Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1299

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
16/711547-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat zowel de bivakmuts, de mobiele telefoons, de aantekeningen betreffende de locaties en namen van banken, winkels en juweliers als de gasfles en de computer waarmee op internet is gezocht naar (locaties van) banken, winkels, juweliers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711547-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

verblijvende te P.I. Midden Holland, HvB Haarlem, Haarlem,

[adres].

Raadsvrouwe mr. A.A. Holleeder, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 7 januari 2011 te Utrecht samen met een ander of anderen een roofoverval op medewerkers van [bedrijf] heeft gepleegd;

Feit 2: in de periode van 1 juni 2011 tot en met 21 december 2011 te Amsterdam en/of Utrecht samen met een ander of anderen voorbereidinghandelingen heeft verricht voor een beroving of afpersing;

Feit 3: in de periode van 29 oktober 2011 tot en met 21 december 2011 te Amsterdam samen met een ander of anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om een ontploffing te weeg te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Feit 4: in de periode van 20 april 2011 tot en met 22 juni 2011 zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van een bestelbus en/of een motorscooter en/of een personenauto en/of kentekenplaten.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft ter terechtzitting met betrekking tot feit 2 de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan de orde gesteld en heeft wegens strijd met een behoorlijke strafprocesorde tot niet-ontvankelijkheid verzocht. Het OM heeft blijkens de dagvaarding met betrekking tot feit 2 aan verdachte een voorbereidingshandeling tot het plegen van een overval of afpersing ten laste gelegd. De verdediging heeft met betrekking tot feit 2 bepleit dat dit feit bij medeverdachte [medeverdachte 1] uitsluitend is tenlastegelegd als een heling. Het standpunt van het OM zou anders en tegenstrijdig zijn ten aanzien van verdachte, aan wie op grond van exact hetzelfde dossier wel een voorbereidingshandeling tot het plegen van een overval of afpersing ten laste is gelegd. Voor het verschil in behandeling van deze drie verdachten in dezelfde zaak en met hetzelfde feitencomplex kan geen rechtvaardiging worden gevonden, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt. De vervolgingsbeslissing staat ter beoordeling van het openbaar ministerie. Krachtens het in artikel 167, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het OM om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt en wat het voorwerp van het geding zal zijn. De rechter oordeelt uitsluitend over en op grondslag van de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat in de onderhavige zaak sprake is van een exact hetzelfde feitencomplex als bij de medeverdachte [medeverdachte 1].

De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van feit 1 wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen.

Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat het aantreffen van het aan verdachte toegeschreven DNA op de riem onvoldoende bewijs oplevert van zijn daderschap bij dit delict. Daarbij is er geen of onvoldoende ander bewijs dat wijst op het daderschap van verdachte. Ook aanvullend DNA-onderzoek op haren gevonden in de broek leveren geen bevestiging op dat verdachte die broek ooit of als laatste heeft gedragen. Ook hier geldt dat het haar afkomstig is van een andere persoon. Het is aannemelijk dat dit de persoon is die als laatste de broek heeft gedragen en in de visie van het OM de overvaller is. Gelet hierop verzoekt de verdediging verdachte van dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat uit geen enkele gedraging een intentie op een voorbereidingshandeling valt vast te stellen. Noch is er volgens de verdediging sprake van enige gedraging met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen vast te stellen, waaraan nog voorafgaat dat een wetenschap van aanwezigheid van die “middelen” niet kan worden vastgesteld.

Bovendien staan de bewijsmiddelen volgens de verdediging niet toe dat de aangetroffen voorwerpen in onderling verband worden beschouwd, en reeds daarom is uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat deze voorwerpen bestemd waren tot het begaan van een achtjaars-feit. Ten aanzien van geen van de genoemde voorbereidingsmiddelen blijkt dat verdachte die voorhanden heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat hij wist dat medeverdachte [medeverdachte 2] of een ander in die woning die al dan niet voorhanden hadden. In zoverre dient verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van die (niet onder hemzelf) aangetroffen goederen. Verdachte dient dan ook van feit 2 te worden vrijgesproken.

Ook voor feit 3 geldt volgens de verdediging dat uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat verdachte enige bemoeienis met deze gasfles heeft gehad, deze gasfles voorhanden heeft gehad, of heeft moeten vermoeden dat die gasfles in de boxruimte van het huis van medeverdachte [medeverdachte 2] aanwezig was. Noch blijkt van een gedraging die hij hiermee zou hebben verricht in het kader van een voorbereidingshandeling. Ook kan uit de computergegevens niet blijken dat het verdachte is geweest die heeft gezocht naar informatie over plofkraken. Het feit dat verdachte veelvuldig medeverdachte [medeverdachte 2] bezoekt kan dat bewijs niet leveren. Bovendien ontbreekt enige aanwijzing dat verdachte opzet op een dergelijk delict zou hebben gehad. De verdediging verzoekt verdachte van dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 4 concludeert de verdediging ook tot vrijspraak. Voor wat betreft de aangetroffen kentekenplaten merkt de verdediging op dat uit de bewijsmiddelen geen enkele relatie blijkt tussen verdachte en deze kentekenplaten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de Volkswagen Polo. Het blijft puur speculatie dat er überhaupt een relatie is tussen verdachte en die auto. Voor wat betreft de motorscooter die in de Peugeot Boxer is aangetroffen, alsmede de Peugeot Boxer zelf ontbreekt het aan elk bewijs voor heling, zodat verdachte ook van dit laatste feit dient te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Overwegingen met betrekking tot vrijspraak van feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank is er in het dossier geen wettig bewijs voorhanden dat de verdachte de ten laste gelegde diefstal met geweld op een geldauto van [bedrijf] heeft gepleegd. Het enkel aantreffen van DNA van verdachte op een witte broek die in de vermoedelijke vluchtauto is gevonden is daarvoor onvoldoende.

Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

4.3.2. De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen wat betreft de feiten 2, 3 en 4

de feiten 2, 3 en 4

Bij zijn beoordeling van de feiten 2, 3 en 4 is de rechtbank uitgegaan van de navolgende uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken en in wettige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden.

4.3.2.1. De bevindingen van verschillende verbalisanten

Op woensdag 22 juni 2011 omstreeks 19:44 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1], in uniform gekleed en met een collega rijdend in een opvallend surveillancevoertuig, van de regionale meldkamer Utrecht het verzoek te gaan naar de [adres] te Utrecht. Een getuige had gezien dat een blauwe bus voorzien van het kenteken [kenteken] twee geparkeerd staande voertuigen had geraakt en daarna was doorgereden. Toen verbalisant vanaf de [adres] te [adres] te Utrecht in reed zag hij een blauwe bus staan met het kenteken [kenteken]. Hij zag dat de bestuurder van dit voertuig uitstapte, hun richting op keek en weg rende in de richting van de [adres]. [verbalisant 1] riep ‘Stop, politie.’ Collega [verbalisant 2] stapte uit hun surveillancevoertuig en [verbalisant 1] riep hem toe dat hij achter de man aan moest gaan rennen. [verbalisant 1] heeft het surveillancevoertuig daarop achteruit gereden en is via de [adres] naar de [adres] te Utrecht gereden zodat hij parallel aan de bestuurder en zijn collega reed. Ondertussen gaf hij via de portofoon door aan de meldkamer dat de bestuurder van de blauwe bus er rennend vandoor was gegaan in de richting van de [adres]. Verbalisant reed richting [adres] maar kon in verband met werkzaamheden de brug niet op rijden Hij zag drie jongens de trappen van de brug op rennen. Hij zag dat de achterste jongen diegene was die hij even tevoren uit de blauwe bus had zien stappen. Hij zag dat de jongens gevolgd werden door zijn collega [verbalisant 2]. Hij zag dat de andere twee jongens donkere jassen droegen en dat in ieder geval een van hen een petje droeg. Hij is de brug op gerend en zag op dat moment enkel nog de jongen die hij herkende als de bestuurder van de blauwe bus. Hij gaf portofonisch door waar hij de bestuurder van het busje zag lopen en dat deze een zwarte jas met een rode capuchon droeg. Hij zag een aantal surveillance-eenheden naderen en wees hen de bestuurder aan, zelf rende hij op dat moment ongeveer 15 meter achter de bestuurder. Hij zag vervolgens dat de bestuurder werd aangehouden door de eveneens ter plaatse gekomen collega [verbalisant 6]. Deze bestuurder bleek later te zijn [medeverdachte 1] . [verbalisant 1] zag toen dat collega [verbalisant 2] nabij het kanaal liep. Hij vertelde hem dat hij het zicht op de andere twee verdachten was kwijtgeraakt.

Hij stapte in het (door de bestuurder achtergelaten) busje en zag dat het contactslot ontbrak. Hij zag dat er achter in het voertuig een scooter stond. Het kenteken van de auto bleek als gestolen te boek te staan.

Verbalisant [verbalisant 2] is achter de bestuurder aangerend die uit de hierboven genoemde blauwe bus stapte. Hij zag de jongen bij de [adres] de trap oprennen met nog twee andere jongens. Eén van die jongens droeg een beige pet. Toen verbalisant bij de [adres] aan kwam zag hij twee jongens staan die riepen ‘Over de brug! Eenmaal op de brug zag verbalisant dat de verdachte bestuurder werd aangehouden. Hierop is verbalisant terug gelopen naar de twee jongens en vroeg naar het signalement van de jongens die hij had zien wegrennen. De jongens zeiden dat één een jas met een bontkraag droeg, de andere droeg een pet. Ze vertelden dat de jongens over de [adres] waren gerend in de richting van de [adres] en dat ze langs het kanaal liepen op de [adres]. Hierop heeft verbalisant dit aan de meldkamer doorgegeven.

Op woensdag 22 juni 2011 omstreeks 20.05 uur zagen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dat een verdachte werd aangehouden in de middenberm tussen de [adres] en het [adres] te Utrecht. Zij hoorden portofonisch dat er nog twee verdachten te voet waren ontkomen en over de [adres] in onbekende richting zouden lopen. Het opgegeven signalement luidde: 2 manspersonen, 1 donkere kleding, 1 zwarte jas met bontkraag en beige petje.

Vervolgens zijn zij direct over de [adres] richting het [adres] gereden. Over een afstand van ongeveer 300 meter zagen zij 2 manspersonen lopen in donkere kleding. Toen zij de personen tot op 20 meter naderden, zagen zij dat deze personen voldeden aan het opgegeven signalement. De personen werden staande gehouden en beiden bleken afkomstig uit Amsterdam. Op de vraag van collega [verbalisant 4] waar zij vandaan kwamen, antwoordde de later als verdachte aangehouden [verdachte]: “Wij gaan de stad in, wij hebben afgesproken met 2 meisjes.” Zij hoorden dat beide personen niet specifiek konden aangeven waar ze hadden afgesproken in de stad. Hierop hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] beide personen als verdachte aangehouden. De aangehouden personen bleken te zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2].

Op 8 juli 2011 reed verbalisant [verbalisant 5] over de [adres] te Utrecht ter hoogte van perceel 132. Dat is in de nabije omgeving van de plek waar de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren aangehouden en in de directe omgeving van waar verdachten waren gezien. Ter hoogte van genoemd perceel trof de verbalisant een geparkeerde grijze Volkswagen Polo aan met het kenteken [kenteken]. Hij zag dat de voorwielen in een wegrijdende stand stonden. Het bleek dat het voertuig van diefstal afkomstig en was gestolen in Amsterdam. Het voertuig is veilig gesteld.

4.3.2.2. Verklaringen van getuigen

Op 22 juni 2011 omstreeks 19.40 uur, is [getuige 3] te Utrecht getuige van een aanrijding door een blauw busje van twee op de [adres] geparkeerde auto’s. Hij ziet één inzittende in het busje, de bestuurder. De bestuurder was aan het keren, ging daarmee verder na de aanrijding en reed vervolgens door.

Omstreeks 20.05 uur ziet de getuige vanaf de [adres], aan de andere kant van het water een tweetal licht getinte jongens lopen op de [adres]. De twee jongens vielen hem meteen op. Hij zag dat de twee jongens zeer nerveus om zich heen keken. Hij belde hierop 112 om dit door te geven. Op dat moment kwam er een motoragent aangereden bij die twee jongens.

Op 22 juni 2011, omstreeks 19.45 uur zag getuige [getuige 1] vanuit het raam van haar woning aan de [adres] te Utrecht het volgende: Zij zag een jongen vanuit de richting van de [adres] over de [adres] in de richting van de [adres] rennen. Deze jongen was gekleed in een rood capuchonvest. Zij zag dat hij de capuchon over zijn hoofd droeg. Dit was de reden dat de jongen haar aandacht trok. De jongen keek, terwijl hij aan het rennen was, over zijn schouder achterom. Zij zag dat achter de jongen twee politieagenten renden. Zij zag dat de jongen naar de [adres] rende. Zij zag toen dat er op de brug nog twee jongens aan het rennen waren. De jongen in het rode capuchonvest rende achter de andere twee jongens aan. Zij renden als clubje verder.

Op 22 juni 2011 ziet getuige [getuige 2] in de avond op de [adres] te Utrecht een blauwe bestelbus geparkeerd staan. Er stond een Marokkaanse jongen bij de bestelbus die in zijn eentje probeerde een scooter in de laadbak van de bus te tillen. De jongen zei dat hij de scooter kwam halen omdat hij kapot was. De scooter zag er gehavend uit. Getuige geloofde de jongen en hielp hem tillen. Toen getuige verder liep zag hij dat er twee Marokkaanse of Turkse jongens aan kwamen lopen. Zij begroetten de jongen bij de bestelbus. Eén van die jongens droeg een licht petje.

4.3.2.3. vertrouwelijke communicatie

Op 7 juli 2012 is vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen verdachte en medeverdachte [verdachte], tijdens hun vervoer naar de rechtbank Utrecht in verband met hun voorlopige hechtenis. Ze zeggen onder meer het volgende tegen elkaar:

A (verdachte): “Ja na die klapper” (ongeluk),

B ([verdachte]): “Ja zijn we uitgestapt met z’n drieën”. (…).

A: Ik wou splitsen op die

B: Ja

(…)

B: (…) die paniek gast heeft twee auto’s gebotst vriend.

A: Ja hij is lomp

(…)

B: Ik ging alleen met hem mee omdat ik die moetroe (motor/scooter) wou he.

A: Wees blij dat ik tegen jou zei niet niet niet

B: Niet met hem ([naam]) in de waggie? (auto)

A: Ja (…) ik zweer het dat zou nog erger zijn.

B: Ik weet, dan zouden ze me, dan zou ik niet kans hebben op vrijspraak.

4.3.2.4. Reisbewegingen van verdachten

In de fouillering van de verdachten worden diverse mobiele telefoons aangetroffen. In de fouillering van verdachte worden twee mobiele telefoons aangetroffen. Eén mobiele telefoon is terug te brengen op verdachte. Het bij verdachte aangetroffen tweede toestel betreft een Nokia 2230, simkaart [telefoonnummer], imeinummer [telefoonnummer]. Uit het uitlezen van de genoemde simkaart bleek het volgende.

In deze telefoon staat een opgeslagen SMS-bericht, ontvangen op 15-06-11 van [telefoonnummer]. Dit nummer is in deze mobiele telefoon opgeslagen onder de naam ‘[naam]’. Het SMS-bericht betreft de uitnodiging van vrienden en vriendinnen van de afzender ter gelegenheid van het feit dat deze de volgende dag een jaartje ouder wordt.

Uit onderzoek blijkt dat [medeverdachte 2] een broer heeft die [naam] heet en die jarig is op 16 juni.

In de telefoon staat voorts een opgeslagen SMS-bericht afkomstig van nummer

[telefoonnummer]. Dit nummer staat opgeslagen in deze mobiele telefoon onder de naam: ‘[naam]’. In de politiesystemen blijkt dat dit nummer op naam staat van [naam], [adres] hs te Amsterdam. Deze straat ligt ‘om de hoek’ bij de woning van verdachte. Nu verdachte zwijgt over deze telefoon gaat de rechtbank er op basis van deze bevindingen van uit dat deze Nokia telefoon, hoewel aangetroffen in de fouillering van verdachte, toebehoort aan [medeverdachte 2].

Uit onderzoek van de mobiele telefoons van de verdachten bleek dat de telefoons (lees: de verdachten met elk hun telefoon) op woensdag 22 juni 2011 tussen 17.36 uur en 18.31 uur vanuit Amsterdam naar Utrecht zijn gekomen. [medeverdachte 2] en verdachte hebben tijdens die rit veelvuldig telefonisch contact met [medeverdachte 1], maar niet met elkaar.

De resultaten uit het onderzoek naar de door de telefoons van verdachten aangestraalde zendmasten rond de tijdstippen 18.30 uur en 18.42 uur op 22 juni 2011 en de resultaten van de het onderzoek naar de onderlinge belcontacten tussen het toestel van [medeverdachte 1] enerzijds en de toestellen van verdachte/[medeverdachte 2] anderzijds passen in het scenario dat alle drie ongeveer gelijktijdig naar Utrecht zijn gereisd, dat [medeverdachte 1] in een ander voertuig reed dan de verdachte en [medeverdachte 2] en dat laatstgenoemden samen in één voertuig reden tijdens hun reis van hun woonplaats Amsterdam naar Utrecht.

Uit bevraging bij het gemeentelijke reistijdenmeetsysteem Utrecht bleek dat het kenteken [kenteken] (Peugeot Boxer) op 22 juni 2011 om 18.56 uur is geregistreerd op de [adres] te Utrecht, komende vanaf de rijksweg A2.

Het kenteken [kenteken] (Volkswagen Polo) is op 22 juni 2011, op dezelfde locatie geregistreerd, om 18.40 uur.

De resultaten van een vergelijking van de registraties van het kenteken [kenteken] (VW Polo) met de aangestraalde zendmastlokatiegegevens van de telefoons van de verdachte/ [medeverdachte 2] passen in het scenario dat de verdachte en [medeverdachte 2] gebruik hebben gemaakt van deze Volkswagen Polo op 22 juni 2011.

4.3.2.5. Voertuigen blijken van diefstal afkomstig

Bij controle van de blauwe bestelbus bleek dat deze als gestolen gesignaleerd stond.

Tevens bleek dat er in de bestelbus een scooter stond, waarvan de originele kentekenplaten [kenteken] bleken te zijn. Uit onderzoek bleek dat de scooter (merk Peugeot, chassisnr.: VGAS2AB 0000010494) op naam stond van [naam], die verklaarde dat zijn scooter begin mei 2011 uit de gezamenlijke parkeerruimte bij zijn woning was weggenomen.

Op deze scooter zaten valse kentekenplaten, die eveneens van diefstal afkomstig bleken te zijn. De motorfiets was van het merk Peugeot, type Speedfighter. Op de achterzijde bevond zich een verzekeringsplaat in de kleur blauw met daarop het kenteken [kenteken] vermeld. Het chassisnummer betrof VGAS2AB0000010494. Ook de kentekenplaten op de scooter bleken in de gemeente Amsterdam te zijn gestolen.

4.3.2.6. Modus operandi

De politie Utrecht heeft geconstateerd dat sedert het derde kwartaal van 2010 er een toenemend aantal overvallen op bankinstellingen is geweest in de provincie Utrecht, waarbij veelal gebruik is gemaakt van voertuigen (auto’s en (motor)scooters) welke nadien blijken te zijn weggenomen uit de regio Amsterdam. De modus operandi is dat vooraf aan deze overvallen deze voertuigen worden ‘klaargezet’ en dat de overvallers hier na de overval op vluchten.

4.3.2.7. Doorzoeking woning en kelderbox [adres] d.d. 23 juni 2011

In de woning van verdachte [medeverdachte 2] aan de [adres] te Amsterdam

en de bijbehorende kelderbox zijn op 23 juni 2011 diverse goederen in beslag genomen , waaronder:

- in kamer 2 (slaapkamer): in de onderste la van de kledingkast 7 scherpe patronen (9MM);

- in kamer 3 (woonkamer): 1 computerkast, merk HP1 computerkast, merk Siemens;

- in kamer 4 (slaapkamer): een Ortel opschrijfboekje met aantekeningen; diverse papieren met aantekeningen. De aangetroffen “diverse papieren met aantekeningen”, hadden betrekking op meerdere objecten en locaties. Deze objecten en locaties betroffen geldinstellingen, winkels en juweliers.

Verder zijn daar in beslag genomen: een computerkast, merk Apple; een pruik, zwart;

- in de kelderbox: diverse papieren met aantekeningen; een kast van een pistool; een kentekenplaat [kenteken]; een kentekenplaat [kenteken].

Tijdens het hierboven reeds genoemde vertrouwelijk opgenomen gesprek op 7 juli 2011 tussen verdachte en medeverdachten wordt onder meer het volgende gezegd, dat betrekking lijkt te hebben op de bij de zoeking aangetroffen goederen:

A ([medeverdachte 2]): “Nee man die papiertje is echt faya man

(…)

B (verdachte): “Wat dan?”

A: Gewoon wat ze hebben gevonden in mijn ossofo

(…)

B: Er zijn ook twee dingen gekaikaid (fon) he?

A: He?

B: die dingen die je heb opgeschreven zijn twee dingen gekaikaid,

A: Ja ik weet

(…)

B: Die is kankerheet

C ([medeverdachte 1]): welke

B: wa die pc

C: Van wie?

B: Van [naam]

A: Al m’n hele leven. M’n hele leven staat daarop

B: Z’n hele levensverhaal zit erin

A: Hee hee die pc is…dagboek van mij.

Verder wordt onder meer het volgende gezegd:

B (verdachte): ja maar weet je wat ik ga raggen olah ik ga ziek raggen gi

A ([medeverdachte 2]): Ja

B: Olah pak pak pak pak achter mekaar.

A: Mag ik mee?

B: Ola tuurlijk. Alleen maar…

A: Of ben ik heet?

B: Nee tuurlijk niet we zijn allebei heet nu.

(…)

B: Ik ga je meenemen als we vrij komen ga ik je naar eentje meenemen.

(…)

B: Als ik vrij kom ga ik gelijk een ossootje knakken.

Uit onder meer het bovenstaande fragment heeft bij de politie het vermoeden doen rijzen dat verdachten zich na vrijlating opnieuw schuldig zullen maken aan strafbare feiten. De medeverdachten zijn op 20 juli 2011 door de officier van justitie in vrijheid gesteld. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 29 juli 2011 beëindigd. Het onderzoek naar verdachten is voortgezet en heeft zich gericht op de verdenking van het verrichtten van voorbereidingshandelingen.

4.3.2.8. Onderzoek motor in kelderbox van [adres] d.d. 21 december 2011

Op 21 december 2011 zijn onder andere medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte (voor de tweede keer) aangehouden. Zij zijn beiden in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen. Aldaar is ook een doorzoeking gehouden. Tijdens de daarop volgende doorzoeking in de bij de woning behorende berging is onder meer aangetroffen: een op 3 december 2011 te Amsterdam gestolen motorscooter van het merk Aprilla met kenteken [kenteken] . Verder zijn de volgende goederen in beslaggenomen: een donkerkleurige bivakmuts, aangetroffen in een plastic zak naast de motorscooter, verscheidene papieren, computer, mobiele telefoons.

4.3.2.9. Doorzoeking woning [adres] 1 d.d. 21 december 2011

Op woensdag 21 december 2011 vond er tevens een doorzoeking plaats in een woning gelegen aan de [adres] 1 te Amsterdam, de woning van de ouders van de verdachte. Er zijn daar diverse mobiele telefoons in beslag genomen.

4.3.2.10. Inbeslagname mobiele telefoons verdachten

In de mobiele telefoon van het merk Blackberry, type Curve, imei-nummer [telefoonnummer], inbeslaggenomen bij verdachte, is een simkaartje aangetroffen en uitgelezen waar géén persoonlijke informatie op staat. In de fouillering van verdachte zijn echter 2 losse simkaartjes aangetroffen, waarvan er één, te weten [telefoonnummer], wel persoonlijke informatie bevatte.

4.3.2.11. Onderzoek in beslag genomen kentekenplaten

De twee kentekenplaten ([kenteken] en [kenteken]) bleken te zijn weggenomen in 2009 van personenauto’s die geparkeerd stonden in Leiderdorp. Hiervan is aangifte gedaan.

4.3.2.12. MSN-chatgesprek

Op 4 november 2011 tussen de tijdstippen 13:18:26 en 14:10:03 vond over het IP adres [ip-adres], behorende bij het GBA-adres van medeverdachte [medeverdachte 2], een MSN-chatgesprek plaats tussen [naam] en [naam]. Uit het MSN chatgesprek bleek dat medeverdachte [medeverdachte 2] aan een Nnpersoon ([naam]) vraagt of deze Nnpersoon aan [medeverdachte 2] een vuurwapen kan leveren. [medeverdachte 2] vraagt om een ‘gun’. Nnpersoon biedt een shotgun aan, met een ‘dubbel loop afgezaagt’. [medeverdachte 2] vraagt of Nnpersoon geen andere heeft. [medeverdachte 2] vraagt of het een ‘9’ of glock’ kan zijn, omdat [medeverdachte 2] naar eigen zeggen niet met een shotgun kan werken. Nnpersoon doet de toezegging dat deze persoon het gaat regelen voor [medeverdachte 2]. Nnpersoon zegt dat hij contact zal opnemen met [medeverdachte 2] via de telefoon.

Op 1 december 2011 omstreeks 00:51 uur vond een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] op het nummer [telefoonnummer] en een NNman op het nummer [telefoonnummer]. Een deel van dit gesprek is als volgt gegaan: nnman; donderdag heb je die ding, is garantie [medeverdachte 2]; hoe laat

nnman: is garantie, 1 miljoen procent, eh tien uur in de ochtend 11 uur in de ochtend ken je hem bij me halen.

4.3.2.13. Aantreffen gasfles bij de doorzoeking d.d. 21 december 2011

In de afgesloten berging behorende bij de woning van [adres] te Amsterdam, die door het onderzoeksteam is geopend met een sleutel afkomstig van de sleutelbos van [medeverdachte 2], is verder een gasfles aangetroffen.

4.3.2.14. Sporenonderzoek gasfles

Bovengenoemde inbeslaggenomen gasfles, zijnde een acetyleen gascilinder, is vervolgens overgebracht naar de afdeling Forensische onderzoeken van de politie Utrecht, met het verzoek een nader onderzoek in te stellen naar genoemde cilinder. Het betrof een rode gascilinder, met een lengte van 93 centimeter, met aan de bovenzijde een stikker “Westfalen gassen Nederland BV Deventer” en een stikker met opschrift [naam]. Verder is het gasventiel verzegeld met een gele dop, wat inhoudt dat de cilinder is gevuld en nog niet is gebruikt. Bij navraag bij de leverancier Westfalen, bleek dat op de gascilinder een zogenaamde “Barcode hoort te zitten, waaraan is af te lezen aan wie de gascilinder is geleverd. Deze “barcode” was niet meer aanwezig. Aan verbalisant is medegedeeld dat door het ontbreken van de [naam], de afnemer niet was te achterhalen. Het is verbalisant ambtshalve bekend dat deze acetyleen gascilinders, samen met zuurstofcilinders, gebruikt worden bij zogenaamde “plofkraken” van geldautomaten.

4.3.2.15. Raadpleging internet IP adres [ip-adres]

Het internetgebruik via het IP adres [ip-adres] is gekenmerkt door het veelvuldig en op diverse manieren zoeken naar en bekijken van informatie met betrekking tot historische criminele activiteiten waaronder inbraken, overvallen, ramkraken en plofkraken. Daarnaast bleek dat de gebruiker(s) van het IP adres [ip-adres] informatie hebben bekeken danwel verzameld over (onder meer locaties van) juweliers, winkels, casino’s, autoverkopers en veilinglocaties die niet gekoppeld zijn aan historische overvallen of inbraken.

In de periode van 31 oktober 2011 tot en met 28 november 2011 is de datacommunicatie over adres [ip-adres], wat de IP-aansluiting is van het GBA adres van [medeverdachte 2] op de [adres]III te Amsterdam, opgenomen, afgeluisterd en/of kennis van genomen.

Uit de opgenomen communicatie die is afgeluisterd en/of waarvan kennis is genomen, is gebleken dat [medeverdachte 2] en verdachte gebruik hebben gemaakt van de IP-verbinding [ip-adres].

Uit de opgenomen communicatie, die is afgeluisterd en/of waarvan kennis is genomen, is gebleken dat op de computer van [medeverdachte 2] nieuwsberichten en aanverwante berichten met betrekking tot gepleegde plofkraken zijn opgezocht en bekeken, actief is gezocht naar advertenties en advertenties zijn bekeken van te koop aangeboden gasflessen, locaties van banken/pinautomaten zijn opgezocht en bekeken.

Op 13 november 2011 is tussen 14:58:07 en 15:04:06 drie maal de website www.tjoeten.be bekeken. Op voornoemde website zijn de artikelen “plofkraak pinautomaat in Limburg” (1 maal) en “Plof- en ramkraak bij verschillende filialen Rabobank”(2 maal) bekeken. [verbalisant 1] zag dat verdachte tijdens deze bezoeken was ingelogd op MSN en diverse chatgesprekken voerde over de IP verbinding [ip-adres].

Tussen 2 november 2011 en 23 november 2011 is er door de gebruiker van het IP-adres [ip-adres] meerdere malen op internet gezocht naar opvallende termen en onderwerpen. Op 69 momenten dat er gezocht is naar onderwerpen als ram- en plofkraken, juweliers, overvallen (waaronder een overval al op een juwelier te Enschede op 27 oktober 2011) en inbraken, zag verbalisant dat als gebruiker op de MSN chat verdachte was ingelogd onder één van de emailadressen die hij in gebruik had.

Op donderdag 17 november 2011 is tussen 16:43:55 uur en 16:55:33 uur de website http://www.politie.ni/noord en oost gelderland / nieuws /111117 hoenderloo na mislukte plofkraak explosief aangetroffen.asp bekeken. Hier is het artikel “na mislukte plofkraak explosief aangetroffen” bekeken. Het betreft een artikel dat verhaalt over een plofkraak die is mislukt en waarbij mogelijk een explosief is aangetroffen. Uit onderzoek naar de communicatie over de IP-verbinding is gebleken dat tussen voornoemde tijdstippen verdachte was ingelogd (middels het emailadres [naam] dat bij hem in gebruik is) op een chat-applicatie. Op diezelfde dag, tussen 16:33:22 uur en 16:43:55 uur gebruikte [medeverdachte 2] middels zijn emailadres [naam] een chatapplicatie over dezelfde IP-verbinding. Op basis van deze bevinding is het aannemelijk dat verdachte en [medeverdachte 2] het artikel “na mislukte plofkraak explosief aangetroffen” hebben bekeken.

Op 20 november 2011 is tussen 20:45:54 uur en 20:55:55 uur een blok ruwe data opgenomen met communicatie over de IP-verbinding [ip-adres]. Verbalisant Hodselmans zag dat er tussen genoemde tijdstippen meerdere malen de website

www.marktplaats.nl is bekeken. [verbalisant 1] zag dat er zes pagina’s van marktplaats zijn bekeken met als zoekvraag: “co2 gasfles”. Hij zag dat van deze zes pagina’s er drie stuks advertenties waren. Hij zag dat de gasflessen die zijn bekeken een inhoud hadden tussen de 5 en 20 liter. Tevens zag hij dat er in het voornoemde blok geïntercepteerde data een chatgesprek zat. Hij zag dat dit chatgesprek is gevoerd door [medeverdachte 2], die daarbij gebruik maakte van zijn accountnaam [naam]. Op basis van deze bevinding is het aannemelijk dat [medeverdachte 2] de zoekopdrachten op Marktplaats heeft uitgevoerd, en de advertenties van gasflessen heeft bekeken. Tevens zag verbalisant dat er in het blok data, die zijn opgenomen tussen 20:55:55 uur en 21:55:54 uur, meerdere chatgesprekken zaten. [verbalisant 1] zag dat er meerdere gesprekken zijn gevoerd met verschillende accounts. Hij zag dat onder andere [medeverdachte 2] was ingelogd op de chatfunctie met de bij hem in gebruik zijnde gebruikersnamen ([naam]; [naam]).

Op 9 november 2011 zijn middels de IP verbinding [ip-adres] diverse zoekopdrachten uitgevoerd op de website www.maps.google.nl. [verbalisant 1] zag dat er op google maps als zoektermen zijn ingevoerd: ‘Abn Amro Bank’, ‘Sns Bank’en ‘GWK’. Hij zag dat er naar lengte- en breedtegraden is gekeken op kaarten van googlemaps, verkregen met bovengenoemde zoektermen, die corresponderen met locaties in of in de buurt van Almelo, Drachten (‘Abn Amro Bank’) en Zeewolde (‘SNS bank’ en ‘GWK’).

4.3.2.16. Telefoongesprek over een “bottel”

Uit de opgenomen telecommunicatie op het Imei nummer [telefoonnummer] bleek dat [medeverdachte 2] op 29 oktober 2011 omstreeks 00:55 uur een gesprek heeft gevoerd met een NNpersoon. Het deels versluierde gesprek ging over een ‘bottel’. [medeverdachte 2] zei dat hij de bottel van NNman wilde ontvangen. Uit het gesprek bleek dat [medeverdachte 2] de ‘bottel’ wilde ontvangen zodat [medeverdachte 2] die kon laten zien als ‘bewijs’, omdat een derde persoon ‘dat gaat willen’. Tot heden is onbekend gebleven wie de NNman is van wie [medeverdachte 2] de bottel wilde verkrijgen en wie de NNman is aan wie [medeverdachte 2] de bottel kennelijk als ’bewijs’ wilde tonen.

4.3.2.17. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 2 en 3

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bovenstaande feiten en omstandigheden impliceren dat sprake is van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor beantwoording van deze vraag is doorslaggevend of de onderhavige voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Daarbij kan, naar mede volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 46 Sr, niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat een verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen heeft.

De rechtbank overweegt dat zowel de bivakmuts, de mobiele telefoons, de aantekeningen betreffende de locaties en namen van banken, winkels en juweliers als de gasfles en de computer waarmee op internet is gezocht naar (locaties van) banken, winkels, juweliers en informatie over het plegen van plofkraken, als de (gestolen) vervoermiddelen tezamen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, bestemd waren voor het plegen van een diefstal met geweld in vereniging en/of een afpersing in vereniging en om een ontploffing teweeg te brengen.

Uit genoemde bewijsmiddelen is gebleken dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte gezamenlijk met een gestolen bestelbusje en met een gestolen auto van Amsterdam naar Utrecht zijn gereden en dat [medeverdachte 1] een gestolen scooter met valse kentekenplaten in de bestelbus heeft geplaatst. Dit is een bij gewapende overvallen vaak gebruikte modus operandi.

De omstandigheid dat een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, kan op zichzelf niet bijdragen aan het bewijs. Wel kan de rechter het zwijgen in zijn bewijsoverwegingen betrekken, indien de verdachte aangaande een voor hem bezwarende voor het bewijs redengevende omstandigheid geen redelijke verklaring heeft, welke die redengevendheid ontzenuwt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden redengevende feiten en omstandigheden zijn voor het bewijs dat verdachte de genoemde voorbereidingen voor een overval c.q. afpersing en plofkraak heeft gepleegd. Deze feiten en omstandigheden schreeuwen dus om een nadere uitleg door verdachte. Die heeft verdachte echter niet willen geven.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de combinatie en onderlinge samenhang van de aangetroffen voorwerpen en de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden alsmede gelet op het feit dat verdachte zich ten aanzien hiervan beroept op zijn zwijgrecht terwijl deze belastende feiten en omstandigheden vragen om een uitleg, is komen vast te staan dat verdachte en medeverdachten kennelijk de intentie hadden om een derde geld afhandig te maken en daarbij geweld te gebruiken, mede gezien het feit dat bij verdachte [medeverdachte 2] bij de doorzoeking in de woning een onderdeel van een vuurwapen en munitie is aangetroffen en uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij nog een vuurwapen heeft besteld.

De rechtbank stelt vast dat uit de opgenomen communicatie die is afgeluisterd en/of waarvan kennis is genomen, is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de IP-verbinding [ip-adres] waaruit is gebleken dat ook hij nieuwsberichten en aanverwante berichten met betrekking tot gepleegde overvallen en plofkraken heeft opgezocht en bekeken.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat er sprake van medeplegen van een strafbare voorbereiding, zoals ten laste gelegd onder 1 en 2. Dat de verdachten mogelijk nog niet concreet besloten hadden wanneer zij het strafbare feit zouden plegen en wie daarvan het slachtoffer zou worden, maakt dat niet anders.

4.3.2.18. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 4

De rechtbank overweegt dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen kan worden verklaard dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan opzetheling. Gezien de hierboven genoemde omstandigheden waaronder verdachten met de gestolen goederen zijn aangetroffen (een gestolen scooter voorzien van gestolen kentekenplaten, geplaatst in de gestolen bestelbus samen met de gestolen VW Polo, het frequente telefonische contact tussen [medeverdachte 1] die reed in de gestolen Peugeot Boxer en [medeverdachte 2] en verdachte die reden in de gestolen VW Polo en het vluchtgedrag nadat de politie ter plaatse is gekomen) is het evident dat verdachten wisten dat de goederen van diefstal afkomstig waren. De verdachten zwijgen echter en geven geen verklaring voor het bezit van deze gestolen goederen en de verdachte omstandigheden waaronder deze bij hen zijn aangetroffen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte zich in de periode van 20 april 2001 tot en met 22 juni 2011 schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde goederen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

2.

hij op meerdere momenten in de periode van 01 juni 2011 tot en met 21 december 2011 te Amsterdam en Utrecht, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven diefstal met

geweld of bedreiging met geweld in vereniging (artikel 312 WvSr.) of afpersing

in vereniging (artikel 317 WvSr), met zijn mededader(s) opzettelijk

- een (van diefstal afkomstige) bestelauto (Peugeot Boxer) en

- een (van diefstal afkomstige) auto (Volkswagen Polo) en

- een of meer (van diefstal afkomstige) scooter(s), en

- (een) gestolen kentekenplaat/kentekenplaten ([kenteken] en [kenteken]),

- een bivakmuts, en

- meer mobiele telefoons, en

- papieren met aantekeningen betreffende (locaties en namen van)

banken, winkels en juweliers, en

- een computer, waarmee op internet gezocht is naar (locaties van) banken,

winkels en juweliers

bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven,

voorhanden heeft/hebben gehad;

3.

hij op meerdere momenten in de periode van 29 oktober 2011

tot en met 21 december 2011 te Amsterdam, (telkens) tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk

een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen

te duchten was (art. 157 WvSr.), opzettelijk

- een gasfles (gevuld met acetyleen), en

- een computer waarmee gezocht is naar informatie over (het plegen van)

plofkraken,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

4.

(parketnummer 600617-11)

hij op meerdere momenten in de periode van 20 april 2011

tot en met 22 juni 2011 te Utrecht en in Amsterdam,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

- een bestelbus (merk Peugeot Boxer, kleur blauw, kenteken [kenteken]), en

- een motorscooter (merk Peugeot type S2A, chassisnr. VGAS22AAb00), en

- een personenauto (merk VW Polo, kenteken [kenteken]), en

- kentekenplaten ([kenteken], [kenteken], [kenteken])

voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die bestelbus en motorscooter en personenauto

en kentekenplaten wisten, dat

het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2: medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 3:medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 4: medeplegen van opzetheling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het voorbereiden van een diefstal met geweld dan wel afpersing in vereniging en aan medeplegen van het voorbereiden van een plofkraak. Dit soort feiten veroorzaken grote schade en, afhankelijk van de locatie, kunnen letsel en schrik bij personen veroorzaken. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan toen hij samen met zijn mededaders het plan had opgevat om voornoemde strafbare feiten te plegen en hiertoe ook voorbereidingen had getroffen. Verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent verdachte zijn betrokkenheid hierbij zwaar aan.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is gezien de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 mei 2012 eerder voor vermogensdelicten tot onder meer een gevangenisstraf is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een door mevrouw M. Kolfschoten, reclasseringswerker bij het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering op 21 oktober 2011 retour gezonden rapportageverzoek wegens het niet kunnen bereiken van verdachte.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een voltooide overval van een winkel wordt in voormelde oriëntatiepunten minimaal een gevangenisstraf van 2 jaren onvoorwaardelijk gehanteerd. Hier is naast medeplegen van voorbereiding van een diefstal met geweld c.q. afpersing in vereniging tevens sprake van medeplegen van een voorbereidingshandeling van een plofkraak. Artikel 46, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij voorbereiding het maximum van de hoofdstraf met de helft wordt verminderd. Deze bepaling heeft de rechtbank betrokken bij de toepassing van voormeld LOVS-oriëntatiepunt. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden moet worden geacht.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.700,00 voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8. Het beslag

8.1. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van:

- de bestelauto vz-rd-60 PEUGEOT BOXER 320 m 2.5 aan R. Hartvelt, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;

- de motorscooter (d435pb) aan [naam] omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.2. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen

- telefoon NOKIA 409792 serienr. 355947040754163

- telefoon BLACKBERRY CURV 409794 met foto van klein meisje in het scherm

aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 46, 47, 57, 157, 310, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2: medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 3: medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 4: medeplegen van opzetheling.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- telefoon NOKIA (409792 serienr. 355947040754163);

- telefoon BLACKBERRY CURV (409794 met foto van klein meisje in het scherm);

-gelast de teruggave aan rechthebbende van:

- de bestelauto ([kenteken] PEUGEOT BOXER);

- de motor scooter (d435pb);

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbey en M.A.A.T. Enbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 juni 2012.

Mr. Corbey is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.