Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1384

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
16/601259-11 en 16/600826-09 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging tot inbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/601259-11 en 16/600826-09 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag te Zwaag

raadsvrouw mr. E.I.E. Heuvelman, advocaat te Veenendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

onder 1: in de periode van 27 december 2011 tot en met 28 december 2011 in Rhenen

samen met een ander of anderen gestolen laptops, sieraden (waaronder een trouwring) en een sieradenkist heeft verworven, voorhanden gehad of overgedragen;

onder 2: op 28 december 2011 in Rhenen samen met een ander of anderen heeft geprobeerd een woninginbraak te plegen;

onder 3: op 28 december 2011 in Rhenen samen met een ander of anderen gestolen sieraden en kentekenplaten heeft verworven, voorhanden gehad of overgedragen.

3 De voorvragen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting bij pleidooi met betrekking tot het onder 1 en 3 ten laste gelegde aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat niet is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en onvoldoende feitelijk is. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet specifiek wordt vermeld op welke sieraden danwel welke laptop de tenlastelegging betrekking heeft.

De rechtbank overweegt dat de raadsvrouw van de verdachte eerst bij pleidooi haar verweer heeft gevoerd en dat tijdens de behandeling van de zaak daaraan voorafgaand niet is gebleken dat de verdachte niet wist waar de tegen hem bestaande verdenking precies uit bestond en waartegen hij zich moest verdedigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het wetboek van strafvordering voldoet.

De dagvaarding is daarom geldig.

De rechtbank stelt verder vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit en heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat de verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het onder 2 ten laste gelegde feit het volgende .

Op 28 december 2011 omstreeks 2.30 uur zag de getuige [getuige] drie personen ter hoogte van de [adres] te Rhenen . De getuige zag dat deze personen tegen het raam of de sponning aan het duwen waren . Door de verbalisant werd braakschade aan het keukenraam van de woning aan de [adres] geconstateerd .

Op 28 december 2011 omstreeks 2.43 uur werd de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte] en [verdachte] in Rhenen aangetroffen op een parkeerplaats aan de [adres] te Rhenen .

De getuige [getuige] heeft verklaard dat er lampjes aan de schoenen van een van de personen die zij gezien had bij de [adres] aan en uit gingen . Tijdens een van de verhoren van de verdachte [verdachte] heeft de verbalisant opgemerkt dat als het licht op de glimmende onderdelen aan de schoenen van de verdachte [verdachte] reflecteert het lijkt alsof er lampjes schitteren op de schoenen .

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat de verdachte op 28 december 2011 samen met de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] heeft geprobeerd in een woning in Rhenen in te breken.

4.4 Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft gepleegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

2.

hij op 28 december 2011 te Rhenen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen van hun gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders getracht een raam van die woning open te breken/te forceren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 2:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat, wanneer de rechtbank toch tot een veroordeling komt voor het ten laste gelegde, de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is en dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdediging heeft daarbij aangegeven dat de verdachte bereid is het lopende toezicht door de reclassering voort te zetten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Woninginbraken en pogingen daartoe zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving teweeg brengen. De verdachte lijkt slechts uit te zijn op persoonlijk financieel gewin zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor zijn slachtoffers.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 3 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 13 maart 2012, waaruit blijkt dat de reclassering op meerdere leefgebieden problemen heeft geconstateerd. De reclassering heeft geen advies gegeven, maar wel aangegeven dat indien de rechtbank een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen, bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn. De rechtbank volgt de reclassering niet. Gelet op de proceshouding van de verdachte en de in het verleden aan de verdachte opgelegde straffen al dan niet met (bijzondere) voorwaarden, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om thans een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 250,- in verband met geleden immateriële schade door feit 2. Nu onvoldoende is komen vast te staan dat deze immateriële schade zich ten gevolge van het handelen van verdachte heeft voorgedaan dient de vordering te worden afgewezen.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 1, 4, 6, 7, 8, 9, 14, 15, 18, 22 en 27 van de aan dit vonnis als bijlage III gehechte kennisgeving van inbeslagneming II aan [benadeelde 2], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 13, 23, 25, 26 en 28 van de aan dit vonnis als bijlage III gehechte kennisgeving van inbeslagneming II aan [benadeelde 3], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het inbeslaggenomen voorwerp onder nummer 1 van de aan dit vonnis als bijlage II gehechte kennisgeving van inbeslagneming I, alsmede van de inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 2, 3, 5, 10, 11, 12, 16, 17, 19, 20, 21, 24 en 29 van de aan dit vonnis als bijlage III gehechte kennisgeving van inbeslagneming II, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 30 oktober 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De verdediging is van mening dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, aangezien de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf de toekomstplannen van de verdachte zal doorkruisen.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toewijzen en de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de voorwaardelijke straf, groot 3 maanden, gelasten.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 2: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart de verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [benadeelde 2] van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte kennisgeving inbeslagneming II zijn genummerd 1, 4, 6, 7, 8, 9, 14, 15, 18, 22 en 27;

- gelast de teruggave aan [benadeelde 3] van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte kennisgeving inbeslagneming II zijn genummerd 13, 23, 25, 26 en 28;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte kennisgeving inbeslagneming I is genummerd 1 en op de kennisgeving inbeslagneming II zijn genummerd 2, 3, 5, 10, 11, 12, 16, 17, 19, 20, 21, 24 en 29;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 30 oktober 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600826-09 gedeeltelijk ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 3 maanden;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 maart 2012.