Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1319

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
16-655299-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655299-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], 3527 RD Utrecht

raadsman mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

T.a.v. feit 1: op 27 oktober 2011 te Hilversum, alleen of met een ander, een telefoon van

[aangever 1] heeft gestolen;

T.a.v. feit 2: op 27 oktober 2011 twee pasjes heeft geheeld dan wel heeft verduisterd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair, te weten verduistering, heeft begaan. Ten aanzien van feit 2 primair, heling, concludeert de officier van justitie dat vrijspraak dient te volgen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1 en feit 2 voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair is de raadsman het eens met het standpunt van de officier van justitie dat in ieder geval een vrijspraak voor feit 2 primair dient te volgen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende.

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld. Zij heeft verklaard dat zij op 27 oktober 2012 met haar vriendin [getuige 1] in de [bedrijf 1] in Hilversum was. Zij liepen naar het toilet en werden aangesproken door een jongen, verdachte 1. Een Marokkaanse jongen, 180/185 cm lang, 18 à 20 jaar oud, krullend haar met een matje tot onder de oren en een zwart/donkere jas met bontkraag.

Een tweede jongen, verdachte 2, kwam erbij staan. Een Marokkaanse jongen, 185/190 cm lang, 18 à 20 jaar oud, stekels, van achteren en zijkanten opgeschoren.

Aangeefster en haar vriendin gingen het damestoilet in en werden gevolgd door beide verdachten. Aangeefster zag dat verdachte 1 achter haar kwam staan. Zij zag en voelde dat verdachte 1 zijn armen om haar heen sloeg. Zij kon hierdoor haar armen niet meer bewegen. Aangeefster denkt dat verdachte 1 haar wel vijf à zeven minuten heeft vastgehouden. De verdachten verlieten het toilet en daarna voelde aangeefster dat haar telefoon niet meer in haar jaszak zat. Het gaat om een witte Blackberry met een foto van haar groene oog als achtergrond.

Op het perron van station Hilversum zag aangeefster verdachte 1 op een bankje zitten. Zij zag verdachte 2 op het perron staan een paar meter bij verdachte 1 vandaan. Zij is naar verdachte 1 gelopen en vroeg haar telefoon terug. Hij haalde een stapel geld uit zijn zak en zei: “wat moet ik met jouw telefoon als ik zoveel geld heb”. Vervolgens is aangeefster naar de spoorwegpolitie gegaan.

De politie houdt daarop twee jongens op het Centraal Station van Utrecht aan. Van één aangehouden jongen komt het signalement over een met het signalement zoals door aangeefster opgegeven. Deze jongen, met de zwarte jas met bontkraag en een matje in zijn nek, blijkt verdachte [verdachte] te zijn.

Eén van de andere jongens, naar later blijkt verdachte [medeverdachte 1], heeft geen identiteitsbewijs bij zich. Bij fouillering blijkt hij een witte Blackberry met op de achtergrond een groen oog bij zich te hebben.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 19 juni 2012 verklaard dat hij inderdaad op het station door een meisje is aangesproken met het verzoek haar telefoon terug te geven en dat hij gezegd heeft dat hij genoeg geld had om er zelf één te kopen en dat hij vervolgens een stapel geldbiljetten liet zien.

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat verbalisanten camerabeelden hebben bekeken van 27 oktober 2011, opgenomen in de [bedrijf 1] te Hilversum. Verbalisanten zien beide verdachten in de [bedrijf 1] lopen en zien ook aangeefster en haar vriendin naar het toilet lopen in de [bedrijf 1]. Zij hebben beide verdachten op 28 oktober 2012 in de APU te Houten gehoord en constateren dat de verdachten op de camerabeelden identiek overeenkomen met de verdachten die op 27 oktober 2012 door andere verbalisanten zijn aangehouden.

De rechtbank stelt vast op grond van bovenstaande dat verdachte op 27 oktober 2011 in de [bedrijf 1] is geweest, samen met medeverdachte [medeverdachte 1]. De telefoon is volgens aangeefster door de jongen met de zwarte jas en de bontkraag in de [bedrijf 1] weggenomen. De telefoon wordt enige tijd later bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verhaal dat [medeverdachte 1] de telefoon in de trein gevonden heeft. Uit bovengenoemde bewijsmiddelen volgt dat het niet anders kan dan dat verdachte de telefoon gestolen heeft, zoals aangeefster heeft verklaard en dat [medeverdachte 1] via [verdachte] de telefoon heeft verkregen. Er is geen bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] ten behoeve van de diefstal en het geweld. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen van diefstal met geweld. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit voor het overige, te weten de diefstal met geweld, alleen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Wegens gebrek aan wettig bewijs zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt het volgende. Ten aanzien van dit feit bevinden zich in het dossier drie dingen. De pasjes zijn bij verdachte aangetroffen. Op 26 april 2011 is aangifte van diefstal van deze pasjes gedaan. Bij de politie en vervolgens ook ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij de pasjes twee dagen eerder in de tuin bij zijn huis heeft gevonden. Hij is allereerst nagegaan of deze misschien van zijn buurman waren. Toen dat bleek niet het geval te zijn, wilde hij ze naar de politie brengen. Aangezien uit het dossier geen aanwijzingen volgen dat verdachtes verklaring over het aantreffen van de pasjes en zijn voornemen deze naar te politie te brengen onjuist zijn, zal de rechtbank van deze verklaring uit moeten gaan. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet bewezen achten dat er sprake is van heling. Evenmin kan bewezen worden verklaard dat verdachte over de goederen als heer en meester heeft beschikt. Hij erkende immers dat hij niet de rechthebbende was en dat hij gehouden was deze binnen bekwame spoed naar de politie of de gemeente te brengen. Uit het feit dat hij dat nog niet na een dag had gedaan kan naar het oordeel van de rechtbank niet afgeleid worden dat hij de pasjes zich wederrechterlijke heeft toegeëigend.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 27 oktober 2011 te Hilversum, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een telefoon (merk Blackberry), toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestonden dat hij,

verdachte die [aangever 1] tot in het damestoilet heeft gevolgd en vervolgens die [aangever 1] van achteren (onverhoeds) heeft vastgepakt en vastgehouden en vastgeklemd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

T.a.v. feit 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman vordert primair vrijspraak en subsidiair een straf waarvan een groot deel voorwaardelijk is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan heeft de rechtbank gelet op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbare feit, te weten een diefstal met geweld. Hij heeft op een intimiderende en doortrapte wijze, in een openbare gelegenheid, aangeefster haar mobiele telefoon afhandig gemaakt. Hierdoor heeft verdachte het gevoel van veiligheid in het algemeen en dat van het slachtoffer in het bijzonder ernstig aangetast. Het wegnemen van een mobiele telefoon vormt ook een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, aangezien dergelijke telefoons vaak persoonlijke informatie bevatten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, ook nu verdachte wordt vrijgesproken van het tweede ten laste gelegde feit, recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

T.a.v. feit 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mrs. P.W.G. de Beer en

Z.J. Oosting, rechters, in tegenwoordigheid van P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 juli 2012.

Mr. P.W.G. de Beer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.