Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1314

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
16-601240-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 210 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601240-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsvrouw mr. A.E. Diepersloot, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

T.a.v. feit 1: op 20 december 2011 te Amsterdam, [aangever 1] heeft bedreigd;

T.a.v. feit 2: op 8 oktober 2011 te Amsterdam, met anderen, een portemonnee van [aangever 2] heeft gestolen;

T.a.v. feit 3: op 27 oktober 2011 te Hilversum, alleen of met een ander, een telefoon van [aangever 3] heeft gestolen, dan wel deze in bezit heeft gehad terwijl hij wist dat deze gestolen was;

T.a.v. feit 4: op 16 november 2011 te Utrecht, [aangever 4] heeft beledigd;

T.a.v. feit 5: op 16 november 2011 te Utrecht, [aangever 4] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft gesteld dat het openbaar ministerie voor wat betreft feit 4 niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het ten laste gelegde feit een klachtdelict betreft, dat wil zeggen dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging overgaat anders dan na klacht. Omdat uit de inhoud van de klacht van slachtoffer [aangever 4] niet is gebleken tegen welk strafbaar feit zij vervolging heeft gewenst moet het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de klacht van slachtoffer [aangever 4] weliswaar twee dagen te laat is ingediend, maar dat uit zowel de klacht als de schriftelijke slachtofferverklaring van mevrouw [aangever 4] duidelijk de wens tot vervolging blijkt van hetgeen waarvan zij aangifte bij de politie heeft gedaan. Andere vereisten stelt de wet niet, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Ingevolge artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering bestaat een klacht uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Ingevolge artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht dient een klacht te worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. De rechtbank constateert dat [aangever 4] op 16 november 2012 aangifte tegen verdachte heeft gedaan wegens onder meer belediging en dat zij op 18 februari 2012 een formele klacht heeft ingediend, waarin staat dat [aangever 4] vervolging wenst voor belediging met de woorden ‘kankerhoer’. Hoewel de klacht twee dagen te laat is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging, omdat uit de oorspronkelijke aangifte - mede gelet op de vordering benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring -, duidelijk de wens tot vervolging blijkt en derhalve aan de wettelijke vereisten is voldaan.

Hieruit volgt dat de officier van justitie voor wat betreft alle ten laste gelegde feiten ontvankelijk is in haar vervolging.

Er is voor het overige geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 3 primair heeft begaan en vraagt vrijspraak voor de diefstal van de mobiele telefoon van [aangever 3].

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1 baseert de officier van justitie zich op de aangifte van [aangever 1], de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat verdachte een soort zakmes bij zich had en de verklaring van verdachte waarin hij aangeeft woedend te zijn geweest en gescholden heeft.

Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige 3] en het proces-verbaal van bevindingen waarin gesteld wordt dat er een identiteitsbewijs is afgegeven door de vermoedelijke dader. De officier van justitie acht verdachte schuldig aan medeplegen van de diefstal, omdat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft de hamburger uit de handen van het slachtoffer willen slaan, zodat een ander de portemonnee kon stelen en na de diefstal heeft verdachte ook daadwerkelijk de portemonnee in zijn handen gehad.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair baseert de officier van justitie zich op de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen waarin gerelateerd wordt aan de camerabeelden van [naam], de getuigenverklaring van [getuige 4] en het aantreffen van de gestolen telefoon bij verdachte. Verder wijst zij op een feit dat op het strafblad staat waar iets soortgelijks zou zijn gebeurd. Verdachte bevestigt dit ter zitting op een vraag van de officier.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 baseert de officier van justitie zich op de aangifte, getuigenverklaringen die de aangifte ondersteunen en de verklaring van verdachte dat hij gescholden heeft en boos was.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 tot en met 5 en wijst daarbij op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van alle feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende. [aangever 1] heeft op 20 december 2011 aangifte gedaan ter zake van bedreiging. Hij verklaarde dat hij op 20 december 2011 op station Amsterdam Amstel te Amsterdam stond. Hij wilde in de trein stappen die naar het station Amsterdam Centraal ging. Hij had een fiets in zijn hand en bij het naar binnen stappen in de trein stootte hij met zijn fiets tegen een jongen aan. Aangever hoorde de jongen roepen: “Als we straks op Amsterdam Centraal komen dan steek ik je neer!" Aangever zag dat de jongen op dat moment zijn vinger naar zijn keel bracht en daarmee een snijdende beweging langs zijn keel maakte. Hij voelde zich op dat moment erg angstig omdat hij dacht dat de jongen dat echt zou doen.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag en hoorde dat een agressieve jongen heel hard aan het schelden was. Zij hoorde dat hij heftige dreigende taal riep, zoals: “Ik maak je dood”.

Verdachte heeft op de zitting van 19 juni 2012 verklaard dat hij op 20 december 2011 in Amsterdam in de trein stapte. Een man kwam met een fiets tegen hem aan. Verdachte werd hier boos over en begon tegen aangever te schelden.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bedreiging met een misdrijf tegen het leven bewezen verklaard.

Bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende. [aangever 2] heeft op 25 oktober 2011 aangifte gedaan. In de aangifte heeft hij verteld dat hij op 8 oktober 2011 in de hal van een trein stond die reed van Centraal Station te Utrecht naar Centraal Station te Amsterdam. Hij was met twee vrienden en zij waren met drie andere jongens aan het praten. Op een gegeven moment voelde hij een hand in zijn jaszak gaan en er meteen weer uit gaan. Op dat moment had hij een hamburger in zijn hand. Hij voelde meteen daarna dat een jongen zijn hamburger uit zijn hand wilde pakken. Dit lukte niet en meteen daarop liepen de drie jongens uit de hal van de trein weg. [aangever 2] voelde meteen dat zijn portemonnee uit zijn jaszak weggenomen was. Een meisje uit de trein kwam vragen of iemand zijn portemonnee kwijt was, want er liepen net drie jongens langs die een portemonnee in hun hand hadden en ze deden daar nogal lacherig over. Het meisje beschreef de jongens en de omschrijving kwam overeen met de jongens die bij aangever in de hal hadden staan praten. Toen het meisje de portemonnee omschreef wist aangever zeker dat een van de jongens zijn portemonnee had gestolen. Aangever is naar de jongens toe gelopen en zag één van de jongens met zijn rijbewijs in de hand. Hij vroeg zijn eigendommen terug en kreeg zijn rijbewijs en treinkaartjes van één van de jongens terug. De andere spullen kreeg aangever niet terug. Hij is vervolgens naar een conducteur gelopen. De conducteur hield de verdachte jongens staande. Aangever herkende de jongens als de jongens die hem bestolen hadden. Ook heeft aangever verklaard dat hij er geen moment aan twijfelt dat de drie jongens bij elkaar hoorden. De hele rit stonden ze samen en spraken ze over ‘we’ en niet over ‘ik’ en tijdens een telefoon gesprek van één van de jongens werd er met de andere twee jongens overlegd over wat ze die avond zouden gaan doen.

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij [aangever 2] hoorde zeggen dat zijn portemonnee door één van de jongens was gestolen die zojuist in de trein bij hem had staan praten. Toen de trein stopte hebben getuige [getuige 3] en aangever Streng hun verhaal aan de spoorwegpolitie verteld. Iemand van de spoorwegpolitie zei dat één van de verdachte jongens weg was gelopen, maar wel een ID kaart had afgegeven. Getuige [getuige 3] zag dat de foto op de ID kaart gelijkend was aan één van de jongens die vermoedelijk de portemonnee had gestolen.

Uit de goederenbijlage, behorend bij de aangifte van [aangever 2] volgt dat een portemonnee, een (bank)pas en een ov-jaarkaart gestolen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van diefstal. Aangever heeft verklaard dat verdachte en de twee andere jongens duidelijk met zijn drieën bij elkaar hoorden. Samen hebben ze de portemonnee van aangever gestolen. Ze hebben dit gedaan door met hem te praten, naar zijn hamburger te grijpen . De rechtbank classificeert deze gedragingen als een nauwe en bewuste samenwerking waarvan geen van de drie jongens zich gedistantieerd heeft. Welke verdachte precies de portemonnee uit de zak van aangever heeft gepakt, doet verder niet ter zake. Vervolgens heeft verdachte zijn identiteitsbewijs afgegeven, nadat hij op aanwijzen van aangever door de spoorwegpolitie staande was gehouden. Getuige [getuige 3] heeft geconstateerd dat de foto op het identiteitsbewijs overeenkwam met één van de verdachten.

Ter terechtzitting heeft verdachte verteld dat hij op dat moment niet in de trein is geweest en niet zijn identiteitsbewijs zou hebben afgegeven. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk nu getuige [getuige 3] verdachte op het identiteitsbewijs heeft herkend en de spoorwegpolitie het identiteitsbewijs heeft geaccepteerd als afkomstig van degene die het gaf en zij dus geen reden zag te vermoeden dat de gever niet de persoon zou zijn die op het bewijs stond afgebeeld. Bovendien is uit het dossier gebleken dat verdachte niet eerder dan op 13 november 2011 aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn identiteitsbewijs, welke kwijt geraakt zou zijn rond 11 november 2011. Daaruit volgt dat verdachte op 8 oktober 2011 zijn identiteitsbewijs nog had. De rechtbank stelt vast dat verdachte de persoon is geweest die zijn eigen identiteitsbewijs aan de spoorwegpolitie heeft overhandigd en dat hij degene is geweest die met twee andere jongens de portemonnee van aangever heeft gestolen.

Vrijspraak feit 3 primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van feit 3 primair, medeplegen van diefstal, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een veroordeling te komen. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Bewijs ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank acht feit 3 subsidiair, heling, wel wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op het volgende.

[aangever 5] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld. Zij heeft verklaard dat zij op 27 oktober 2012 met haar vriendin [getuige 4] in de [naam] in Hilversum was. Zij liepen naar het toilet en werden aangesproken door een Marokkaanse jongen, 180/185 cm lang, 18 à 20 jaar oud, krullend haar met een matje tot onder de oren en een zwart/donkere jas met bontkraag.

Een tweede jongen kwam erbij staan. Een Marokkaanse jongen, 185/190 cm lang, 18 à 20 jaar oud, stekels, van achteren en zijkanten opgeschoren.

Aangeefster en haar vriendin gingen het damestoilet in en werden naar binnen gevolgd door beide verdachten. Aangeefster zag dat de ene verdachte met de zwarte jas met bontkraag achter haar kwam staan. Zij zag en voelde dat hij zijn armen om haar heen sloeg. Zij kon hierdoor haar armen niet meer bewegen. Aangeefster denkt dat deze verdachte haar wel vijf à zeven minuten heeft vastgehouden. De verdachten verlieten het toilet en daarna voelde aangeefster dat haar telefoon niet meer in haar jaszak zat. Het gaat om een witte Blackberry met een foto van haar groene oog als achtergrond.

Op het perron van station Hilversum zag aangeefster beide verdachten. Vervolgens is aangeefster naar de spoorwegpolitie gegaan.

De politie houdt vervolgens op het Centraal Station van Utrecht twee jongens aan. Eén van de jongens, verdachte [verdachte], heeft geen identiteitsbewijs bij zich. Bij fouillering blijkt hij een witte Blackberry met op de achtergrond een groen oog bij zich te hebben.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 19 juni 2012 verklaard dat hij de telefoon in de trein gevonden heeft en dat hij niet meer weet of hij in de [naam] is geweest.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten camerabeelden hebben bekeken van 27 oktober 2011 in de [naam] in Hilversum. Zij zien aangeefster en haar vriendin naar het toilet lopen en ook beide verdachten. Zij hebben beide verdachten op 28 oktober 2012 in de APU te Houten gehoord en constateren dat de verdachten op de camerabeelden overeenkomen met de verdachten die op 27 oktober 2012 door andere verbalisanten zijn aangehouden. De jongen met de zwarte jas met bontkraag herkennen zij als medeverdachte [medeverdachte 1], de andere jongen met een grijs shirt als verdachte zelf. Verdachte bevestigt ter zitting dat hij een grijs shirt droeg.

De rechtbank stelt vast op grond van bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte op

27 oktober 2011 in de [naam] is geweest, samen met medeverdachte [medeverdachte 1]. De telefoon is in de [naam] weggenomen en korte tijd later bij verdachte aangetroffen, zonder dat hij daar een aannemelijke verklaring voor heeft. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verhaal dat hij de telefoon in de trein gevonden heeft. De telefoon kan niet al in de trein die net het station was binnengelopen, hebben gelegen omdat deze vlak daarvoor gestolen was in de [naam] in Hilversum. Het kan niet anders dan dat verdachte wist dat de telefoon van misdrijf afkomstig was, nu deze vlak voordat hij de telefoon in bezit kreeg, gestolen was. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs ten aanzien van feit 4 en 5

Op 16 november 2011 doet [aangever 4] aangifte van bedreiging en belediging. Zij verklaart dat zij voor haar woning te Utrecht stond en een foto wilde maken van een auto. Zij zag een jongen voor haar staan die zij kent uit de buurt waar zij woont. De jongen zei: “zet mij niet op de foto kankerhoer” en “Kankerhoer, ga je moeder neuken”. Aangeefster voelde zich beledigd door deze woorden. Verdachte zei dit in bijzijn van haar kinderen en zij voelde zich in haar eer aangetast. Vervolgens kwam hij met gebalde vuisten en zijn armen gespreid op haar af lopen. Hij bewoog zijn vuist, kennelijk met kracht, in de richting van haar hoofd. Zij kon nog net de klap ontwijken. De jongen bleef dreigend voor aangeefster staan en zei: “Je ruiten gaan er vanavond uit, je gaat vannacht niet slapen en je gaat eraan”.

De buurvrouw van aangeefster, [getuige 5], heeft een getuigenverklaring afgelegd. Zij hoorde een jongen roepen: “kankerhoer”. Toen zij omkeek zag zij een bekende jongen uit de wijk voor de woning van haar buurvrouw staan. Zij hoorde dat hij haar erg veel uitschold en uiteindelijk ook bedreigde. Vervolgens zag zij dat de jongen zijn vuist balde en ophief tegenover de buurvrouw. Toen ging zij ervan uit dat hij haar buurvrouw echt ging slaan. Zij hoorde hem hierbij zeggen: “ik maak je kapot kankerhoer”.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 19 juni 2012 verklaard dat hij woedend op mevrouw [aangever 4] was en gescholden heeft.

Op 18 februari 2012 heeft aangeefster schriftelijk klacht gedaan waarmee zij verzoekt tot vervolging van verdachte.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 20 december 2011 te Amsterdam, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, immers heeft verdachte met zijn vinger een snijdende beweging langs de keel gemaakt en daarbij voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als we straks op Amsterdam Centraal komen dan steek ik je neer”;

2.

op 8 oktober 2011 te Amsterdam, althans in het arrondissement Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en een pas en een ov-jaarkaart, toebehorende aan [aangever 2];

3.

(parketnummer 16/655300-12)

Subsidiair

op 27 oktober 2011 te Hilversum, een telefoon (merk Blackberry) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die telefoon wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

op 16 november 2011 te Utrecht, opzettelijk een persoon genaamd [aangever 4], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door meermalen tegen die [aangever 4] te zeggen:

"kankerhoer" en "kankerhoer, ga je moeder neuken";

5.

op 16 november 2011 te Utrecht, [aangever 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met gebalde vuisten voor die [aangever 4] gaan staan en heeft verdachte een slaande beweging met zijn vuist gemaakt in de richting van die [aangever 4] en heeft verdachte voornoemde [aangever 4] dreigend de woorden toegevoegd :"je ruiten gaan er vanavond uit, je gaat vannacht niet slapen en je gaat eraan";

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de feiten 1 en 5: Telkens: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 3 subsidiair: Opzetheling;

Ten aanzien van feit 4: Eenvoudige belediging, meermalen gepleegd;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Uit het Pro Justitia rapport van C.J.F. Kemperman, psychiater d.d. 23 maart 2012,volgt dat verdachte een jongeman is met een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. Daarnaast is sprake van misbruik van alcohol en cannabis. Onder invloed van stressbronnen of drugs kan betrokkene psychotische verschijnselen krijgen. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Betrokkene kan als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Geadviseerd wordt tot begeleiding en/of behandeling bij De Waag met aandacht voor zijn antisociale, impulsieve gedrag en het middelengebruik.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige Kemperman over en zal verdachte ten aanzien van de feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Nu er geen andere redenen zijn voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden: contactverbod met de Componistengroep voor de duur van drie maanden; contactverbod met [aangever 4] voor de duur van drie maanden; gebiedsverbod zoals omschreven in het schorsingsbevel d.d. 27 maart 2012 voor de duur van zes maanden; behandeling bij De Waag; meewerken aan reclasseringstoezicht en dagbesteding; dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft voor integrale vrijspraak gepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank gelet op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten, ernstige feiten. Hij heeft een jongen, in de trein, samen met anderen, bestolen van zijn portemonnee. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijke diefstal, nog geruime tijd de gevolgen daarvan, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, kunnen ondervinden. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, kunnen dit soort diefstallen in openbare ruimtes ook het gevoel van onveiligheid in de samenleving doen toenemen. Daarnaast heeft verdachte ook zijn eigen woonwijk onveilig gemaakt door een buurtbewoonster bedreigend en beledigend te bejegenen. Ook slachtoffer [aangever 1] heeft verdachte zo agressief bedreigd dat aangever zeer angstig van verdachte geworden is en bang was dat dreigementen door hem waargemaakt zouden worden. Zowel de bedreigingen, de belediging, de diefstal als de bewezenverklaarde heling, lijken allemaal feiten die gepleegd zijn door verdachte terwijl hij onder invloed verkeerde. Hij laat zich onder invloed van middelen van een zeer agressieve kant zien. Dit gedrag geeft zorgen, zoals eveneens in de volgende rapportages tot uitdrukking komt.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende rapportages:

- Rapport van Reclassering Nederland, opgemaakt d.d. 21 maart 2012 door H. Wiebe, reclasseringswerker, waaruit volgt dat betrokkene moeite heeft met het op orde houden van zijn leven. Excessief cannabisgebruik, het niet kunnen vasthouden van een dagbesteding en het niet op orde krijgen van zijn financiën zijn daar enkele voorbeelden van. Betrokkene lijkt onvoldoende bij machte gezonde keuzes voor zichzelf te maken en de reclassering acht het recidiverisico in hoge mate aanwezig als betrokkene geen behandeling en begeleiding accepteert. Positief is dat betrokkene gemotiveerd is voor behandeling en passende scholing, echter zal hij begeleiding nodig hebben om deze motivatie te kunnen vasthouden.

- Voortgangsverslag van Reclassering Nederland, JoVo/EC-unit Utrecht, opgemaakt d.d. 8 juni 2012 door J.E. Solinger, reclasseringswerker, waaruit volgt dat betrokkene erkent dat middelengebruik, het ontbreken van een dagbesteding, gebrek aan inkomen, opbouw van schulden en invloed van ‘verkeerde vrienden’ heeft geleid tot delictgedrag. Betrokkene heeft zich ingeschreven voor een opleiding, hij is aangemeld bij Titan en de pilot ‘Jongeren en veiligheid’, heeft een dagbesteding bij Titan en heeft zich meewerkend opgesteld. Betrokkene zegt gestopt te zijn met gebruik van softdrugs en alcohol en bereid te zijn om zich door middel van urinecontroles te laten controleren.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat de verdachte sinds 29 maart 2012 in het kader van een bijzondere voorwaarde bij schorsing van de voorlopige hechtenis heeft meegewerkt aan een weekschema en in dat verband ook meegewerkt heeft aan Electronische Controle.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie

d.d. 26 mei 2012, waaruit volgt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 93 dagen voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk en beoogd wordt verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en hem de nodige ondersteuning te bieden.

De rechtbank acht -anders dan de officier van justitie- geen termen aanwezig om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen, daar de bewezenverklaarde feiten dateren van voor 1 april 2012 en de wettelijke mogelijkheid van dadelijke uitvoerbaarheid toen nog niet van kracht was. Deze wetswijziging is niet een voor verdachte gunstiger bepaling dan de oude regeling.

Omdat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij de aanvang van de behandeling van de zaak is vervallen, heeft de rechtbank ter zitting de schorsing opnieuw uitgesproken, maar nu voor onbepaalde tijd. Van deze beslissing is een aparte beschikking opgemaakt.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 4] vordert een schadevergoeding van € 350,- voor de feiten 4 en 5.

De officier van justitie heeft gevorderd het bedrag te matigen tot een immateriële vergoeding van € 200,-.

De raadsman heeft gesteld dat een immateriële schadevergoeding van € 100,- passend is.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 100,- een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten 4 en 5, ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 266, 285, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van feit 3 primair;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van de feiten 1 en 5: Telkens: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 3 subsidiair: Opzetheling;

Ten aanzien van feit 4: Eenvoudige belediging, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 210 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt:

- een behandeling bij De Waag;

- meewerken aan een dagbesteding;

- meldingsgebod bij Reclassering Nederland binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis;

- verplichte urinecontroles;

- contactverbod met [aangever 4] voor de duur van drie maanden na aanvang van de proeftijd;

- gebiedsverbod zoals omschreven in bijlage II voor de duur van zes maanden na aanvang van de proeftijd;

- contactverbod met de Componistengroep zoals omschreven in bijlage III voor de duur van drie maanden na aanvang van de proeftijd;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] van € 100,-, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4], € 100,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. E.A. Messer en

mr. E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 juli 2012.

Mr. P.W.G. de Beer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.