Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1269

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
16/711575-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis wegens het bevorderen van het plegen van ontucht door het minderjarige slachtoffer met derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711575-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [woonplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. R. van Herwaarden, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

A. In de periode van 30 april 2009 tot en met 30 augustus 2009 in Utrecht, al dan niet samen met anderen, heeft bevorderd dat [slachtoffer] seksuele handelingen verrichtte met derden, terwijl zij minderjarig was.

B. In de periode van 30 april 2009 tot en met 30 augustus 2009 in Utrecht, al dan niet samen met anderen, [slachtoffer] ertoe heeft gebracht seksuele handelingen te verrichten met derden, terwijl zij minderjarig was.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 23 juli 2009 tot en met 1 augustus 2009 het aan hem tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie heeft daarbij wel ten aanzien van het medeplegen en het gedachtestreepje ‘aan die [slachtoffer] condooms en/of zeep en/of tissues en/of kleding (ten behoeven van prostitutiewerkzaamheden) gegeven/verstrekt’ partieel vrijspraak gevorderd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Verdachte heeft nooit het bewuste oogmerk of schuld gehad om te veroorzaken of te bevorderen dat [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) zichzelf beschikbaar zou stellen voor het plegen van ontucht met derden tegen betaling. Verdachte heeft [slachtoffer] juist willen beschermen.

Er is geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig waaruit volgt dat verdachte wist of behoorde te weten dat [slachtoffer] minderjarig was.

Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat het opzet van verdachte erop gericht was dat [slachtoffer] ontucht met derden zou plegen en dat hij hieruit voordeel wilde halen. Dit opzet volgt enkel uit de verklaring van [slachtoffer] en haar hulpverleenster –die alleen kan verklaren over hetgeen [slachtoffer] haar verteld heeft– hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Verdachte dient, aldus de raadsman, van het aan hem tenlastegelegde vrijgesproken te worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Ten aanzien van onderdeel A

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft bevorderd dat [slachtoffer] ontucht met derden pleegde terwijl verdachte wist dat [slachtoffer] minderjarig was. De rechtbank gaat hier nader op in onder 4.3.3 (bewijsmiddelen) en 4.3.4 (aanvullende bewijsoverwegingen).

4.3.2 Vrijspraak van het bestanddeel ‘teweeg brengen’ onder A en van onderdeel B

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het plegen van ontucht door [slachtoffer] met derden teweeg heeft gebracht, zoals onder A ten laste gelegd. Ook kan het onder B ten laste gelegde “ertoe brengen dat [slachtoffer] zich beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling” niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Vaststaat dat [slachtoffer] zelf met het idee kwam om in de prostitutie te gaan werken. Dit vond verdachte in eerste instantie, naar eigen zeggen, geen goed idee, maar omdat [slachtoffer] sowieso in de prostitutie wilde gaan werken, leek het verdachte beter om haar te helpen. Ook [slachtoffer] heeft verklaard dat zij met het idee kwam om in de prostitutie te gaan werken om op die manier geld te verdienen. In een msn-gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] op 8 november 2009 geeft [slachtoffer] eveneens aan dat zij ‘voorstelde om te gaan neuken voor geld’. Getuige [getuige] heeft bevestigd dat [slachtoffer] met het idee kwam om zichzelf te prostitueren en dat verdachte als reactie daarop ‘nee’ heeft gezegd. Voorts zou verdachte, volgens [slachtoffer], regelmatig aan haar gevraagd hebben of ze wilde stoppen en dat ze moest aangegeven wanneer zij geen zin meer had.

De officier van justitie heeft in dat verband gesteld dat het waarschijnlijk alleen bij een idee van [slachtoffer] zou zijn gebleven als verdachte haar niet actief zou hebben ondersteund. Daarom acht zij het bestanddeel “teweeg brengen” en onderdeel B wel bewezen, ondanks het feit dat [slachtoffer] als eerste met het idee kwam. De rechtbank overweegt dat het dossier geen solide aanknopingspunt biedt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze stelling juist is. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij.

Tot slot overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in november 2009 aangifte heeft gedaan bij de politie. In de periode hieraan voorafgaande onderhielden [slachtoffer] en verdachte contact met elkaar via msn. Uit deze msn-contacten blijkt niet dat [slachtoffer] door verdachte op enige manier werd benaderd of onder druk werd gezet om zich te prostitueren. Uit deze gesprekken leidt de rechtbank wel af dat [slachtoffer] in die periode met hulpverleningsinstanties gesprekken voerde, en dat zij verdachte in de loop van de gesprekken steeds meer is gaan zien als een persoon die zich met loverboy praktijken bezig hield, waarvan zij het slachtoffer was geworden. Daarbij heeft het er echter tenminste de schijn van dat dit niet een gevolg is van meer inzicht in de rol van verdachte en de eigen rol van [slachtoffer] bij alles wat er is gebeurd. Eerder lijkt het een gevolg van het feit dat alle gebeurtenissen door de hulpverleningsinstanties in een kader van loverboyproblematiek werden geplaatst, en dat dit kader de beleving van [slachtoffer] achteraf op geheel andere wijze heeft ingekleurd. De rechtbank hecht daarom meer waarde aan de aanvankelijk door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, dan aan de aanvullende verklaringen die door [slachtoffer] in de loop van 2010 zijn afgelegd.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verdachte [slachtoffer] er toe heeft gebracht zich te prostitueren. Het initiatief kwam immers vanuit [slachtoffer] zelf. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het aan hem onder B tenlastegelegde, alsmede van het bestanddeel ‘teweeg brengen’ opgenomen onder A.

4.3.3 De bewijsmiddelen ten aanzien van onderdeel A

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] van huis was weggelopen en in die periode bij hem sliep. Bij de politie heeft verdachte bevestigd dat dit in de periode van 22 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 was. In deze periode bracht verdachte [slachtoffer] op de scooter naar de Europalaan te Utrecht, zodat zij daar kon tippelen. Verdachte bleef op een afstandje wachten, stond dan op de uitkijk, en zag dat [slachtoffer] klanten had. [slachtoffer] stapte bij mannen in de auto. Zij had ongeveer 10 klanten in de vier avonden dat zij op de Europalaan werkte. Voor bedragen tussen € 50,00 en € 20,00 had [slachtoffer] seks met deze klanten.

Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij een internetsite voor [slachtoffer] had aangemaakt voor prostitutieklanten. De gedachtegang hierachter was dat [slachtoffer] daardoor een groep jongens kon bereiken en zo geld kon verdienen met seks. Ook [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte een site/account voor haar had aangemaakt en een msn (escort@life.nl), zodat mensen haar konden toevoegen en zij daar naartoe kon gaan. Uit onderzoek naar het e-mailadres escort_@live.nl is gebleken dat dit is aangemaakt op IP-adres [nummer] Dit IP-adres behoort bij Ziggo internet op naam van [A], wonende [adres] te [woonplaats]. [A] is de moeder van verdachte. Verdachte woont bij zijn moeder.

In een msn-gesprek tussen verdachte en ene [B] (mns-naam [B] d.d. 22 juli 2009 zegt verdachte tegen [B]‘he als je boys kent die willen ballen met een donker meisje (lichter als mij) moetje zeggen kheb eentje voor 35’. Vervolgens verstuurt verdachte aan [B] drie afbeeldingen waarop [slachtoffer] te zien is. Met ‘ballen’ bedoelt verdachte ‘sex’.

In een msn-gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] gevoerd op 30 april 2009 vraagt verdachte aan [slachtoffer] hoe oud zij is, waarop [slachtoffer] antwoord met ‘16’. [slachtoffer] is op 21 juni 1993 geboren. In een msn-gesprek met [slachtoffer] d.d. 8 november 2009 zegt verdachte ‘(…) jij kwam met een idee om geld te verdienen en k zat in geldnoog dus kwam goed uit ik dacht kga voor de cker hied aan haar vragen of ze het wel egt wil enzo teriwjl dat eigenlijk niet hoeft want je kwam er zelf mee (…)’.

4.3.4 Aanvullende bewijsoverwegingen

Onder het bestanddeel ‘bevorderen’, zoals opgenomen in artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht, dient te worden verstaan behulpzaam zijn bij hetgeen reeds door een ander besloten werd.

Verdachte heeft, nadat [slachtoffer] op het idee was gekomen als prostituee geld te gaan verdienen, [slachtoffer] daarbij geholpen. Zo heeft verdachte een internetaccount en

e-mailadres aangemaakt met als doel dat [slachtoffer] op die wijze in contact kom komen met jongens waarmee zij seks kon hebben voor geld. Ook heeft verdachte [slachtoffer] naar de prostitutiezone aan de Europalaan te Utrecht gebracht. Verdachte hield dan een oogje in het zeil, terwijl [slachtoffer] bij onbekende mannen in de auto stapte om vervolgens seks met hen te hebben. Verdachte heeft via msn aan een aantal mns-contacten van hem kenbaar gemaakt dat hij een meisje kende die tegen betaling bereid was seks te hebben, hiermee doelend op [slachtoffer]. Door op een dergelijke wijze te handelen is verdachte [slachtoffer] behulpzaam geweest bij het plegen van ontucht met derden. Hierdoor heeft verdachte [slachtoffer] tevens bevestigd in haar idee dat zij als prostituee zou kunnen gaan werken. In dit verband acht de rechtbank voorts van belang het hiervoor weergegeven msn-gesprek met [slachtoffer] d.d. 8 november 2009 ‘(…) jij kwam met een idee om geld te verdienen en k zat in geldnoog dus kwam goed uit ik dacht kga voor de cker hied aan haar vragen of ze het wel egt wil enzo teriwjl dat eigenlijk niet hoeft want je kwam er zelf mee (…)’. Ook hieruit volgt dat verdachte [slachtoffer] heeft bevestigd in het idee dat zij als prostituee zou kunnen werken.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk heeft bevorderd dat [slachtoffer] ontucht pleegde met derden, terwijl hij wist dat zij minderjarig was.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

A.

in de periode van 22 juli 2009 tot en met 30 augustus 2009 te Utrecht, meermalen

het plegen van ontucht door een minderjarige

- wiens minderjarigheid hij kende, te weten door [slachtoffer] (geboren op [1993]) -

met een derde, opzettelijk heeft bevorderd immers heeft hij

- die [slachtoffer] bevestigd in het idee dat zij als prostituee zou kunnen gaan werken

en vervolgens

- die [slachtoffer] geholpen met de praktische uitwerking van voormeld idee door

onderstaande handelingen te verrichten:

* een internetsite en/of internetaccount over [slachtoffer] aangemaakt ten behoeve van

het werven van prostitutieklanten voor die [slachtoffer] en

* per msn die [slachtoffer] aan een derde aangeboden als prostituee en

* die [slachtoffer] naar het prostitutiegebied bij de Europalaan te Utrecht gebracht en

* terwijl die [slachtoffer] op de Europabaan haar prostitutiewerkzaamheden uitvoerde -

telkens bestaande uit een of meer seksuele handelingen met derden tegen betaling - in de buurt daarvan vertoefd en op de uitkijk gestaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

A: Het plegen van ontucht door een minderjarige wiens minderjarigheid hij

kent of redelijkerwijs moet vermoeden, met een derde opzettelijk

bevorderen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat het verdachte verboden wordt contact op te nemen met [slachtoffer].

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de gevolgen die een veroordeling zal hebben voor de carrière van verdachte in het bankwezen. Voorts heeft de raadsman aangegeven dat verdachte reeds zwaar is gestraft door de ondergane voorlopige hechtenis, het zware opsporingsonderzoek en de druk die verdachte lange tijd heeft moeten ondervinden van het zijn van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte en [slachtoffer] kende elkaar uit de buurt en hadden een zogenoemde seksrelatie met elkaar. Op enig moment is binnen het contact dat zij met elkaar hadden bij [slachtoffer] het idee ontstaan dat zij als prostituee geld zou kunnen gaan verdienen. Dit idee is vervolgens werkelijkheid geworden, waarbij verdachte [slachtoffer] behulpzaam is geweest door onder ander [slachtoffer] naar de tippelzone op de Europalaan te Utrecht te brengen en een oogje in het zeil te houden.

Het verbod om te bevorderen dat een minderjarige werkzaam is in de prostitutie, is mede ingegeven door de wens van de wetgever om minderjarigen tegen zichzelf te beschermen. Dat heeft verdachte niet gedaan terwijl hij dat wel had moeten doen. Verdachte heeft in dat verband gesteld dat hij [slachtoffer] maar beter kon helpen omdat zij gevaar zou lopen als zij het alleen zou doen. Verdachte heeft echter meer gedaan dan alleen maar een oogje in het zeil houden, zoals hij dat zelf formuleert. Hij heeft haar ook actief geholpen met het werven van klanten.

Uit het dossier komt wel het beeld naar voren dat het hier een gezamenlijke onderneming tussen verdachte en [slachtoffer] betrof. Het was immers [slachtoffer] zelf die aangaf op een dergelijke wijze haar geld te willen verdienen en verdachte verleende daarin hand-en-span diensten. Hiervoor ontving verdachte 20% van het geld dat [slachtoffer] verdiend had. De overige 80% hield [slachtoffer], blijkens haar eigen verklaring in het dossier, zelf. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte [slachtoffer] op enige wijze heeft gedwongen zich als prostituee beschikbaar te stellen. Er was geen sprake van een uitbuitingssituatie. Ook is niet gebleken van gebruik van geweld door verdachte tegen [slachtoffer]. Meer lijkt het erop dat vanuit een zeker wisselwerking tussen verdachte en [slachtoffer] onderhavig strafbaar feit is ontstaan. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de korte periode waarin het bewezenverklaarde zich heeft afgespeeld en het relatief kleine leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer]. Verdachte was in de bewezenverklaarde periode 18 jaar en [slachtoffer] was 16 jaar.

Het bewezen verklaarde feit heeft zich afgespeeld in 2009. Op 1 februari 2011 is de laatste getuige in de zaak gehoord. Hierna is geen nader onderzoek meer gedaan en heeft de zaak feitelijk stil gelegen, waardoor verdachte lange tijd en onnodig in onzekerheid heeft verkeerd. Hiermee houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening bij de strafmaat.

Voorts vindt de rechtbank het positief dat verdachte zowel ter terechtzitting, alsmede tijdens de verhoren door de politie, te kennen heeft gegeven zich te realiseren dat hetgeen gebeurd is, niet had mogen gebeuren.

Uit het strafblad van verdachte d.d. 15 februari 2012 volgt voorts dat verdachte nimmer met justitie in aanraking is geweest wegens een soortgelijk misdrijf.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het Reclasseringsadvies d.d. 25 mei 2010, waarin staat verdachte een full-time baan heeft bij een bekende bank, voornemens is een HBO-opleiding verzekering en bankwezen te volgen en nauwelijks problemen heeft op de onderzochte leefgebieden.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van zowel het onder A als het onder B tenlastegelegde. Nu de rechtbank slechts bewezen acht hetgeen onder A aan verdachte ten laste is gelegd, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de situatie waarin het delict is begaan en het tijdsverloop, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel toe te wijzen, groot € 700,00 en voor het overige de vordering niet ontvankelijk te verklaren. Hiertoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd:

De opgevoerde kostenpost ‘afgedragen inkomsten’ dient afgewezen te worden nu dit niet in de tenlastelegging is opgenomen en om die reden een formeel beletsel vormt om tot een toewijzing van dit schadebedrag te kunnen komen.

De gevorderde bedragen betreffende materiële schade die zien op de kostenposten ‘reiskosten’ en ‘telefoonkosten’ dienen toegewezen te worden.

Het gevorderde schadebedrag betreffende immateriële schade groot € 1.500,00 dient gematigd te worden tot € 500,00. De onderbouwing voor deze schadepost vindt niet op alle punten steun in het strafdossier. Zo is niet gebleken dat er sprake is geweest van dwang en manipulatie door verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, welke vordering ter terechtzitting door de raadsvrouwe van de benadeelde partij is aangepast.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder A en B tenlastegelegde, te weten een totaalbedrag van € 2.000,00 ter zake materiële en immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag betreffende ‘afgedragen inkomsten’, groot € 300,00 (te weten 20% van in totaal € 1.500,00 (€ 37,50 per klant, maal 10 klanten per avond maal 4 avonden) niet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank is verder van oordeel dat de gevorderde schadebedragen betreffende ‘reiskosten’, ‘telefoonkosten’ en de immateriële schade niet toewijsbaar zijn. Beide onderdelen van de vordering zouden, mede gelet op de eigen rol van de benadeelde partij en de onderling gemaakte afspraken, een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen computer aan verdachte te retourneren.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens verzocht de in beslag genomen computer aan verdachte te retourneren.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 250 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder B ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

A: Het plegen van ontucht door een minderjarige wiens minderjarigheid hij

kent of redelijkerwijs moet vermoeden, met een derde opzettelijk

bevorderen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 (honderdentwintig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover betreffende de schadepost ‘afgedragen inkomsten’, wordt afgewezen;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, betreffende de schadeposten ‘reiskosten’, ‘telefoonkosten’ en immateriële schade, en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1;

Voorlopige hechtenis

- Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 juni 2012.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.