de achterzijde van afdeling [naam], braakschade zit. Naast de vaste trap richting een kelder ligt een kassa kapot op de grond. Onderaan de trap in de kelder ziet de politie een breekijzer liggen. In de technische ruimte treft de politie een zwarte pet aan. Deze pet is in beslag genomen.

Bij een ander gebouw op hetzelfde terrein van de GGZ Centraal aan de [adres] te [woonplaats] is een aantal dagen later eveneens ingebroken. Dit is gebouw de [naam]. Op 18 november 2011 doet [aangever 2] daar aangifte van. Bij deze inbraak is weggenomen: een keyboard, gitaren, een versterker van het merk Beringer type Pmh 1000, een minidisc, vier microfoons van het merk Shure en een kleine gitaar/zangversterker.

De politie stelt vast dat de inbreker zich de toegang tot het pand de [naam] heeft verschaft door de kierstandhouder van een openstaand raam te vernielen en vervolgens via dit raam het pand binnen te klimmen. Vervolgens is de ruit van de afgesloten deur van de muziektherapie ruimte vernield.

De politie komt verdachte op het spoor via een ander onderzoek, te weten de overval op [slachtoffer 1] zoals tenlastegelegd onder feit 1. In het kader van dat onderzoek wordt de woning van [medeverdachte], de vriendin van verdachte, aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. Bij deze doorzoeking treft de politie een GSM telefoon aan van het merk Nokia met imeinummer [nummer], waarvan de historische gegevens worden onderzocht. Uit onderzoek blijkt dat dit imeinummer werd gebruikt vanaf 4 november tot en met 28 november 2011 in combinatie met telefoonnummer [telefoonnummer]. Dit telefoonnummer heeft in de voornoemde periode contacten met de telefoonnummers van [medeverdachte], [B] (de moeder van verdachte), [C] en met Stichting [stichting] (de instelling waar [medeverdachte] werkt). Op 11 en 17 november 2011 verplaatst de gebruiker van de telefoon waaraan voornoemd imeinummer is gekoppeld zich van [woonplaats] naar [woonplaats]. Op de 11e worden vanaf 18:20 uur tot en met 23:10 uur telefoonmasten aangestraald in [woonplaats]. In de nacht van 17 op 18 november worden vanaf 22:39 uur tot en met 02:02 uur telefoonmasten aangestraald in [woonplaats]. Gelet op het gegeven dat voornoemde telefoon wordt aangetroffen in de woning van de vriendin van verdachte en de contacten die met deze telefoon gebeld zijn en die alle gelinkt kunnen worden aan verdachte, houdt de rechtbank het erop dat verdachte de gebruiker van deze telefoon is.

In het onderzoek naar de overval wordt een computer uit de woning aan de [adres], waar verdachte vaak verblijft, onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat er op www.google.nl via de kaartfunctie is gezocht naar de plaats [woonplaats] in combinatie met het trefwoord politie. Uit het onderzoek blijkt voorts dat op 18 november 2011 tussen 03:54 uur en 07:04 uur op www.marktplaats.nl, www.google.nl en www.[naam] is gezocht naar verschillende muziekinstrumenten, waaronder keyboards en meerdere gitaren. Ook is er verschillende malen gekeken en gezocht op internetpagina’s naar een gitaarversterker.

De door getuige [getuige 3] in de nacht van 11 november 2011 in [woonplaats] waargenomen auto met het kenteken [kenteken] blijkt van [medeverdachte] te zijn. Op 18 november 2011 heeft [medeverdachte] om 00:03 uur met deze auto getankt bij tankstation De Vanenburg te Putten. Dit blijkt uit een schuldbekentenis die zij heeft ingevuld bij het tankstation, omdat zij op dat moment de benzine niet kon betalen.

De binnenrand van de in het paviljoen [naam] aangetroffen pet is naar aanleiding van de inbraak op 11 november 2011 onderworpen aan een DNA-onderzoek. Van de bemonstering is een DNA-mengprofiel van twee personen verkregen, waarvan minimaal één man. Uit onderzoek is gebleken dat er een match is gevonden met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-mengprofiel is ongeveer één op drie miljoen.

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 november 2011 en in de nacht van 17 op 18 november 2011 heeft ingebroken in panden van GGZ Centraal te [woonplaats]. Daarbij heeft hij in de nacht van 17 op 18 november diverse muziekinstrumenten en randapparatuur gestolen.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte], zowel op 11 als in de nacht van 17 op 18 november 2011, verdachte na het plegen van de feiten heeft opgehaald uit [woonplaats]. Er is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende bewijs om een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte aan te nemen en zal verdachte daarom partieel vrijspreken van medeplegen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 2 december 2011 en 3 december 2011 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd heeft weggenomen een laptop en een mobiele telefoon (merk Motorola, type C140) en een geluidsset (merk Bose, type Wave Music System) en een camera (merk Sony, type DSC-P72) en een blikje (met inhoud, te weten: oude munten) en een trouwring (goud/zilver) en een paspoort en een sleutelbos, geheel toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte

- die [slachtoffer 1] met een mes heeft bedreigd, en

- de handen van die [slachtoffer 1] op de rug heeft vastgebonden en

- de benen van die [slachtoffer 1] heeft vastgebonden en

- die [slachtoffer 1] heeft geblinddoekt;

2.

hij op 2 december 2011 en 3 december 2011 te Amersfoort, door geweld en bedreiging met geweld bestaande uit

- het bedreigen van die [slachtoffer 1] met een mes, en

- het vastbinden van de handen van die [slachtoffer 1] op de rug en het vastbinden van de benen van die [slachtoffer 1] en

- het plaatsen van een doek over het hoofd van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, bij die [slachtoffer 1] een buttplug ingebracht in de anus;

3.

Primair

op 3 december 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet een geïmproviseerd explosief voorzien van een of meer metalen kogels heeft bevestigd op of aan de voordeur van een woning aan de [adres] (waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer 1] stond) en tot ontploffing heeft gebracht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

(parketnummer 16/650076-12)

op 28 oktober 2010 te [woonplaats][medeverdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- [medeverdachte] de woorden toegevoegd : "Ik gooi je van het balkon", en

- [medeverdachte] een mes getoond en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood";

7.

(parketnummer 16/650077-12)

op 05 april 2011 te [woonplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een herenfiets (merk: Hollandia Cruiser), geheel toebehorende aan V&D B.V.;

8.

op of omstreeks 17 november 2011 te [woonplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen

- een keyboard en

- gitaren en

- een versterker (merk Beringer, type Pmh 1000) en

- een minidisc en

- vier microfoons (merk Shure) en

- een kleine gitaar/zangversterker,

geheel toebehorende aan Ggz Centraal, [adres], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van ruiten;

9.

hij op 11 november 2011 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel toebehorende aan Ggz Centraal, en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en die weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak op een deur en een kassa, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte,

- met een voorwerp, een deur opengebroken en

- de stoppen eruit gedraaid of getracht het alarm uit te schakelen en

- de kassa opengebroken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 2: verkrachting;

feit 3 primair: poging tot doodslag;

feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 7: diefstal;

feit 8: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 9: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging meent dat de eis van de officier van justitie buiten proportie is. De verdediging stelt dat ook bij een bewezenverklaring van alle feiten een fors lagere straf in de rede zou liggen. In dat geval zou de helft van de eis denkbaar zijn.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval, waarbij hij goederen heeft weggenomen en het slachtoffer heeft bedreigd met een mes, hem heeft vastgebonden en geblinddoekt en hem heeft verkracht, waarna hij door het tot ontploffing brengen van een explosief het slachtoffer zeer ernstig letsel heeft toegebracht. Dat het slachtoffer niet om het leven is gekomen is in het geheel niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft buitengewoon ernstige misdrijven gepleegd, waarmee hij de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer ernstig heeft aangetast. Het slachtoffer heeft zeer angstige momenten gekend en ziet zich door toedoen van verdachte zowel fysiek als geestelijk gesteld voor een lange herstelperiode. Het spreekt voor zich dat een dergelijke gewelddadige overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem in elk geval niet weerhouden van het plegen van deze feiten.

Daarnaast heeft verdachte zijn vriendin met de dood bedreigd, een diefstal en twee inbraken gepleegd. Ook uit deze door verdachte gepleegde feiten blijkt dat hij het gebruik van geweld niet schuwt en alleen denkt aan zijn eigen (financiële) gewin.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor woningovervallen en diefstal.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van T. Zandi, psychiater, en R.J.A. van Helvoirt, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) over het door hen ingestelde onderzoek naar de geestvermogens van verdachte. Verdachte heeft niet aan dit onderzoek mee willen meewerken. Echter, op basis van observaties hebben de rapporteurs kunnen vaststellen dat zij geen aanwijzingen hebben gezien voor cognitieve stoornissen, aandachtstekortstoornissen, stoornissen in het autismespectrum, psychotische stoornissen, stemmings-, angst- of dwangstoornissen. Ook zijn er geen symptomen waargenomen die zouden kunnen wijzen in de richting van dissociatieve stoornissen of van stoornissen van de impulsregulatie of van de agressiehuishouding. Wegens de weigering om mee te werken aan het onderzoek kunnen de rapporteurs geen uitspraak doen over de recidivekans en de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen inzicht heeft willen geven in zijn persoon en daarmee evenmin in zijn mogelijke drijfveren. Uit de feiten met betrekking tot de overval op [slachtoffer 1] blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een onberekenbaarheid in de persoon van verdachte, waartegen de samenleving voor een forse periode beschermd moet worden.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten.

Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de onder 4 en 6 tenlastegelegde feiten en geen poging tot moord en medeplegen bewezen heeft verklaard, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

10 jaren noodzakelijk en passend is.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering

[slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 5.989,98, bestaande uit € 5.000,- ter zake van immateriële schade en

€ 989,98 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de kosten die [slachtoffer 1] heeft gemaakt voor huishoudelijke hulp niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat uit de onderbouwing van de vordering niet blijkt dat [slachtoffer 1] hier gebruik van heeft gemaakt. De officier van justitie vordert de toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.202,48 en verzoekt de rechtbank daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu vrijspraak dient te volgen. Subsidiair stelt de verdediging dat ingeval van een bewezenverklaring voorstelbaar is dat een voorschot wordt toegewezen. Indien de feiten 1 tot en met 4 niet alle bewezen worden verklaard, dient de vordering gematigd te worden, omdat het grootste gedeelte van de schade samenhangt met de explosie en het daardoor ontstane letsel, aldus de verdediging.

7.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 tot en met 3 bewezen verklaarde en dat verdachte aansprakelijk is voor de geleden schade. Ook de schadepost huishoudelijke hulp komt voor toewijzing in aanmerking, nu de verdediging dit onderdeel niet gemotiveerd heeft betwist en het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van het letsel bij [slachtoffer 1] en de medische behandeling die hij heeft ondergaan, aannemelijk is dat hij direct na zijn verblijf in het ziekenhuis enige tijd niet zelfstandig kon functioneren. De rechtbank is van oordeel dat de vordering, ook op dit punt, voldoende is onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering integraal toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8 Het beslag

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen zoals weergegeven op de beslaglijst.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de inbeslaggenomen creditcard en het ID bewijs terug dienen te worden gegeven aan de rechthebbende.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 24c, 45, 57, 242, 285, 287, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 4 en 6 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 2: verkrachting;

feit 3 primair: poging tot doodslag;

feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 7: diefstal;

feit 8: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 9: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van

€ 5.989,98,-, bestaande uit € 5.000,- ter zake van immateriële schade en € 989,98 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 5.989,98,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 64 dagen

hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een identiteitsbewijs en een creditcard, zoals genummerd 1 en 2 op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 juli 2012.

Mr. J.R. Krol is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.