Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1220

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
16/655569-12; 16/445241-09 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging inbraak met verzet na betrapping op heterdaad.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van NEGEN (9) MAANDEN, waarvan DRIE (3) MAANDEN voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655569-12; 16/445241-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats] (Korea)

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in het PPC Den Haag te ‘s-Gravenhage

raadsman mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1 primair:

op 21 maart 2012 te Amersfoort heeft gepoogd in te breken in een woning, waarbij hij, na betrapping op heterdaad geweld heeft gebruikt en gedreigd heeft met geweld.

Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte op die dag te Amersfoort een raam van een woning heeft vernield.

2.

zich op 21 maart 2012 te Amersfoort heeft verzet tegen zijn aanhouding en daarbij een agent heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij ten aanzien feit 1 primair op de aangifte, de verklaring van de getuige [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie.

Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op de bevindingen van verbalisant [verbalisant], diens aangifte en de verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad om goederen uit die woning weg te nemen. Hij wist dat de woning leeg stond en hij beschikte zelf over voldoende financiële middelen. Er is naar de mening van de raadsman geen sprake van een poging tot woninginbraak, maar verdachte heeft enkel een raam vernield.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gedreigd dat hij zou steken of gezegd zou hebben dat hij een mes had. Daarvoor is enkel de verklaring van de getuige [slachtoffer] voorhanden en verdachte ontkent dit ten stelligste. Verdachte dient dan ook van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken aldus de raadsman.

De raadsman is van mening dat enkel het onder 1 subsidiair ten laste gelegd feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist dat hij door een agent van politie werd aangehouden. Hij was namelijk kort daarvoor ook al door een persoon gepakt, die verdachte op heterdaad had betrapt. Deze persoon zei dat hij van de politie was, maar dat bleek niet zo te zijn. Nadat verdachte naar de plaats delict terugkeerde om zijn sleutelbos te zoeken, werd hij opnieuw door een niet als politieagent herkenbare persoon aangevallen. Verdachte heeft zich toen verzet, ondanks dat deze persoon riep dat hij van de politie was.

Het dossier bevat voldoende bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen, maar de rechtbank dient wel met de geschetste omstandigheden rekening te houden, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 21 maart 2012 omstreeks 03.20 uur werd de getuige [slachtoffer] wakker van aantal slagen die van buiten leken te komen. [slachtoffer] is buiten gaan kijken en zag bij de woning aan het [adres] te [woonplaats] een man die met zijn vuist tegen het raam bonkte. [slachtoffer] heeft de man aangeroepen, waarop de man schrok en weg wilde lopen. Hierop heeft [slachtoffer] de man vastgepakt om hem aan te houden. Er ontstond een worsteling en verdachte bedreigde [slachtoffer] met de woorden “Ik steek je”. Hierna heeft [slachtoffer] de man losgelaten, waarna deze is gevlucht. [slachtoffer] heeft een signalement opgegeven van de man dat luidt als volgt:

1.70-1.75 meter, 25-30 jaar, vermoedelijk Aziatisch uiterlijk, bol gezicht, geen lichaamsbeharing, glad gezicht, stevig postuur, namaak leren gladde jas, donkere broek, donkere rugzak, droeg hoofddeksel, vermoedelijk capuchon of pet met een klep .

Op 21 maart 2012 heeft [aangever] namens GGZ Centraal te Amersfoort aangifte gedaan van poging inbraak aan het [adres] te [woonplaats], waarbij een ruit aan de voorzijde kapot was en waarbij de dader kennelijk niet binnen was geweest .

Op 21 maart 2012 is de verbalisant [verbalisant], hoofdagent van politie Utrecht, in burgerkleding bij de woning aan het [adres] te [woonplaats] gaan posten. Bij die woning was kort daarvoor een keycord met sleutelbos gevonden, welke vermoedelijk aan de dader van een poging woninginbraak toebehoorde. Omstreeks 04.45 uur zag [verbalisant] een persoon bij die woning zoekend naar de grond keek. [verbalisant] is naar de man, verder te noemen verdachte, toegerend en heeft geroepen: “politie, staan blijven”. Verdachte rende weg en [verbalisant] is achter hem aangerend. [verbalisant] kon verdachte vastgrijpen waarbij hij nogmaals heeft geroepen dat hij van de politie was en dat hij moest blijven staan. [verbalisant] voelde dat verdachte zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken. Verdachte en [verbalisant] zijn beide op de grond gevallen, waarbij [verbalisant] zijn arm om de nek van verdachte had geklemd. Hij riep dat verdachte zijn verzet moest staken en moest meewerken. Hierop voelde hij dat hij door verdachte in zijn pols werd gebeten, waarop hij zijn pepperspray heeft gebruikt. Verdachte bleef zich verzetten tegen zijn aanhouding en pas nadat verbalisant [verbalisant] enig geweld tegen hem had gebruikt, staakte hij zijn verzet.

Verdachte is vervolgens door ter plaatse gekomen collegae van [verbalisant] geboeid en overgebracht naar het politiebureau te Amersfoort .

Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij een raam van de betreffende woning heeft vernield met een schroevendraaier en dat hij in de woning wilde kijken of er nog goederen lagen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij werd betrapt en door een man werd vastgepakt. Hij heeft zich losgerukt en is naar huis gegaan. Daar kwam hij erachter dat hij zijn sleutelbos was verloren en verdachte is toen teruggegaan naar de betreffende woning. Bij die woning werd hij aangevallen door een man die zei dat hij van de politie was. Verdachte wilde niet blijven staan en was niet van plan om mee naar het bureau te gaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zich heeft geprobeerd los te rukken.

Ter zitting heeft verdachte bekend dat hij de verbalisant heeft gebeten .

Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft de rechtbank de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij wilde kijken of er goederen in de woning lagen voor het bewijs gebruikt. De rechtbank ziet geen reden verdachte hier niet aan te houden, mede gelet ook op het werktuig (een schroevendraaier) dat hij bij het vernielen van de ruit stelt te hebben gebruikt. Daarmee wordt het verweer van de verdediging dat slechts sprake zou zijn van vernieling weerlegd.

In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de bedreiging met geweld, is de rechtbank van oordeel dat ook dit deel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. De rechtbank heeft daarbij de verklaring van de getuige [slachtoffer] doorslaggevend geacht. De verklaring van deze getuige is afgelegd op 21 maart 2012 om 03.30 uur, zeer kort nadat hij verdachte op heterdaad had betrapt. Daarin heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte tegen hem zei dat hij [slachtoffer] zou steken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat dit deel van de verklaring onjuist zou zijn. Voorts heeft de rechtbank in ogenschouw genomen het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij een schroevendraaier heeft gebruikt bij het vernielen van de ruit en dat hij deze heeft weggegooid. Een schroevendraaier kan ook als steekwapen worden gebruikt.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat verdachte, toen hij voor de tweede keer werd vastgepakt, niet wist dat hij met een politieambtenaar van doen had, heeft de rechtbank het volgende overwogen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij (de tweede keer dat hij werd vastgepakt) door een “smeris” werd vastgepakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat met die term een agent van politie wordt bedoeld. Voorts heeft de rechtbank in ogenschouw genomen het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij door die persoon met pepperspray is bespoten. De rechtbank is van oordeel dat het verdachte bekend moet zijn geweest dat pepperspray tot de standaarduitrusting van politieagenten behoort. Ook om deze reden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat hij met een politieambtenaar van doen had. Bovendien heeft de politieambtenaar zich als zodanig bekend gemaakt. Indien en voor zover verdachte hem niet heeft geloofd komt dit voor zijn eigen rekening en risico.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair.

Op 21 maart 2012 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan het [adres], weg te nemen goederen/geld geheel of ten dele toebehorend aan GGZ Centraal, in elk geval aan een ander dan verdachte, en zich daarbij de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, meermalen tegen een raam van die woning geslagen en dat raam ingeslagen, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd om bij betrapping aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, nadat die [slachtoffer] hem vastgepakt had, zich heeft losgetrokken en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “ik heb een mes” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

Op 21 maart 2012 te Amersfoort, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant], hoofdagent van politie Utrecht, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 311 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, door opzettelijk gewelddadig, terwijl die opsporingsambtenaar hem tegen de grond gedrukt hield, op te staan en die opsporingsambtenaar in de pols te bijten en in een richting te bewegen tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaar hem trachtte te brengen, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel bekwam.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1 primair

Poging tot diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

2.

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringstoezicht, inhoudende een meldingsgebod en een behandelverplichting. Voorts heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel alsmede toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat toewijzing van de vorderingen van de officier van justitie zal inhouden dat verdachte ongeveer anderhalf jaar van zijn vrijheid zal worden beroofd. Dat is bijna net zo lang als wanneer verdachte een ISD-maatregel opgelegd zou krijgen. Dat is veel te lang voor vernieling van een ruit en enig geweld tegen een politieambtenaar bij zijn aanhouding. Verdachte zit thans al ruim 3 maanden in voorarrest. Naar de mening van de raadsman is die tijd voldoende geweest voor de feiten die naar zijn mening bewezen kunnen worden verklaard. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het voorstelbaar is dat verdachte op dit moment weigert mee te werken aan een behandeling, omdat het voor hem niet duidelijk is waaraan hij nu precies moet meewerken. Hij begrijpt dat enige vorm van begeleiding nodig is, maar niet duidelijk is waaruit deze begeleiding bestaat en hoe lang deze gaat duren.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak en heeft zich, toen hij op heterdaad werd betrapt en vastgepakt door de getuige [slachtoffer], met geweld losgerukt en heeft hij gedreigd met de woorden dat hij een mes had of woorden van gelijke strekking, teneinde te kunnen vluchten.

Vervolgens heeft verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding door een agent in burger, die zich wel als zodanig kenbaar had gemaakt. Daarbij heeft verdachte deze agent onder meer in zijn pols gebeten.

Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Dat het in het onderhavige geval slechts bij een poging is gebleven, is niet aan enig handelen van verdachte te danken, doch enkel aan het feit dat verdachte op heterdaad werd betrapt door een oplettende burger.

Verdachte is niet verder gekomen dan de vernieling van het raam van de betreffende woning toen hij door deze getuige werd betrapt en door hem werd vastgepakt. Verdachte heeft zich vervolgens met geweld losgerukt en daarbij de getuige bedreigd dat hij hem zou steken of woorden van gelijke strekking.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstelbaar is dat het gewelddadig handelen van verdachte nadat hij betrapt was, voor de betreffende burger een angstige gebeurtenis is geweest en hem er mogelijk van zal weerhouden om zich in de toekomst in voorkomende gevallen wederom in dergelijke situaties te begeven.

In algemene zin kan gezegd worden dat wanneer burgers zich met dit soort gewelddadigheden geconfronteerd zien, het hen er van kan weerhouden om zich in voorkomende gevallen afzijdig te houden om zo het risico op een confrontatie met gewelddadig gedrag uit de weg te gaan.

De rechtbank rekent dit verdachte ook zwaar aan. Het is juist in de huidige tijd voor de politie belangrijk dat burgers oplettend zijn op verdachte omstandigheden en hiervan melding doen of zo nodig zelf ingrijpen teneinde misdrijven te voorkomen.

Ook aan het plegen van verzet bij zijn aanhouding, waarbij verdachte letsel heeft toegebracht aan de politieambtenaar tilt de rechtbank zwaar.

De rechtbank heeft gelet op een Uittreksel Justiële Documentatie van verdachte van 14 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte sedert 1994 veelvuldig is veroordeeld ter zake van onder meer vermogensdelicten al dan niet gepaard gaande met geweld of bedreiging met geweld tot vrijheidsstraffen, geheel dan wel deels voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en werkstraffen. In 2005 heeft verdachte zelfs de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd gekregen.

Al deze straffen en maatregel hebben verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken als thans bewezen zijn verklaard.

De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

De rechtbank heeft ook gelet op een reclasseringsadvies van Palier Forensische & Intensieve Zorg van 4 juni 2012. Daaruit komt naar voren dat verdachte veelvuldig is veroordeeld terzake van vermogensdelicten die hij pleegt om in zijn middelengebruik te kunnen voorzien. Verdachte is sedert 1993 al in beeld bij de reclassering. Dit lijkt nauwelijks van invloed te zijn geweest op het gedrag van verdachte. Het delictgedrag lijkt voort te komen uit de verslaving van verdachte. Er is sprake van schizofrenie en persoonlijkheidsproblematiek. Zijn psychiatrische toestandsbeeld en middelengebruik zorgen ervoor dat hij zich nauwelijks begeleidbaar opstelt. Om recidive te voorkomen zou een klinische behandeling noodzakelijk zijn. Echter verdachte staat hier niet voor open. Verdachte heeft in een gesprek met zijn reclasseringswerker laten weten dat hij geen bemoeienis meer wil van de hulpverlening. Verdachte is echter momenteel niet in staat om zijn leven zelfstandig in te richten zonder terug te vallen in middelengebruik en recidive.

In het reclasseringsadvies wordt geadviseerd om het lopende toezicht van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf voort te zetten middels verlenging van de proeftijd en aanvulling /wijziging van de toen opgelegde bijzondere voorwaarden. Gedacht wordt daarbij aan een meldingsgebod en een behandelverplichting ten aanzien van het middelengebruik van verdachte.

Tenslotte heeft de rechtbank gelet op een schriftelijk advies van GGZ Centrum Maliebaan d.d. 18 juni 2012, waaruit naar voren komt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan een reclasseringsrapportage, geen contact meer wil met hulpverleners en geen hulp en behandeling zal accepteren als hij vrij komt. De reclassering heeft geen vertrouwen in voortzetting van het huidige toezicht, een ambulant traject of toezicht zonder dat bijzondere voorwaarden worden gesteld die gericht zijn op een klinische behandeling van verdachte.

Ter zitting hebben de deskundigen van GGZ Centrum Maliebaan, mevrouw F. Wouters, casemanager, en mevrouw J.C. Op ’t Hof, reclasseringswerker, het schriftelijk advies gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat een klinische klinische behandeling, bij voorkeur in FPC Rozenburg, noodzakelijk is voor het kunnen stellen van een goede diagnose en behandeling van het middelengebruik door verdachte. Daarbij wordt gedacht aan een klinische opname voor de duur van maximaal een jaar, direct aansluitend aan een eventueel op te leggen vrijheidsstraf.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur een passende straf zou zijn. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte (zijn verslaving, zijn schizofrenie en persoonlijkheidsproblematiek) zal de rechtbank echter een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijke straf op leggen met bijzondere voorwaarden, zoals in het dictum van dit vonnis vermeld, teneinde verdachte er toe te bewegen mee te werken aan een klinische behandeling en hem er van te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [verbalisant] vordert een schadevergoeding van € 300 als immateriële schadevergoeding voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 1 jaar die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de Meervoudige Strafkamer te Utrecht van 29 januari 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank acht het evenwel niet passend de hele vordering toe te wijzen, gelet op de ernst van de nieuwe strafbare feiten en de lange duur van de voorwaardelijke straf enerzijds en de specifieke persoonlijke omstandigheden van verdachte anderzijds. Daarom zal de rechtbank de vordering voor de duur van 3 maanden toewijzen en voor het overige deel de proeftijd verlengen met 1 jaar met wijziging van de bijzondere voorwaarden in die zin dat deze gelijkluidend worden aan de bijzondere voorwaarden die aan het voorwaardelijk strafdeel van de thans bewezen verklaarde feiten zullen worden verbonden.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 181, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1 primair:

Poging tot diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

2

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van NEGEN (9) MAANDEN, waarvan DRIE (3) MAANDEN voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclasseringsinstelling GGZ Centrum Maliebaan, zolang die instelling dat nodig acht en dat hij zich daartoe, na ommekomst van zijn detentie en de hieronder te noemen klinische opname, zal melden bij GGZ Centrum Maliebaan;

* dat verdachte zich, aansluitend aan zijn detentie, ter behandeling laat opnemen in de FPC Rozenburg of een soortgelijke instelling voor de duur van maximaal één (1) jaar;

* dat verdachte na genoemde klinische opname zal meewerken aan een ambulante behandeling en woonbegeleiding.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf van 1 jaar, die bij vonnis d.d. 29 januari 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/445241-09, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten drie (3) maanden;

- wijzigt de aan veroordeelde opgelegde voorwaarde in die zin dat de veroordeelde:

* zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclasseringsinstelling GGZ Centrum Maliebaan, zolang die instelling dat nodig acht en dat hij zich daartoe, na ommekomst van zijn detentie en de hieronder te noemen klinische opname, zal melden bij GGZ Centrum Maliebaan;

* zich, aansluitend aan zijn detentie, ter behandeling laat opnemen in de FPC Rozenburg of een soortgelijke instelling voor de duur van maximaal één (1) jaar;

* na genoemde klinische opname zal meewerken aan een ambulante behandeling en woonbegeleiding.

- verlengt voor het overige deel de proeftijd met één jaar;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant] van € 300,00. ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant], € 300,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juli 2012.

Mr. M.A.A.T. Engbers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.