Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1385

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
16-653121-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan het plegen van een autoinbraak. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/653121-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. W.W.M. van den Heiligenberg, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 24 april 2012 in Utrecht, al dan niet samen met een ander, heeft geprobeerd goederen toebehorende aan [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) weg te nemen uit diens auto.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, op hetgeen de getuigen verklaard hebben en op de bevindingen van verbalisanten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank op basis van de stukken in het dossier, en in weerwil van hetgeen verdachte zelf heeft verklaard, tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 24 april 2012 zijn auto, een Volkwagen Golf, kleur zwart, voorzien van kenteken [kenteken], parkeerde op de [adres]. Toen hij in de apotheek stond, hoorde aangever zijn autoalarm afgaan. Aangever keek naar buiten en zag een persoon gebogen in zijn auto hangen en een andere persoon ernaast staan. Hierop rende aangever direct naar buiten en zag de jongens wegrennen. Aangever zag dat de ruit van het linkervoorportier van zijn auto was ingeslagen, stapte in zijn auto en reed achter de jongens aan die over de [adres] renden. Op enig moment renden de jongens op de [adres] tussen paaltjes door een voetpad op. Aangever stopte zijn auto, ging te voet verder en volgde daarbij één van de twee jongens. Aangever kreeg deze jongen te pakken en werd te hulp geschoten door een man. Deze man, getuige [getuige], heeft op zijn beurt verklaard dat hij zich op 24 april 2012 op de [adres] te Utrecht bevond, toen hij een autoalarm hoorde afgaan uit de richting van de [adres]. Vervolgens zag hij twee jongens voorbij rennen, die uit de richting van het autoalarm kwamen. De jongens renden in de richting van de [adres]. Getuige zag een Volkswagen Golf met hoge snelheid aan komen rijden achter de wegrennende jongens aan. Hierop is getuige [getuige] eveneens achter de twee jongens aangerend. Getuige zag vervolgens dat de Volkswagen op de [adres] geparkeerd stond en zag dat het portierraam van de bestuurdersportier was ingeslagen. Vervolgens zag getuige de bestuurder van de auto aan komen lopen, terwijl hij één van de jongens die de getuige eerder had zien rennen, vasthield. Ter plaatse gekomen verbalisanten namen de jongen van de twee mannen over. Het bleek te gaan om verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] stelde vast dat verdachte zwaar ademde en kennelijk vermoeid was.

Aangever stelde vast dat gepoogd was het navigatiesysteem en zijn radio uit zijn auto te stelen. Het afdekraampje van het navigatiesysteem was ontzet. Op de radio zat krasschade.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd goederen weg te nemen uit de auto van [aangever 1].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 24 april 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een op de [adres] geparkeerd staande auto Volkswagen Golf, kleur zwart, kenteken [kenteken] weg te nemen een navigatiesysteem en een autoradio, toebehorende aan [aangever 1], en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen en dat weg te nemen navigatiesysteem en die autoradio onder hun bereik te brengen door middel van braak, tezamen en in vereniging, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader een zijruit van die auto vernield, en vervolgens getracht dat navigatiesyteem en die radio los te maken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 33 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de volgende bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen:

* de maatregel Hulp en Steun ook als dit inhoudt behandeling bij De Waag of Wier en begeleiding door Nieuwe Perspectieven;

* het continueren van de voorwaarden zoals opgelegd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis, voor de duur van drie maanden, te weten:

- dat de verdachte zich houdt aan de afspraken zoals opgenomen in de rapportage van de William Schrikker Groep d.d. 14 mei 2012;

- dat de verdachte bereikbaar is voor de wijkagent via de telefoon ([telefoonnummer]) en de e-mail ([naam]);

De officier van justitie heeft gevorderde de door hem geëiste straf dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de straf zoals geëist door de officier van justitie, met de daarbij gestelde, bijzondere voorwaarden noodzakelijk is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft geprobeerd goederen weg te nemen uit de auto van benadeelde [aangever 1]. Daarbij is een autoruit ingeslagen. Een dergelijk feit brengt aanzienlijke schade mee voor de benadeelden. Zij moeten immers over het algemeen zelf opdraaien voor de kosten die zijn verbonden aan het herstellen van de aangebrachte schade als gevolg van de poging van de daders goederen weg te nemen. Zo heeft de benadeelde partij in onderhavige zaak aangetoond dat hij kosten heeft moeten maken voor onder andere het herstel van de ingeslagen autoruit. Kennelijk heeft verdachte hierbij niet stil gestaan en enkel vanuit eigen (financieel) gewin gehandeld.

Naast de ernst van het feit, heeft de rechtbank bij de strafoplegging ook rekening gehouden met de volgende –persoonlijke omstandigheden– van verdachte.

Uit het strafblad van verdachte d.d. 2 mei 2012 volgt dat verdachte meerdere malen met justitie in aanraking is geweest en onder andere is veroordeeld wegens diefstal.

Voorts volgt uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 25 mei 2012 dat het recidive risico hoog is en dat er veel zorgen zijn over de psychosociale situatie van verdachte. Geadviseerd wordt aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering in het kader van de maatregel hulp en steun, ook als dit inhoudt dat verdachte zich houdt aan het weekschema, begeleiding door NPT en eventueel behandeling bij Wier/De Waag.

Ter terechtzitting heeft de heer Eskamp van William Schrikker Jeugdreclassering aangegeven dat verdachte zich gedurende zijn schorsing van de voorlopige hechtenis redelijk goed gedraagt. Wel heeft verdachte de structuur die hem thans in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis geboden wordt nodig. Wanneer het advies van de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gevolgd is echter niet duidelijk wanneer behandeling in het kader van de maatregel Hulp en Steun zal aanvangen, aldus de heer Eskamp. De heer Eskamp heeft dan ook, anders dan de Raad voor de Kinderbescherming, geadviseerd de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte voor te zetten en dit stapsgewijs af te bouwen. Een termijn van drie à vier maanden zou hiertoe afdoende moeten zijn.

Nu het kader waarin verdachte thans hulp en begeleiding ontvangt hem een goede structuur lijkt te bieden, zal de rechtbank het advies van de heer Eskamp op dat punt volgen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. Voor dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen straf, ziet de rechtbank daarentegen geen aanleiding.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [aangever 1] toe te wijzen voor zover de vordering ziet op de kostenpost ‘Carglass’. De kostenpost ‘Muntstad’ dient gematigd te worden, met dien verstande dat het bedrag betreffende ‘navilock’ niet voor toewijzing vatbaar is. Voorts heeft de officier van justitie gevorderde de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te passen.

Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de verhoging van het eigen risico en de kosten die verbonden zijn aan het plaatsen van een zogenoemde ‘navilock’ niet voor toewijzing vatbaar zijn. Ten aanzien van de overige opgevoerde schadeposten heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [aangever 1] heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 1.005,83, ter zake materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schadebedragen betreffende ‘Carglass’, groot € 65,00, en het gevorderde bedrag aangaande ‘Muntstad’, groot € 240,83 ter zake materiële schade een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Deze gevorderde bedragen acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het gevorderde schadebedrag betreffende de verhoging van het eigen risico van € 300,00 naar € 1.000,00 voor een deel een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Benadeelde partij [aangever 1] heeft ter terechtzitting aangegeven dat er in korte tijd drie keer in zijn auto is ingebroken. Het bewezen verklaarde feit was de derde keer. Om die reden heeft de verzekeringsmaatschappij, naar aanleiding van het bewezen verklaarde feit, het eigen risico met € 700,00 verhoogd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voor 1/3 deel aansprakelijk is voor deze ophoging van het eigen risico, te weten € 233,33. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag matigen maar wel als voorschot toekennen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde bedragen à € 65,00, € 240,83 en € 233,33 ter zake materiële schade een rechtstreeks gevolg zijn van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Deze acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot het totaal bedrag van voornoemde kostenposten, te weten € 539,16, toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 150,00,ter zake van arbeidsderving, onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [aangever 1] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen en de wettelijke rente toekennen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z. 77aa, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht. zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 60 (zestig) dagen, waarvan 33 (drieëndertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens William Schrikker Jeugdreclassering ook als die zouden inhouden zich te laten behandelen bij De Waag of Wier en zich te laten begeleiden door Nieuwe Perspectieven;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen;

- dat verdachte meewerkt aan ITB-plus gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd;

* dat de verdachte zich hierbij houdt aan de aanwijzingen van de William Schrikker Groep, afdeling jeugdreclassering;

* dat de verdachte zich houdt aan de afspraken zoals opgenomen in de rapportage van de William Schrikker Groep d.d. 14 mei 2012;

* dat de verdachte bereikbaar is voor de wijkagent via de telefoon ([telefoonnummer]) en de e-mail ([naam]);

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 539,16 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 539,16 te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Voorlopige hechtenis

- Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang de dag waarop onderhavig vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juni 2012.