Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1127

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
802984 AV EXPL 12-41 VS/4192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Betreft: Kort geding waarin door werknemer wedertewerkstelling wordt gevorderd in de functie van sectormanager en betaling van het daarbij behorende loon. Werknemer is tijdens een re-integratieperiode een andere functie gaan vervullen. De vraag die voorligt is of sprake is van een eenzijdige functiewijziging (standpunt werknemer) of dat eiser heeft ingestemd met de functiewijziging (standpunt werkgever). Dit laatste acht de kantonrechter op voorhand voldoende aannemelijk geworden en de vordering tot wedertewerkstelling wordt daarom afgewezen. De vordering tot betaling van het bij de functie van sectormanager behorende salaris wordt ook afgewezen aan de hand van de in het arrest van de HR van 11 juli 2008 (Stoof-Mammoet) geformuleerde criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0654
Prg. 2012/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 802984 AV EXPL 12-41 VS/4192

kort geding vonnis d.d. 1 juni 2012

inzake

[eiser]

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle,

tegen:

de stichting

SGJ Christelijke Jeugdzorg,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen SGJ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J. Brakke, advocaat te Zeewolde.

1. Het verloop van de procedure

[eiser] heeft SGJ in kort geding doen dagvaarden.

SGJ heeft voor de zitting producties toegezonden en een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Daarvan is aantekening gehouden.

[eiser] heeft een pleitnotitie overgelegd en heeft bij gelegenheid van de zitting de vordering gewijzigd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser], geboren op [1958], is sedert 1983 bij SGJ in dienst.

Vanaf 15 november 2004 bekleedt [eiser] de functie van sectormanager in de sector Toegang, Gezinsvoogdij en Voogdij (hierna: TGV), tegen een salaris van € 4.896,11 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2. Op 13 september 2010 is [eiser] uitgevallen voor zijn werkzaamheden vanwege (niet aan het werk gerelateerde) beperkingen als gevolg van neurologische klachten.

2.3. [eiser] heeft zijn werkzaamheden in de periode oktober 2010 tot en met

februari 2011 geleidelijk aan hervat.

2.4. Op 1 februari 2011 is in de sector TGV een vertrouwenscrisis ontstaan tussen de teammanagers en het bestuur van SGJ. De voorzitter van de Raad van Bestuur, de heer

[A] (hierna: [A]) heeft vervolgens dr. [B] (hierna: [B]), extern adviseur, ingeschakeld voor onderzoek en advies. Op 22 februari 2011 heeft [B] zijn bevindingen en adviezen aan [A] gerapporteerd.

2.5. In zijn brief van 3 maart 2011 aan [eiser] bevestigt [A] het besluit om [eiser] met ingang van 28 februari 2011 niet langer in te zetten als sectormanager TGV. Daarbij wordt gemeld, voor zover hier van belang, dat in navolging van het advies van [B] een transitie zal worden doorgevoerd, waarbij de sectormanager een sleutelrol vervult. Dit vergt van die sectormanager een mix van stevig resultaatmanagement en het vermogen te verbinden. [B] adviseert daarvoor het inzetten van een interim-manager met een overwaarde op dit punt. [A] neemt dat advies over en stelt dat de taak die nu moet worden vervuld in redelijkheid niet van [eiser] kan en mag worden gevraagd. Omdat dit besluit verstrekkende gevolgen heeft voor de positie van [eiser] binnen SGJ wordt [eiser] uitgenodigd voor een gesprek op 7 maart 2011.

2.6. Naar aanleiding van het gesprek op 7 maart 2011 is [eiser] de functie stafmedewerker projecten gaan verrichten. Deze functie is twee schalen lager dan de functie van sectormanager.

2.7. De heer [C] geeft vanaf 7 maart 2011 als manager ad interim leiding aan de sector TGV.

2.8. In september 2011 is [eiser] bijna volledig arbeidsgeschikt. In verband met het ten einde komen van de re-integratie, formuleert [A] in de brief van 8 september 2011 aan [eiser] het volgende voorstel:

“(…)

1. Met ingang van 1 oktober 2011 bekleed je de functie van stafmedewerker projecten. (…)

2. (…)

3. Met ingang van 1 oktober 2011 ontvang je daarbij het passende salaris volgens schaal 10, periodiek 12 van de salarisregeling van de CAO Jeugdzorg, van bruto € 3.709,89 per maand bij een fulltime dienstverband.

4. Je ontvangt voor de periode tot en met 31 december 2011 een garantietoeslag met een bruto bedrag van € 1.186,22 per maand.

5. Je ontvangt voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een garantietoeslag met een bruto bedrag van € 889,67 per maand, zijnde 75% van het bedrag genoemd in punt 3. Dit bedrag wordt in de kalenderjaren 2013 en 2014 teruggebracht tot resp. 50% en 25% van het bedrag genoemd onder punt 3.

6. In januari 2012 ga je starten met een loopbaanoriëntatie bij Beljon + Westerterp. Daarbij is het doel je persoonlijke mobiliteit, wensen en ambities vast te laten stellen en dat vervolgens te laten vertalen in adviezen ten aanzien van het vervolg van jouw loopbaan.

(…)”

2.9. In zijn brief van 24 september 2011 meldt [eiser] aan [A], voor zover hier van belang, dat hij heeft ingestemd met het mondelinge voorstel van [A] op 7 maart 2011, maar dat het schriftelijke voorstel van [A] op verschillende punten niet voldoet aan de redelijkheidseisen die hij van de werkgever mag verwachten. [eiser] tekent dan ook bezwaar aan tegen het voorstel van 8 september 2011 en maakt tevens formeel bezwaar tegen het besluit om hem niet langer als sectormanager in te zetten. Dat besluit beschouwt hij als een eenzijdige functiewijziging.

2.10. Op 26 september 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [A]. Van dit gesprek is een verslag gemaakt.

2.11. In zijn e-mail bericht van 15 november 2011 meldt [eiser] dat hij weer voor 100% arbeidsgeschikt is.

2.12. [D], hoofd personeel en organisatie bij SGJ, deelt in een reactie aan [eiser] mee dat een hersteldmelding voor de functie van sectormanager niet in behandeling zal worden genomen.

2.13. [eiser] verzoekt op 5 januari 2012 om een deskundigenoordeel met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van de werknemer/werkgever. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft in zijn rapportage van 31 januari 2012 geconcludeerd dat [eiser] op en na

11 november 2011 weer volledig geschikt en beschikbaar is te achten voor een werkhervatting in de functie van sectormanager.

3. De vordering en het verweer

3.1. Na wijziging van eis vordert [eiser] bij wijze van voorlopige voorziening veroordeling van SGJ tot:

a. wedertewerkstelling van [eiser] in zijn functie van Sectormanager TGV, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat SGJ [eiser] niet toelaat tot zijn werkzaamheden,

b. betaling vanaf 1 april 2012 van het rechtens geldende loon, thans € 4.896,11 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, bij vertraagde betaling te vermeerderen met de verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW alsmede met de wettelijke rente over de som van loon en de verhoging vanaf de respectieve data van opeisbaarheid;

c. betaling van de proceskosten.

3.2. Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] – kort gezegd – dat sprake is van een eenzijdige functiewijziging waarmee [eiser] niet heeft ingestemd. Het besluit om [eiser] te ontheffen uit de functie van sectormanager is in het geheel niet onderbouwd en het belang van [eiser] bij wedertewerkstelling dient te prevaleren boven het belang van SGJ. [eiser] is van mening dat hij een belangrijke rol kan spelen in het huidige herstelproces binnen SGJ. Nu hij fysiek weer in staat is om zijn werkzaamheden te hervatten, wil hij zo snel mogelijk weer aan de slag, ook in het belang van SGJ.

3.3. SGJ heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de functie van [eiser] met zijn instemming is gewijzigd en dat hij geen aanspraak meer kan maken op de functie van sectormanager. Subsidiair stelt SGJ dat [eiser] terecht uit de functie van sectormanager is ontheven en meer subsidiair dat in redelijkheid niet van SGJ gevergd kan worden [eiser] te werk te stellen in de functie van sectormanager.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat de gevorderde voorlopige voorziening alleen voor toewijzing in aanmerking komt als in deze kort geding procedure aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden – zonder dat daarbij ruimte is voor nader onderzoek – geoordeeld moet worden dat de vordering van [eiser] in een eventueel tussen partijen te voeren bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.2. Allereerst zal worden onderzocht of wedertewerkstelling in de functie van sectormanager TGV aangewezen is en vervolgens (4.5 – 4.9) of het gevorderde salaris kan worden toegekend.

4.3. Zoals blijkt uit de stellingen van SGJ ligt aan de functiewijzing ten grondslag dat de functie van sectormanager door de jaren heen een steeds zwaardere functie is geworden en dat het voor [eiser], ondanks coaching en begeleiding, niet haalbaar is om langer en succesvol in de functie van sectormanager te blijven werken. Partijen hebben hierover gesprekken gevoerd en daaruit is voornoemde conclusie getrokken, die door alle partijen werd onderschreven. In overleg met [eiser] is de functiewijziging doorgevoerd en van een eenzijdige keuze door SGJ is geen sprake, aldus SGJ.

4.4. Niet in geschil is dat [eiser] vanaf maart 2011 tot heden de functie van stafmedewerker projecten uitvoert. De functie van sectormanager wordt vanaf 7 maart 2011 vervuld door een interim manager. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij zich aanvankelijk niet heeft verzet tegen de functiewijziging omdat hij op dat moment nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en niet in staat was om weer volledig als sectormanager aan de slag te gaan. Hij ging ervan uit dat pas als duidelijkheid bestond over de vraag of hij al dan niet blijvend ongeschikt zou zijn voor de functie als sectormanager, een definitief besluit hierover genomen zou worden. Voor dit standpunt van [eiser] zijn echter op voorhand onvoldoende aanknopingspunten te vinden in de gedingstukken en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd. Veeleer komt het beeld naar voren dat partijen over de functiewijziging op zichzelf overeenstemming hebben bereikt, maar dat [eiser] niet akkoord was met de bijkomende voorwaarden, waaronder het salaris en het voorstel rondom loopbaanbegeleiding. Wat betreft de overeenstemming over de functiewijziging acht de kantonrechter van belang dat [eiser] in zijn brief van 24 september 2011 zelf stelt dat hij heeft ingestemd met het voorstel dat hem mondeling op 7 maart 2011 is gedaan. Daarnaast heeft [eiser] niet weersproken dat hij, zoals is opgetekend in het gespreksverslag van

26 september 2011, op het eerste punt in de brief van [A] van 8 september 2011 “met ingang van 1 oktober 2011 bekleed je de functie van stafmedewerker projecten” heeft gereageerd met “helder en duidelijk, prima”. Uit deze reactie van [eiser] kan op voorhand genoegzaam worden afgeleid dat hij heeft ingestemd met de wijziging van zijn functie. Daarbij in aanmerking genomen dat [eiser] deze positieve reactie ten aanzien van de functie stafmedewerker projecten heeft gegeven kort voor het moment dat hij weer volledig arbeidsgeschikt was, is op voorhand niet aannemelijk geworden dat hij op dat moment

- september 2011- (nog) in de veronderstelling verkeerde dat hij, ondanks het uitvoeren van de functie van stafmedewerker projecten, re-integreerde naar zijn oude functie van sectormanager en dat van instemming met een definitieve functiewijzing geen sprake was. Gelet op het vorenstaande kan een bespreking van het subsidiaire en meer subsidiaire verweer van SGJ onbesproken blijven.

4.5. Aannemelijk is geworden dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over het bij de functie van stafmedewerker projecten behorende salaris. Niet in geschil is dat deze functie twee schalen lager is dan de functie van sectormanager. Naar de mening van SGJ hoort bij een functiewijziging een passend salaris en heeft zij [eiser] een royaal voorstel gedaan in het kader van de afbouw van zijn salaris. [eiser] stelt zich echter op het standpunt, zo begrijpt de kantonrechter, dat qua salaris een bandbreedte van 10% redelijk zou zijn.

4.6. De wijziging in het salaris dient te worden beoordeeld aan de hand van de drie criteria die door de Hoge Raad zijn neergelegd in het arrest van 11 juli 2008, JAR 2008, 204 (en NJ 2011, 185) (Stoof Mammoet). De kantonrechter overweegt in dit verband het volgende.

4.7. Allereerst is op voorhand voldoende aannemelijk dat SGJ niet ontkomt aan het doorvoeren van veranderingen in haar organisatie. De extern adviseur [B] heeft onderzoek gedaan en geconcludeerd dat verandering binnen de organisatie van SGJ urgent nodig is. Daarbij zal een wijziging in inhoud en stijl van de functie van sector manager aan het begin van het verandertraject de grootste hefboomwerking hebben. Geadviseerd wordt om de functie van sector manager te laten vervullen door iemand met een specifieke overwaarde. Voor SGJ bestond derhalve voldoende aanleiding om een voorstel te doen aan [eiser], hetgeen er in heeft geresulteerd dat [eiser] zijn werkzaamheden als sectormanager heeft neergelegd en de functie van stafmedewerker projecten is gaan uitvoeren.

4.8. Nu voorshands aannemelijk wordt geacht dat [eiser] heeft ingestemd met de functiewijziging dient vervolgens te worden beoordeeld of het daarbij behorende salarisvoorstel redelijk is. De kantonrechter acht dat op voorhand voldoende aannemelijk. Het voorstel van SGJ behelst dat [eiser] het bij deze functie passende salaris volgens de salarisregeling CAO-jeugdzorg zal ontvangen, waarbij hij in hoogste trede zal worden ingeschaald. Als afbouwregeling van zijn salaris is voorgesteld dat [eiser] tot en met

31 december 2011 een bedrag van € 1.186,22 bruto per maand garantietoeslag zal ontvangen, in het kalenderjaar 2012 een bedrag van € 889,67 bruto per maand, zijnde 75% van het bruto maandsalaris. De garantietoeslag zal in 2013 en 2014 worden afgebouwd tot respectievelijk 50% en 25% van het bruto maandsalaris. Gezien de aard van de veranderingen waarmee SGJ zich geconfronteerd ziet en de omstandigheid dat de organisatie, zoals onweersproken ter zitting is gesteld, in financieel zwaar weer verkeert, is het salarisvoorstel, dat is voorzien van een afbouwregeling van 3 jaar en drie maanden, op voorhand redelijk te noemen. Aan het standpunt van [eiser] dat een bandbreedte van 10% redelijk zou zijn, gaat de kantonrechter vooralsnog als onvoldoende onderbouwd voorbij.

4.9. Ten slotte kan van [eiser] worden gevergd dat hij, nu hij heeft ingestemd met de functiewijziging, eveneens akkoord gaat met het bij de functie van stafmedewerker behorende salaris. Daarbij acht de kantonrechter nog van belang dat uit de stellingen van SGJ kan worden afgeleid dat zij zich van meet af aan bereid heeft verklaard om te onderzoeken of het door middel van loopbaanbegeleiding mogelijk is te komen tot een plaatsing in een hogere functie.

4.10. De kantonrechter is voorshands, op grond van de thans voorliggende gegevens, van oordeel dat er op dit moment geen zodanig vooruitzicht bestaat op een voor [eiser] gunstige uitkomst van de bodemprocedure dat daar in het kader van dit kort geding op vooruit kan worden gelopen.

Dit leidt ertoe dat de vordering tot wedertewerkstelling in de functie van sectormanager en tot betaling van het bij deze functie behorende loon, zal worden afgewezen.

4.11. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van SGJ, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.