Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1487

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
16-601221-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Verdachte heeft zonder noemenswaardige aanleiding de voor hem eigenlijk onbekende man onverwachts aangevallen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601221-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1991]

thans gedetineerd te PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein

Raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven;

Subsidiair: aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Meer subsidiair: heeft geprobeerd aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot moord op [slachtoffer], heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat integrale vrijspraak dient te volgen nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte diegene is geweest die aangever de klap heeft gegeven. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat indien bewezen kan worden dat verdachte de klap heeft gegeven, het ten laste gelegde juridisch gezien gekwalificeerd dient te worden als een poging tot zware mishandeling dan wel zware mishandeling en geen poging moord/doodslag, nu er geen sprake is geweest van opzet op de dood.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij op zondag 27 november 2011, omstreeks 02.15 uur, in de [naam], gevestigd aan de [straat] te Utrecht, was, samen met [getuige 2] en haar vriend [getuige 3]. In de [naam] kwam aangever zijn nichtje [getuige 1] tegen. Vervolgens kreeg aangever ruzie met een jongen. Er werd door hen geduwd en geschreeuwd, er is niet geslagen. De portier kwam erbij en nam beide jongens mee naar buiten. De portier stuurde vervolgens aangever terug naar binnen en die andere jongen stuurde hij weg. Aangever wist dat deze jongen een vriend was geweest van de ex-vriend van zijn nichtje [getuige 1]. De jongen komt uit Utrecht en woont aan de [adres]. Toen de [naam] dicht ging, liep aangever samen met [getuige 2] en [getuige 3] naar buiten, met de intentie om naar café Kosten Koper te gaan. Zij liepen naar de overkant van de weg en liepen richting de St. Jacobsstraat. Ter hoogte van de Kamer van Koophandel hoorde aangever iemand hard rennen achter zich. Hij keek achterom en zag de jongen waar hij eerder die avond woorden mee had gehad. Op hetzelfde ogenblik zag aangever dat de jongen zijn rechterhand naar achteren deed en vervolgens in de richting van zijn, aangevers, gezicht bracht. Hij zag dat de jongen een zwaar voorwerp in zijn rechterhand had. Hij voelde een hevige pijn die hij beschrijft alsof hij door een auto werd aangereden, en hij bloedde hevig. Aangever zag dat de jongen meteen na de klap doorrende. Aangever heeft verder verklaard dat zijn nichtje [getuige 1] op zondag 27 november 2011 tussen 17.00 en 18.00 uur bij hem was, toen zij werd gebeld door de jongen die hem had geslagen en dat hij het gesprek van haar heeft overgenomen. De jongen vroeg hem of hij geen aangifte wilde doen.

Bij de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat hij er zeker van is dat de jongen met wie hij in de [naam] ruzie heeft gehad, dezelfde persoon is als diegene die hem buiten heeft geslagen. Aangever herkende hem aan zijn gezicht en kleding

Getuige [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft gezien dat er in de [naam] een opstootje was tussen aangever en een Marokkaanse jongen. Op een gegeven moment ging [getuige 3] weg bij de [naam] met zijn vriendin, aangever en een andere Marokkaanse jongen die hij niet kende. [getuige 3] liep schuin voor aangever en op een gegeven moment hoorde hij iemand hard aan komen lopen. Hij hoorde “hé” en hij draaide zich om. [getuige 3] zag dat de persoon iets in zijn rechterhand had en daarmee tegen het gezicht van aangever sloeg. Met de Marokkaanse jongen waar hij mee was is [getuige 3] achter de andere Marokkaanse jongen aan gerend. Zij hebben de jongen staande gehouden op het plein voor de kerk. [getuige 3] heeft hem voor 100% herkend als de Marokkaanse jongen die in De [naam] problemen had met aangever. De jongen die hij is gevolgd is voor 100% zeker de jongen die hij de klap heeft zien geven. Hij herkende hem aan zijn gezicht.

Getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij met [getuige 3] en aangever in de [naam] was. Op een gegeven moment gingen zij naar buiten. Zij hoorde achter haar iets roepen. Er rende iemand voorbij, die sloeg op aangevers hoofd en liep verder. Zij zag de man een slaande beweging maken en denkt dat de man iets in zijn handen had omdat het een dof geluid was. Bij de politie verklaarde [getuige 2] dat ze deze persoon herkende als de persoon waar aangever in het café onenigheid mee had.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat getuige [getuige 1] tegenover de verbalisant heeft verklaard dat verdachte haar heeft gebeld op 27 november 2011 en dat haar oom het gesprek van haar had overgenomen. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte en aangever op een gegeven moment naar buiten gingen en dat er werd geduwd en getrokken. Zij kent verdachte al meer dan vijf jaar omdat hij een vriend was van haar ex-vriend.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de telefoongegevens blijkt dat er op 27 november 2011 telefonisch contact is geweest tussen het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer (eindigend op *[telefoonnummer]) en het bij [getuige 1] in gebruik zijnde telefoonnummer (eindigend op *[telefoonnummer]). Blijkens deze informatie heeft het bij [getuige 1] in gebruik zijnde nummer tussen 16.54 uur en 16.59 uur met het bij verdachte in gebruik zijnde nummer gebeld en omstreeks 17.32 uur vice versa.

Uit de geneeskundige verklaring d.d. 19 december 2012 blijkt dat aangever meerdere botbreuken aan de rechterkant van zijn gezicht heeft, waaronder een gebroken oogkas. Het jukbeen van aangever is verbrijzeld. De geschatte duur van de genezing is drie maanden.

Uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte en aangever te zien zijn op de camerabeelden van in het café de [naam]. Vervolgens lopen verdachte en aangever op een gegeven moment na de ruzie naar buiten. Aangever gaat het café weer in en, blijkt uit de camerabeelden, verdachte blijft buiten en praat met de agenten te fiets. Een van de politieagenten, [verbalisant], heeft verklaard dat hij daar buiten heeft staan praten met twee jongens waarvan hij er een ambtshalve kent als [verdachte]. Vervolgens gaat verdachte weer het café binnen en loopt hij rechtstreeks naar aangever. De portier zet verdachte er dan wederom uit. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt ook dat verdachte daarna (tussen 4 uur en kwart over 4) buiten te zien is als hij heen en weer loopt in de buurt van de plek waar later het incident plaatsvindt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij diegene was die op de bewuste avond een woordenwisseling had met aangever. Vervolgens is hij door de portier uit het café gezet. Verdachte is daarna wel weer naar binnen gegaan, maar hij is toen nogmaals het café uitgezet. Ook heeft verdachte verklaard inderdaad met de politie te fiets te hebben gesproken.

4.3.2 De bewijsoverwegingen

De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit nu verdachte niet diegene zou zijn die aangever de klap heeft gegeven. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk diegene is die de klap heeft gegeven. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij op de betreffende avond in de [naam] was, dat er een woordenwisseling ontstond met aangever en dat hij door de portier uit het café is gezet. Ook heeft verdachte bevestigd dat hij later nog heeft geprobeerd naar binnen te gaan, maar er toen wederom is uitgezet en dat hij met de politieagenten op straat heeft gepraat. Uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel aangever, als ook de twee getuigen hebben verklaard dat de persoon die aangever de klap gaf, diezelfde jongen was die op diezelfde avond een woordenwisseling had met aangever. Zij herkennen verdachte zonder twijfel en aan specifieke kenmerken als gezicht en kleding. Uit de camerabeelden blijkt ook dat verdachte rond sluitingstijd van het café nog voor de camera’s langsloopt. Ook vindt er een telefonisch gesprek plaats later op die dag tussen verdachte en aangever. Dit wordt door het getuige [getuige 1] bevestigd. Derhalve acht de rechtbank het bewezen dat verdachte diegene is die aangever de klap heeft gegeven. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte hierbij, gelet op de verklaringen van aangever en getuigen, maar ook op de medische verklaring bewezen dat verdachte hierbij een zwaar voorwerp heeft gebruikt. Dit letsel past niet bij een klap met de hand of een vuistslag.

Vrijspraak

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Er is sprake van (voorwaardelijk) opzet op een bepaald gevolg, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal optreden en deze kans vervolgens ten tijde van de gedraging heeft aanvaard. Gelet op de genoemde omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer]. Een slag met een zwaar voorwerp tegen het hoofd van een persoon kan ernstig letsel veroorzaken en in heel bijzondere gevallen kan zelfs één enkele klap tegen het hoofd met een hard voorwerp tot de dood leiden, maar de rechtbank is van oordeel dat dit geen zodanige kans is dat deze dient te worden aangemerkt als de vereiste aanmerkelijke kans. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, maar hooguit van de meer subsidiair ten laste gelegde poging daartoe, nu geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het letsel van aangever valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

In genoemd artikel is opgenomen wat onder zwaar lichamelijk letsel dient te worden begrepen. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten de in het artikel genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (zie HR 14 februari 2006, LJN AU8055 (RvdW 2006, 220). Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Aangever heeft ten gevolge van het ten laste gelegde feit meerdere botbreuken in zijn gezicht opgelopen, waarvoor meerdere operaties nodig zijn geweest. Meer dan een half jaar na het incident staat aangever nog twee maal per week onder behandeling bij het ziekenhuis. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel, conform het algemene spraakgebruik dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

Subsidiair

hij op 27 november 2011 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere aangezichtsbreuken waarbij een operatie noodzakelijk is om de botfragmenten

weer op hun plaats te zetten en te fixeren), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met een hard voorwerp met zeer veel kracht tegen diens gezicht te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Subsidiair: zware mishandeling;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, maar de verdediging stelt zich op het standpunt dat in geval van een bewezenverklaring van een poging doodslag/moord volstaan kan worden met oplegging van een gevangenisstraf van twee jaren. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een (poging tot) zware mishandeling kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de reeds door verdachte ondergane tijd doorgebracht in voorarrest. De raadsman verzoekt de rechtbank de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Verdachte heeft zonder noemenswaardige aanleiding de voor hem eigenlijk onbekende man onverwachts aangevallen. Hij heeft hem met een hard voorwerp in het gezicht geslagen waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het handelen van verdachte is van een uitzonderlijke en schrikbarende agressiviteit, die aan het slachtoffer ernstig letsel te weeg heeft gebracht en hem en de getuigen van zijn handelen veel angst heeft bezorgd. Het slachtoffer heeft, blijkens de door hem ingediende schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen, meerdere operaties in het ziekenhuis moeten ondergaan. Het slachtoffer heeft aan de zware mishandeling meerdere gebroken botten in zijn gezicht, een verbrijzeld jukbeen en oogkas opgelopen. Er zijn vijf titaniumplaten aangebracht in het gezicht van het slachtoffer. Ook blijkt dat hij daarnaast psychische gevolgen ondervindt en zich onveilig voelt. Voorts brengt dergelijk zinloos uitgaansgeweld in de maatschappij in het algemeen en bij de bezoekers van uitgaansgelegenheden in het bijzonder gevoelens van onveiligheid teweeg.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- een reclasseringsadvies d.d. 20 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken;

- de rapportage van dr. D.J. Burck, gz-psycholoog, d.d. 7 januari 2012, waaruit eveneens blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de berekenende wijze waarop verdachte te werk is gegaan. Er zat een behoorlijke tijd tussen de woordenwisseling in het café en de daadwerkelijke zware mishandeling van het slachtoffer. Verdachte heeft derhalve bewust het slachtoffer opgewacht om hem te mishandelen op het moment dat hij zich buiten het café zou begeven. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte op geen enkele wijze inzicht heeft willen geven in zijn motieven of persoonlijkheid. Verdachte maakt eerder de indruk dat het hem niet veel doet en in de waan leeft dat hij onaantastbaar is. Verdachte staat niet open voor enige vorm van behandeling of ondersteuning. De rechtbank komt derhalve niet toe aan het opleggen van mogelijke interventies en bijzondere voorwaarden aan verdachte gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 jaren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.120,29 wegens materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 wegens immateriële schade.

De officier van justitie heeft integrale toewijzing gevorderd van de voornoemde vordering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu verdachte moet worden vrijgesproken en inhoudelijk de vordering niet weersproken.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde bedrag is voldoende duidelijk omschreven en nu voorts geen verweer is gevoerd ten aanzien van de materiële schade, zal dit bedrag integraal worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade zal de rechtbank gelet op de beperkte onderbouwing op dit moment 5.000,-- euro als voorschot toewijzen.

Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk, zodat zij deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] als voorschot een bedrag van € 6.120,29;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 6.120,29 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 66 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Voorlopige hechtenis

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. J.P. Killian en

mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juli 2012.