Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1194

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
324259 - KG ZA 12-330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering verbod van strafrechtelijke ontruiming panden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 324259 / KG ZA 12-330

Vonnis in kort geding van 26 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de productie aan de zijde van [eiser] (7);

- de producties aan de zijde van de Staat (12);

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is bewoner van de panden aan de [adres] te [woonplaats] (hierna gezamenlijk: de panden).

2.2. Mevrouw [A] (hierna: [A]) is eigenaresse van de panden. Zij heeft op 22 maart 2012 aangifte gedaan van het kraken van de panden.

2.3. Op 21 september 2010 heeft [A] telefonisch met [eiser] afgesproken dat hij de panden op 30 november 2010 zou hebben verlaten en bezemschoon zou opleveren. Deze oplevering heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

2.4. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft aangekondigd voornemens te zijn over te zullen gaan tot ontruiming van de panden op basis de artikel 138a Wetboek van Strafrecht (Sr.) en artikel 551a Wetboek van strafvordering (Sv.).

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat en via haar de officier van justitie te [woonplaats] te verbieden op strafrechtelijke gronden tot ontruiming van de panden over te gaan, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan overhandiging van het pand aan derden dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens eiser gedurende zijn afwezigheid, bijvoorbeeld gedurende de tijd dat eiser na aanhouding voor verhoor op een politiebureau verblijft, totdat eventueel in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat het verblijf van eiser wederrechtelijk is alsmede een individuele belangenafweging is gemaakt ten aanzien van de vraag of de belangen van de Staat bij ontruiming zwaarder wegend zijn dan de belangen van eiser bij de voortzetting van zijn verblijf.

3.2. De Staat voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat ter zitting door [eiser] een nieuwe grondslag voor zijn vordering naar voren is gebracht. Deze grondslag is - in tegenstelling tot de stellingen die [eiser] bij dagvaarding in geding heeft gebracht - door [eiser] met toepasselijke feiten en omstandigheden onderbouwd. Om die reden zal eerst dit ter zitting gevoerde verweer van [eiser], tegen de stafrechtelijke ontruiming door de Staat, worden besproken.

4.2. Als eigenlijke grondslag voor zijn vordering stelt [eiser] ter zitting dat de artikelen 138a Sr. en 551a Sv. niet van toepassing zijn op de situatie waarin [eiser] zich thans bevindt. [eiser] voert daartoe aan dat uit de wetsgeschiedenis en uit de tekst van artikel 45 lid 3 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) blijkt dat de artikelen 138a Sr. en 551a Sv. niet van toepassing zijn op gebruikers en gewezen gebruikers krachtens persoonlijk of zakelijk recht. Tevens stelt [eiser] dat deze toepassing reeds ontbreekt zodra er een reële mogelijkheid in ogenschouw moet worden genomen dat sprake is van een (eventueel gewezen) gebruiker krachtens persoonlijk of zakelijk recht. [eiser] verwijst bij dit betoog naar de kamerstukken: EK 2009-2010, 31560, nr. B p. 12 en C, p 23. [eiser] betoogt dat hem wettelijke bescherming tegen de toepassing van 551a Sv. toekomt nu de panden op enig moment door hem krachtens persoonlijk of zakelijk recht in gebruik zijn geweest. Omdat [A] op 21 september 2010 toestemming heeft gegeven aan [eiser] om tot 30 november 2010 gebruik te maken van de panden, komt de Staat de toepassing van 551a Sv. dus niet toe, aldus [eiser].

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van [eiser] geen doel treft. De inhoud van de door [eiser] aangehaalde kamerstukken, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op geheel eigen wijze door [eiser] geïnterpreteerd en uitgelegd. De voorzieningenrechter volgt deze uitleg niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet uit deze kamerstukken blijkt dat een kraker die ooit voor een bepaalde - in casu zeer korte periode in een pand is gedoogd, een bescherming van optreden op grond van artikel 551a Sv. toekomt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit deze kamerstukken enkel blijkt dat er geen sprake kan zijn van strafrechtelijke ontruiming indien er op dat moment sprake is van toestemming tot verblijf. Door de Staat is ter zitting aangegeven dat [A] [eiser] geen expliciete toestemming heeft gegeven om in de panden te verblijven, maar dat zij een overeenkomst heeft gesloten tot ontruiming per 30 november 2010. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze overeenkomst derhalve met name op het vertrek van [eiser] uit de panden is gericht, maar zelfs al zou [A] daarmee enige tijdelijke uitdrukkelijke toestemming tot verblijf hebben verleend, heeft zij dit slechts voor zeer korte duur gedaan en is daarmee niet de situatie ontstaan dat [eiser] rechtmatig in de panden verblijft na 30 november 2010. Nu [eiser] niet volgens de afspraak de panden heeft verlaten is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] zich zonder geldige titel bevindt in de panden en er geen persoonlijk of zakelijk recht is op grond waarvan [eiser] daar kan blijven.

4.4. Ten aanzien van de verwijzing van [eiser] naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht d.d. 2 maart 2011 overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de aangehaalde zaak ging het er om - anders dan hier het geval is - dat uit het door de officier van justitie ingestelde onderzoek had kunnen blijken of de - zoals door eisende partij gestelde - toestemming tot bewoning van het pand door de gemeente was verleend nadat aangifte was gedaan. Deze toetsing speelt in deze zaak echter geen rol. Tussen partijen is niet in geschil dat op enig moment door [A] voor een korte periode het verblijf is gedoogd. Slechts het gevolg dat hieraan verbonden dient te worden voor de periode na 30 november 2010 is punt van discussie. Het is duidelijk dat [A], de eigenaresse, vanaf 30 november 2010 geen toestemming voor bewoning of verblijf heeft gegeven. Door [eiser] is daarbij ook niet aangegeven wat volgens hem het gevolg van de vergelijking met bovengenoemde zaak dient te zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vergelijking met deze uitspraak in ieder geval - voor zover [eiser] dit doel voor ogen had - niet tot de conclusie kan leiden dat geen sprake is van een redelijke verdenking van het in artikel 138a Sr. gestelde feit.

4.5. Voorts blijkt uit de dagvaarding dat [eiser] zijn vordering mede heeft gebaseerd op een - naar de rechtbank begrijpt - door de advocaat van [eiser] gestandaardiseerd model, waarin door [eiser] op meerdere gronden wordt betoogd dat de Staat niet het recht op strafrechtelijk ontruiming van de panden toekomt op grond van de artikelen 138a Sr. en 551a Sv. Ten aanzien van deze stellingen overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.6. De voorzieningenrechter stelt ten aanzien van dit betoog vast dat verschillende rechtscolleges, waaronder de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 2011 (LJN: BQ9880), inmiddels hebben geoordeeld dat de ontruimingsbevoegdheid ex artikel 551a Sv., onder de in de beleidsbrief van het College van procureurs-generaal van 30 november 2010 (hierna: de beleidsbrief) gestelde voorwaarden, niet in strijd is met de artikelen 8 lid 2 en 13 EVRM. [eiser] heeft geen op de concrete situatie toegespitste gronden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de bevoegdheid van de Staat tot strafrechtelijke ontruiming in dit geval wel strijdig is met het EVRM. De enkele stelling dat de Hoge Raad in voornoemd arrest het EVRM verkeerd heeft uitgelegd - welke stelling niet onderbouwd is met andere argumenten dan die reeds in de procedure die tot het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad heeft geleid zijn aangevoerd is eveneens onvoldoende om tot een heroverweging op dit onderdeel te komen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan de Hoge Raad in genoemd arrest heeft gedaan.

4.7. Anders dan [eiser] heeft gesteld wordt de termijn van een week, die een bewoner in de beleidsbrief wordt gegund om een kort geding aanhangig te maken om op die manier, voordat ontruimd wordt, de bevoegdheid tot ontruimen ter toetsing aan de voorzieningenrechter voor te leggen, geacht voldoende rechtsbescherming te bieden. Een bewoner/kraker kan zelf inschatten of hij er rekening mee moet houden dat geoordeeld kan worden dat hij wederrechtelijk in een pand verblijft en of dus een aankondiging tot ontruiming is te verwachten. In het geval dat over de rechtmatigheid van zijn verblijf getwijfeld kan worden, kan de bewoner/kraker voorbereidende werkzaamheden verrichten en zorgen dat hij de argumenten en bewijsstukken voor een eventueel te voeren kort geding paraat heeft op het moment dat de aankondiging tot ontruiming wordt gedaan. Zelfs zonder voorbereiding wordt een termijn van een week voldoende geacht voor het opstellen van een conceptdagvaarding, het verkrijgen van een dagbepaling bij de voorzieningenrechter en het uitbrengen van een dagvaarding. De gronden van de dagvaarding kunnen in ieder geval immers nog worden aangevuld tot en met de zitting in kort geding. Gezien de in de beleidsbrief gestelde periode van acht weken kan voor de termijn van dagvaarden de wettelijke termijn van acht dagen in acht worden genomen en kan binnen acht weken een vonnis van de voorzieningenrechter worden verkregen.

4.8. Anders dan [eiser] meent, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in zijn algemeenheid worden gesteld dat het huidige aanzeggingsbeleid onvoldoende zekerheid biedt dat de aanzegging ook daadwerkelijk bij de betrokkene aankomt. De bewoner/kraker die tijdelijk afwezig is, zal ervoor hebben zorg te dragen dat mededelingen die tijdens zijn afwezigheid aan hem worden gedaan, hem bereiken. Ook de afwezige bewoner/kraker dient er, evenals ieder ander die deelneemt aan het rechtsverkeer, op bedacht te zijn dat hem op ieder moment een mededeling met verstrekkende inhoud kan worden gezonden. Wanneer een bewoner/kraker weet dat zijn verblijf in een gekraakt pand niet onomstreden is, geldt die bedachtzaamheid voor hem te meer. [eiser] heeft overigens ter zitting verklaard dat hij de aankondigingsbrief in dit geval ook daadwerkelijk heeft ontvangen.

4.9. De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van [eiser] dat het OM reeds in de aankondigingsbrief inzicht zou moeten verschaffen in de redenen waarom zij meent dat de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 551a Sv. zijn vervuld en in de belangen die bij de te maken belangenafweging zijn betrokken en op welke wijze die zijn gewogen. Het is toereikend indien de Staat in de kort geding procedure aannemelijk maakt dat zij bevoegd is om tot ontruiming over te gaan. Het is aan [eiser] om vervolgens aannemelijk te maken dat de eigenaar in het geheel niets met het gekraakte pand van plan is en de ontruiming alleen maar zal leiden tot langdurige leegstand, zonder enig uitzicht dat er in die situatie verandering komt, en om hun persoonlijke belangen bij voortgezet verblijf in het pand naar voren te brengen.

4.10. Vervolgens ligt de vraag voor of een belangenafweging in dit concrete geval - die blijkens het arrest van de Hoge Raad dient te worden gemaakt in het kader van de proportionaliteitstoets - ertoe moet leiden dat in dit geval ontruiming niet gerechtvaardigd is.

Daarbij dient de voorzieningenrechter te onderzoeken of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.

4.11. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie leiden dat er sprake is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden. Tegenover de stelling van [eiser] dat [A] niet in haar belangen wordt geschaad door bewoning van de panden door [eiser], heeft de Staat gesteld dat [A] de panden, reeds voordat [eiser] de panden kraakte, verhuurde aan Poolse werknemers. Deze werknemers waren enkel met vakantie toen [eiser] de panden ging bewonen. [A] wil de panden en de bijbehorende grond en aanlegplaatsen weer verhuren en behoeden voor (verder) verval. Voorts wordt zij momenteel door de gemeente Stichtse Vecht aangesproken op de overtredingen die [eiser] begaat op haar grond, waarbij de gemeente voornemens is een last onder bestuursdwang aan [A] op te leggen. Tevens is door [A] onbetwist gesteld dat zij verantwoordelijk wordt gehouden voor het afsluiten van contracten door [eiser] met betrekking tot water- en energielevering in en rondom de panden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat de nadelige situatie waarin [A] zich thans bevindt, door middel van de door haar overgelegde producties voldoende aannemelijk heeft gemaakt. [eiser] heeft de situatie van [A] ter zitting niet betwist. Met betrekking tot het huisrecht van [eiser] zijn geen andere omstandigheden aannemelijk geworden dan die de wetgever bij de afweging in abstracto al in aanmerking heeft genomen. Het voorgaande betekent dat in dit geval een strafrechtelijke ontruiming de proportionaliteitstoets kan doorstaan.

4.12. Het vorenstaande voert tot de conclusie dat het jegens de Staat gevorderde niet toewijsbaar is.

4.13. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Staat worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van De Staat tot op heden begroot op € 1.391,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012.