Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0972

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
295641 - HA ZA 10-2321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Brand. Eiseres vordert nakoming van de bedrijfsverzekeringsovereenkomst. Verzekeraar doet een beroep op uitsluitingsclausule en stelt als verweer dat eiseres negatief betrokken is bij de brand en gaat niet tot uitkering over. Verzekeraar wordt in de gelegenheid gesteld haar verweer te bewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 295641 / HA ZA 10-2321

Vonnis van 13 juni 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. S.T.W. Verhaagh te Nijmegen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

REAAL N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

3. de naamloze vennootschap

SRLEV N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagden,

advocaat: mr. S.W. Polak te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Reaal c.s. en, waar nodig, afzonderlijk Reaal Schadeverzekeringen genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 maart 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. [eiseres] exploiteerde een snackbar genaamd [snackbar] aan de [adres] in Amersfoort. Deze snackbar heeft zij op 20 oktober 2008 voor een bedrag van EUR 18.970,- van haar broer [A] overgenomen. Het pand waarin de snackbar is gevestigd, wordt door de heer [B] aan [eiseres] verhuurd. De huurprijs bedraagt EUR 15.000,- per jaar.

2.2. Op basis van de aanvraag van 6 november 2008 is tussen [eiseres] en Reaal Schadeverzekeringen een bedrijfsverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen die een inventaris/goederendekking en een bedrijfsschadedekking kent. Op de overeenkomst zijn de polisvoorwaarden BB-MKB2006 van toepassing. Deze polisvoorwaarden bestaan uit Algemene voorwaarden, Bijzondere voorwaarden Gebouwen, Bijzondere voorwaarden Inventaris/goederen en Bijzondere voorwaarden Bedrijfsschade.

In artikel 2.5 van Algemene voorwaarden is vermeld:

“Braak

Een zichtbare verbreking van een afsluiting, niet zijnde hekwerken, terreinafscheidingen en dergelijke, met het oogmerk zich wederrechtelijk toegang te verschaffen;”

Artikel 2.12 van de Algemene voorwaarden luidt:

“Inbraak

Het zich wederrechtelijk toegang verschaffen middels inbraak;”

Artikel 2.29 van de Algemene voorwaarden luidt:

“Vandalisme

Het opzettelijk, willekeurig, plegen van vernielingen, zonder dat dit aanwijsbaar materieel voordeel oplevert;”

In artikel 5 van de Algemene voorwaarden is bepaald:

“Voor de omschrijving van de door deze verzekering geldende uitsluitingen wordt verwezen naar de op het polisblad vermelde voorwaarden en eventuele clausules.

Naast deze uitsluitingen is in ieder geval uitgesloten schade die de verzekeringnemer of een verzekerde met opzet, al dan niet bewuste roekeloosheid of al dan niet bewuste merkelijke schuld heeft veroorzaakt. Met opzet, al dan niet bewuste roekeloosheid of al dan niet bewuste merkelijke schuld van de verzekeringnemer of een verzekerde wordt voor de toepassing van deze uitsluiting gelijkgesteld de opzet, de al dan niet bewuste roekeloosheid of de al dan niet bewuste merkelijke schuld van degene die in opdracht of met goedvinden van de verzekeringnemer of een verzekerde de algehele feitelijke leiding heeft over het bedrijf of een deel van het bedrijf van de verzekeringnemer of van die verzekerde en die in die hoedanigheid schade veroorzaakt.”

Artikel 6.1 van de Algemene voorwaarden bepaalt, voor zover van belang:

“Zodra de verzekerde kennis draagt van een gebeurtenis, aanspraak of omstandigheid die voor REAAL tot het doen van een uitkering kan leiden, is verzekerde verplicht om:

• naar waarheid over de gebeurtenis in te lichten en verder alle medewerking te verlenen voor het verkrijgen van de door REAAL gewenste inlichtingen;

• volle medewerking aan de schaderegeling te verlenen en zich te onthouden van alles wat het belang van REAAL zou kunnen schaden;

• alle maatregelen te treffen ter beperking van schade;

REAAL verleent geen uitkering, indien de verzekerde:

• bij schade opzettelijk onjuiste gegevens verstrekt of laat verstrekken;

• één van de in dit artikel genoemde verplichtingen niet is nagekomen en de belangen van REAAL daardoor zijn geschaad. Is REAAL niet geschaad in een redelijk belang, dan mag REAAL niettemin de schade die REAAL door het niet-nakomen van de in dit artikel genoemde verplichtingen lijdt of de extra kosten die REAAL daardoor moet maken, op de uitkering in mindering brengen.”

2.3. In artikel 2 van de Bijzondere voorwaarden Inventaris/goederen is – voor zover van belang – bepaald:

“De verzekerde interesten (inclusief eigendommen van derden voorzover het op deze polis verzekerd bedrag toereikend is) zijn binnen het (de) op het polisblad omschreven gebouw(en) verzekerd tegen plotselinge materiële schade veroorzaakt door en ten gevolge van:

(…)

2.4 Ontploffing

(…)

2.6 Diefstal na braak of poging daartoe

Diefstal of poging daartoe, waarbij de dader het gebouw, waarin zich de verzekerde interesten bevinden, binnengedrongen is, door middel van braak van buitenaf aan bedoeld gebouw of een daarmee binnenshuis gemeenschap hebbend gebouw. (…) Met schade door diefstal wordt gelijkgesteld vernieling of beschadiging van verzekerde interesten tijdens of tengevolge van diefstal, inbraak of poging daartoe;

2.7 Inbraak

Inbraak of poging daartoe, van buitenaf gepleegd middels braak ten opzichte van het gebouw of een daarmede binnenshuis gemeenschap hebbend gebouw;

2.8 Vandalisme

Vandalisme na braak;”

2.4. Artikel 2.1 van de Bijzondere voorwaarden Bedrijfsschade luidt, voor zover van belang:

“De verzekering geldt voor bedrijfsschade welke de verzekerde tijdens de uitkeringstermijn lijdt door gehele of gedeeltelijke bedrijfsstilstand of –stoornis als gevolg van beschadiging of vernietiging van de gebouwen waarin het bedrijf wordt uitgeoefend en/of van de daarin aanwezige bedrijfsuitrusting, inventaris of elektronica of goederen, voor zover deze voor de uitoefening van het bedrijf nodig zijn en mits omzet- en/of productievermindering optreedt door een in de Bijzondere voorwaarden Gebouwen en/of de Bijzondere voorwaarden Inventaris/Goederen omschreven gedekte gebeurtenis. (…)”

2.5. In de nacht van zondag 21 op maandag 22 december 2008 omstreeks 4.55 uur is in de snackbar brand uitgebroken en heeft zich een ontploffing voorgedaan.

2.6. Op 20 januari 2009 heeft [eiseres] aangifte van inbraak gedaan bij de politie Utrecht, district Eemland Zuid. In het proces-verbaal van aangifte is onder meer vermeld:

“Ik ([eiseres]; toevoeging rechtbank) zag dat de volgende spullen weg waren:

De laptop lag op het bureau in de privé-ruimte achter de klanten-ruimte (restaurant-gedeelte). De flesjes parfum lagen ook op dit bureau. Het kassa-geld lag onder de kassa-lade in de kassa, die op het tafeltje achter de balie stond. De pot met kleingeld had op de balie gestaan en was ongeveer driekwart-vol. Ik schat dat er ongeveer 400,- euro inzat.”

2.7. In opdracht van Reaal Schadeverzekeringen heeft Brandtechnisch Bureau Nederland N.V. (hierna: BTB) onderzoek gedaan naar de ontploffing en de brand. Op 13 juli 2009 brengt BTB haar rapport uit. Onder het kopje ‘Conclusies’ is in het rapport onder andere vermeld:

“Op grond van de bevindingen kan het volgende worden geconcludeerd:

(…)

• Het alarmsysteem van [snackbar] werd op zondag 21 december 2008, omstreeks 21.15 uur, door mevrouw [eiseres] bedrijfsvaardig geschakeld en alle ramen en deuren van haar zaak waren toen (slotvast) gesloten. Gedurende het evenement, tot en met het einde van de middag van maandag 22 december 2008, heeft het alarmsysteem naar behoren gefunctioneerd en alarmmeldingen aan de PAC (de particuliere alarmcentrale van Alert Services, de beveiligingsonderneming waarvan [eiseres] gebruik maakt; toevoeging rechtbank) doorgegeven.

• Op maandag 22 december 2008, omstreeks 04.55 uur, ontstond een thermische explosie als gevolg van 2 liter verdampte benzine. Een dergelijk volume benzine zal in 1 tot 2 uur verdampen hetgeen betekent dat de benzine in het schade-adres op maandag 22 december 2008, tussen 03.00 uur en 04.00 uur in een omvangrijk gebied in de open keuken daar moet zijn uitgegoten. De brandstichter moet derhalve de beschikking hebben gehad over de combinatie van een passende sleutel en de alarmcode van het schade-adres en kennis hebben gehad hoe de sirene van het alarmsysteem kon worden uitgeschakeld.

(…)

• In het brandbeeld zijn 4 separate brandhaarden te herkennen waarvan in drie benzine werd aangetoond. Een van de brandhaarden viel buiten het detectiegebied. Het kan niet worden uitgesloten dat direct na het uitgieten deze brandhaard als enige werd ontstoken en de thermische explosie nadien wellicht niet was voorzien.

• Het hang- en sluitwerk van de gevelelementen was van dusdanige kwaliteit dat een inbraak(poging) zondermeer tot een herkenbaar sporenbeeld zou hebben geleid: op geen van de gevelelementen werden sporen van forceringen aangetroffen waaruit mag worden opgemaakt dat sprake is geweest van een inbraak (…).

• De sporen op het kantoorraam waaruit Custos afleidt dat hier sprake zou zijn van een inbraak, zijn het gevolg van de thermische explosie. Wel is vast komen te staan dat dit raam vóór het evenement vanaf de zijde van het kantoor is opengezet: binnenkomst langs dit raam kan evenwel geheel worden uitgesloten, zo werd duidelijk tijdens het onderzoek naar de werking van het alarmsysteem: binnenklimmen had tegelijkertijd twee alarmmeldingen gegenereerd van twee verschillende alarmzones, op de alarmuitdraai is die combinatie, voorafgaande aan het evenement althans, niet terug te vinden.

• De sirene van het alarmsysteem is vóór het evenement uitgeschakeld. (…)

(…)

• Op zondagavond 21 december 2008 werd door mevrouw [eiseres] 8.79 liter benzine getankt. Voor een reguliere tankstop een ongebruikelijke kleine hoeveelheid brandstof. Mogelijk is deze benzine aangewend ter activering van de brand in [snackbar].

• Het kan niet worden uitgesloten dat de brand uit een financieel motief is gesticht: op onduidelijke gronden weigerde mevrouw [eiseres] consequent financiële informatie ter beschikking te stellen. Daarnaast kan in de (mogelijke) opvang van dak- en thuislozen in de directe nabijheid van het schade-adres, met mogelijke omzetdaling tot gevolg, eveneens een motief schuilgaan.”

Onder het kopje eindconclusie wordt op p. 61 van het rapport onder meer geschreven:

“Om de voorbereidingshandelingen in casu de brand in [snackbar] te kunnen stichten was het noodzakelijk de beschikking te hebben gehad over een passende sleutel, de alarmcode en de wetenschap hoe de sirene van het alarmsysteem kon worden uitgeschakeld. Ondanks dat [vader eiseres] [snackbar] feitelijk runde en het aannemelijk is dat ook hij een sleutel had en op de hoogte was van de alarmcode en mogelijk ook heeft geweten hoe de sirene moest worden uitgeschakeld, verklaren mevrouw [eiseres] en [zus eiseres] consequent dat slechts zij in het bezit waren van alle sleutels en de alarmcode. Daarmee en het gegeven dat een inbraak geheel kan worden uitgesloten, is het zeer waarschijnlijk dat een van beiden of allebei, negatief betrokken zijn bij de brandstichting. Daarbij is vastgesteld dat beiden tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over tal van zaken en aantoonbaar hebben gelogen omtrent de diefstal van een laptop, geld en een collectebus waarvan mevrouw [eiseres] nog eens een valse aangifte heeft gedaan bij de politie Amersfoort, handelingen waaruit thans haar twijfelachtige moraliteit onweerlegbaar blijkt.”

2.8. Bij het rapport van BTB zijn onder meer de schriftelijke verklaringen van [eiseres] als bijlage gevoegd. Op 5 februari 2009 verklaart [eiseres] onder meer:

“Van de enige twee toegangsdeuren van het pand, heb ik drie sleutels. (…)

Mijn zus had een sleutel, ikzelf en er was een reserve sleutel die lag in mijn kamer – waar ik nog wel eens verblijf – in de woning van mijn ouders (…).

Ik weet niet of dhr. [B] nog een sleutel van [snackbar] in zijn bezit heeft.

(…)

Het systeem wordt met een code geschakeld – 1982 –. Naast mijzelf was mijn zus [zus eiseres] op de hoogte van de code. Nadat ik [snackbar] van mijn broer had overgenomen, heb ik de code veranderd en naast mijn zus, was niemand dus van de code op de hoogte.”

(…)

“Toen [zus eiseres] en ik die zondag de 21e december jl. vertrokken, heb ik alle ramen en deuren gecontroleerd of deze allemaal (slotvast) gesloten waren, dat heb ik zeker gedaan het is een automatisme om dat te controleren.”

Op 3 april 2009 verklaart [eiseres]:

“Mijn vader noch mijn moeder hadden de beschikking over die alarmcode, zij waren daarvan niet op de hoogte. De reservesleutel van [snackbar] lag in een afgesloten kastje in mijn kamer in mijn ouderlijk huis. Van de twee overige sleutels hadden ik en [zus eiseres] een exemplaar in bezit.”

2.9. Bij brief van 11 september 2009 aan [eiseres] weigert Reaal Schadeverzekeringen dekking uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. In deze brief schrijft Reaal Schadeverzekeringen onder meer:

“Het bovenstaande is voor ons aanleiding niet tot enige uitkering over te gaan. In verband hiermee wijzen wij u op de polisvoorwaarden BB-MK2006, de Algemene Voorwaarden, artikel 5 en 6. Artikel 5 sluit alle schade uit die een verzekeringnemer of een verzekerde (of degene die in opdracht of met goedvinden van genoemden) met opzet, al dan niet bewuste roekeloosheid of al dan niet bewuste merkelijke schuld heeft veroorzaakt.

(…)”

2.10. [eiseres] heeft Custos Contra Forensics BV (hierna: CCF) ingeschakeld voor het verrichten van een contra-expertise. Op 30 oktober 2009 heeft CCF haar rapport uitgebracht. Hierin schrijft zij onder meer:

“KORTE TOEDRACHT / ONTDEKKING

(…) op zondag 21 december 2008, verlieten verzekeringnemer en haar zus tussen 21:15 uur en 21:30 uur het restaurant en lieten dat, volgens verklaringen, met bedrijfsvaardig geschakeld alarm en slotvast afgesloten achter.

Op maandag 22 december 2008 om 04:55:10 uur ontving de aangesloten particuliere alarmmeldkamer van Alert Services te Geldrop (hierna PAC) een inbraakalarmmelding, volgens de later verkregen uitdraai uit zone-3, het kantoortje achter de verkoopruimte.

(…)

Op 22 december 2008 om 04:58 uur ontving mevrouw [eiseres] telefonisch melding van de brand door haar particuliere meldkamer. Zij was omstreeks 05:45 – 05:30 uur (…) met haar zus ter plaatse. (…)

(Toe)stand ramen en deuren

Sporen forcering/doorzoeken/onbevoegd verblijf

De toegangsdeur aan straatzijde werd volgens opgave door de brandweer geforceerd.

Het is alleen merkwaardig dat de uitdraai van het alarm dat niet laat zien. (…)

Aan de buitenzijde van het draairaam van het kantoortje werden door rapporteur in de sluitnaad, van hoog tot laag, sporen van werktuigen aangetroffen (foto 14).

(…)

Duidelijk werd dat het raam met grote kracht werd dichtgeslagen en dat de krachten van de explosie daarvoor verantwoordelijk moeten zijn geweest.

OPSTELLEN ONDERZOEKSVRAGEN

(…)

Was het alarm op moment van de explosie bedrijfsvaardig geschakeld?

Ja.

Heeft het systeem naar behoren gefunctioneerd?

Ja.

Vijf van de zes sensoren werden vroeg of laat tijdens of na de brand aangesproken.

Heeft de sirene van het alarm gewerkt?

Niet bekend.

Het geluid werd, gelet op het rapport van BTB, in ieder geval door niemand waargenomen. De alarmuitdraai maakt duidelijk dat de 230 Volt stroomvoorziening van het alarmsysteem werd onderbroken.

(…)

Kon iemand in de ruimten verblijven zonder gedetecteerd te worden?

Nee.

Alleen indien het alarm was uitgeschakeld.

Betreden van het pand

Hoe hebben de dader(s) het pand kunnen betreden?

Via de voor een ieder vrij bereikbare achterplaats en het kantel/draairaam van het kantoortje.

Waren er sporen van (poging) tot inbraak aan de buitenzijde van het draairaam?

Ja.

In de sluitnaad van het naar binnen draaiende kunststof raam waren van hoog tot laag 15 sporen van werktuigen zichtbaar (foto 14).

Behoren deze sporen bij een daadwerkelijke inbraak, m.a.w. hebben de acties van buitenaf geleid tot het feitelijk forceren en openen van het raam?

Nee.

(…)

Welk beeld scheppen de sporen?

Het beeld van een gefingeerde inbraak.

(…)

Sleutels

Moet men gebruik hebben gemaakt van een sleutel en/of de alarmcode van het pand om in het pand te dringen, benzine te verspreiden, goederen te ontvreemden en brand te stichten?

Nee.

Het draairaam van het kantoortje moet in dat geval (nagenoeg) onafgesloten zijn geweest, zodat men het raam van buiten open kon duwen.

Welke sensor zou daar op moeten reageren?

De PIR-sensor/bewegingsmelder in de hoek boven het bureau in het kantoortje.

Heeft die sensor een alarmering gegeven?

Ja.

De allereerste melding is een inbraakmelding om 04:55:10 uur van sensor PIR Z3 in het kantoortje.

Moet de PIR-sensor in de winkel ook direct in alarm treden?

Nee.

Deze sensor is helemaal in de hoek van de winkel aan de straatzijde gemonteerd, afgeschermd door de afzuigkap tegen de wand. (…)

Wanneer treedt een volgende sensor in werking?

Sensor PIR Z2 bij de balie straatzijde om 04:55:43 uur. De dader(s) hebben aldus 33 seconden in het kantoortje doorgebracht.

(…)

Kan iedereen het raam opengezet hebben?

Nee.

Redelijkerwijs alleen de eigenaresse en haar familie en mensen die zij toegelaten hebben tot het kantoortje of personen die daar onbewaakt verbleven of ongezien zijn binnengedrongen via de winkel of de achterdeur.

Kan men in korte tijd inklimmen, het luid alarm uitschakelen, goederen ontvreemden, benzine uitgieten en brand stichten?

Ja.

Proefondervindelijk werd door ons vastgesteld dat het leeggieten van een 5 liter can geheel gevuld met vloeistof 25 seconden in beslag neemt.

Vergen alle handelingen voorkennis?

Nee.

De laptop en de parfums zijn dichtbij het inklimraam direct zichtbaar en bereikbaar. Het luid alarm betreft een insteekmodule in een verdeeldoos op het bureau naast de laptop. Een verlichte rode knop daarop straalt uitnodigend naar een indringer om het alarm uit te schakelen. Kassageld en een collectebus kunnen binnen handbereik aanwezig zijn geweest in de winkel.

(…)

Samenvatting van vraag en antwoord

(…)

Wat was de oorzaak van de brand?

Opzettelijke brandstichting na het inbrengen van benzine op ten minste vier plaatsen in de winkelruimte.

Waar was de opzet waarschijnlijk op gericht?

Totale vernietiging van de bedrijfsvoering of het vernietigen van sporen van diefstal van goederen.

(…)

Kan een sleutel in verkeerde handen terecht gekomen zijn?

Ja.

Twee sleutels worden vermist.

Als bijlage 1 is bij het rapport van CCF de onderstaande situatieschets gevoegd.

2.11. In haar brief van 6 augustus 2010 aan de advocaat van [eiseres] beantwoordt CCF enkele vragen van de advocaat. Zij schrijft onder meer:

“In de onderhavige zaak stond het draairaam van het kantoortje vooraf aan de explosie met zekerheid open. Hoe groot de openingshoek was kan niet meer worden vastgesteld. Wij gaan er van uit dat het geen kierstand zal zijn geweest maar ergens halverwege, tegen de 45 graden openingshoek. Dan heeft de drukgolf de grootste impact en zijn de krachten bij het dichtslaan het grootst. Grote kracht was nodig om in één klap de raamsluitingen en kozijndelen uit te breken, zoals technisch door ons werd vastgesteld.

(…)

De 33 seconden betreft alleen de tijd dat de dader(s) door sensor-kantoor (Z3) en vervolgens sensor-balie (Z2) werd(en) geregistreerd (zie ook de situatieschets in ons rapport voor positie sensoren). (…) De 33 seconden geven ruime gelegenheid om handelingen in het kantoortje uit te voeren, waaronder globaal onderzoeken en manipulaties met het alarmsysteem te verrichten. (…)

Met 33 seconden wordt door ons niet tevens de tijd bedoeld voor benzine verspreiden, ontvreemden van goederen, benzine aansteken en vluchten.

(…)

Dat bij binnenkomst via het kantoorraam PIR zone Z3 (kantoor) en PIR zone Z2 (verkoopruimte) vrijwel gelijktijdig geactiveerd zal worden is een aanname van BTB (Deelrapport II BTB pagina 21). (…) Deze aanname is onjuist. De PIR Z2 in de winkelruimte achter de balie is aan straatzijde hoog tegen de scheidingsmuur bevestigd en is gericht op het afschermen van de winkelruit en de toegangsdeur aan straatzijde (zie ook onze situatieschets). Bovendien is er geen rechte vrije zichtlijn tussen het kantoorraam, de doorgang naar de verkoopruimte en de locatie van PIR Z2, hoog achter de afzuigkap.”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

a. voor recht verklaart dat zij op basis van de gesloten verzekeringsovereenkomst recht heeft op vergoeding van de door haar geleden en te lijden (gevolg)schade als gevolg van hetgeen is voorgevallen op en rond 22 december 2008, in het bijzonder als gevolg van de inbraak, de explosie en de brand en de gestolen en/of verduisterde goederen, c.q. dat zij recht heeft op de betaling van de uitkering, op te maken bij staat;

b. Reaal c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op deze vergoeding van EUR 25.000,- binnen drie dagen na het vonnis;

c. Reaal c.s. hoofdelijk te veroordelen binnen drie dagen na het vonnis de vermelding in het CIS ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van EUR 500,- per dag tot een maximum van EUR 20.000,-;

d. Reaal c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, te voldoen binnen drie dagen na het vonnis;

e. Reaal c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. In de kern legt [eiseres] aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Zij stelt dat het raampje van het kantoor vermoedelijk niet goed afgesloten is geweest, hoewel zij zich meent te herinneren dat zij het raam goed dicht had gedaan. Een of meer personen moeten zich via het raampje toegang tot het kantoor hebben verschaft, waarbij zij het raam open hebben laten staan. Dat het raam open heeft gestaan, blijkt volgens [eiseres] uit het feit dat het raam en het kozijn door de kracht van de explosie ernstig zijn beschadigd. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de brief van CCF van 6 augustus 2010 (zie r.o. 2.11).

De binnengekomen persoon of personen hebben volgens [eiseres] de stekker van het alarm eruit getrokken althans de sirene onklaar gemaakt. Dit laatste is volgens haar simpel, waarbij zij verwijst naar het rapport van CCF, en vereist geen kennis van de alarmcode (zie r.o. 2.10). Het onklaar maken van de sirene verhindert niet dat meldingen naar de alarmcentrale worden gestuurd, aldus [eiseres]. Volgens [eiseres] heeft BTB verzuimd het geheugen van het alarmsysteem uit te lezen. Als zij dit wel had gedaan, dan had zij kunnen vaststellen dat het alarmsysteem niet was uitgeschakeld en er dus niemand binnen is geweest die de beschikking had over de sleutel en de alarmcode, zoals Reaal c.s. stelt.

Uit de meldingenregistratie blijkt dat de insluiper(s) 33 seconden in het kantoor zijn verbleven, waarna zij naar de winkelruimte zijn gegaan. Toen gaf sensor Z2 een melding, aldus nog steeds [eiseres]. Dit blijkt volgens haar onder meer uit bijlage 1 bij het rapport van CCF. Verder blijkt uit deze bijlage dat de insluiper(s) in totaal 12 minuten en 23 seconden in de snackbar zijn geweest, waarbij zij het oog heeft op de periode tussen de eerste melding van sensor Z3 om 4.55.10 uur en de laatste melding van sensor Z3 om 5.07.33 uur. Deze periode is ruim voldoende om zaken te ontvreemden en benzine in het pand te verspreiden en te ontsteken, aldus nog steeds [eiseres]. De brand en de daarop volgende ontploffing hebben geleid tot omvangrijke brandschade in de publieksruimte van de snackbar en tot de noodgedwongen sluiting van de onderneming.

Tijdens de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij betwijfelt of sprake is van een willekeurige inbraak. Zij stelt dat zij een nieuwe wind wilde laten waaien door de snackbar en dat bepaalde mensen daar mogelijk niet blij mee waren. In dit licht heeft zij toegelicht dat haar broer in het verleden junks uit de snackbar heeft gegooid.

3.3. Volgens [eiseres] blijkt in elk geval uit niets dat zij negatief betrokken is bij de brand en de explosie, zoals BTB in haar rapport schrijft (zie r.o. 2.7). BTB heeft naar een Reaal c.s. welgevallige conclusie toe geschreven, aldus [eiseres]. Het rapport van BTB is niet op enige feitelijke waarneming gebaseerd. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat Reaal c.s. niet op goede gronden en in redelijkheid de schadeclaim had mogen afwijzen, omdat er verschillende reële opties zijn die de brand en de explosie kunnen verklaren.

3.4. [eiseres] stelt verder dat een collectebus met daarin een bedrag van EUR 300,- à EUR 400,-, een laptop, kasgeld ten bedrage van (naar schatting) EUR 400,- en twee flesjes parfum zijn weggenomen, waarbij zij verwijst naar het proces-verbaal van aangifte (zie r.o. 2.6). Ook is een snoepautomaat verdwenen. Uit foto’s blijkt dat deze automaat nog aanwezig was na de brand en de explosie. Tijdens de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij na de brand geen toegang tot het pand kreeg. Het pand was evenwel nog niet veiliggesteld en er liepen veel mensen rond. Het is volgens [eiseres] niet uitgesloten dat de snoepautomaat toen is meegenomen. Tijdens de comparitie heeft [eiseres] verder toegelicht dat het niet uitgesloten is dat de laptop niet door de inbreker(s) is weggenomen, maar dat deze – net zoals de snoepautomaat – pas na de brand en de explosie is meegenomen.

3.5. Reaal c.s. voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiseres] in haar vorderingen tegen Reaal N.V. en SRLEV N.V., alsmede tot het ontzeggen van haar vorderingen tegen Reaal Schadeverzekeringen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.6. Ter onderbouwing van haar niet-ontvankelijkheidsverweer stelt Reaal c.s. dat [eiseres] een verzekeringsovereenkomst met Reaal Schadeverzekeringen heeft gesloten en niet (ook) met Reaal N.V. en SRLEV N.V. Dit blijkt uit de polisvoorwaarden.

3.7. Reaal Schadeverzekeringen stelt als verweer dat [eiseres] en haar zus primair opzettelijk brand hebben gesticht en subsidiair dat deze brand te wijten is aan merkelijke schuld. Zij voert daartoe – samengevat – aan dat het alarmsysteem in de nacht van 21 op 22 november 2008 functioneerde, omdat de sensoren Z2 en Z3 hebben gereageerd op de ontploffing in de snackbar. Niettemin heeft het alarmsysteem geen melding gemaakt van binnentreden noch is de sirene toen afgegaan. Dat betekent volgens Reaal Schadeverzekeringen dat iemand met gebruikmaking van de sleutel het pand is binnengekomen en toen het alarmsysteem heeft uitgezet, waarvoor kennis van de alarmcode vereist is. De enigen die over een sleutel en de alarmcode beschikten, waren [eiseres] en haar zus, aldus Reaal Schadeverzekeringen, waarbij zij verwijst naar de schriftelijke verklaringen van [eiseres] die als bijlage zijn gevoegd bij het rapport van BTB (zie r.o. 2.8). Ook stelt Reaal Schadeverzekeringen dat insluiping door het kantoorraam zou hebben geleid tot het gelijktijdig afgaan van de sensoren Z3 in de kantoorruimte en Z2 in de winkelruimte. Deze sensoren hebben echter na elkaar gereageerd.

3.8. Ter onderbouwing van haar stelling dat [eiseres] negatief bij de brand en de ontploffing betrokken is, verwijst Reaal Schadeverzekeringen verder naar tegenstrijdigheden in de verklaringen van [eiseres]. Zo heeft [eiseres] op 5 februari 2009 nog verklaard dat zij gecontroleerd heeft of alle ramen en deuren (slotvast) gesloten waren. Pas nadat CCF in haar rapport schreef dat het kantoorraam door de explosie is dichtgeslagen en dus voorafgaand aan die explosie niet dicht kan zijn geweest alsmede heeft geconcludeerd dat de gevelsporen de indruk van een gefingeerde braak geven (zie r.o. 2.10), verklaart [eiseres] dat het raam vermoedelijk toch niet goed dicht was, aldus Reaal Schadeverzekeringen.

Ter illustratie wijst Reaal Schadeverzekeringen er ook op dat [eiseres] en haar zus hebben verklaard dat zij geen hulp kregen van hun ouders, terwijl uit de verklaringen van de verhuurder [B] en die van [C] (een vriend van de familie [eiseres]) en [D] (een bewoner van het pand waarin de snackbar is gevestigd) blijkt dat de vader van [eiseres] bijna elke dag in de snackbar was en slechts sporadisch in het gezelschap van zijn dochters was.

3.9. Ook wijst Reaal Schadeverzekeringen erop dat uit het rapport van BTB blijkt dat [eiseres] aan de vooravond van de brand op 21 december 2008 een ongebruikelijk kleine hoeveelheid benzine heeft getankt.

Verder stelt Reaal Schadeverzekeringen zich op het standpunt dat de alarmmelding van sensor Z3 alleen door de ontploffing kan zijn veroorzaakt, terwijl de politie om 5.00 u ter plaatse was. Volgens Reaal Schadeverzekeringen kan een inbreker niet in een dergelijk korte tijd zaken hebben weggenomen en brand hebben gesticht. Daar komt bij dat de politie geen verdachte personen heeft aangetroffen, hetgeen wel had gemoeten als de melding van sensor Z3 om 5.05.32 u verband hield met het vertrek van de dader(s), zoals [eiseres] aanvoert.

Ten slotte wijst Reaal Schadeverzekeringen erop dat [eiseres] mogelijk een financieel belang zou kunnen hebben bij de brandstichting.

3.10. Meer subsidiair voert Reaal Schadeverzekeringen het volgende aan. Als [eiseres]telling dat zij het kantoorraam niet heeft afgesloten, waar is en er om die reden geen sprake is van braak, is vergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 2.5 in samenhang met artikel 2.6 van de Bijzondere voorwaarden Inventaris/goederen uitgesloten (zie r.o. 2.3). Dit leidt ertoe dat niet alleen de diefstal- en inbraakschade niet voor vergoeding in aanmerking komt, maar ook de schade die het gevolg is van de ontploffing en de brand.

Volgens Reaal Schadeverzekeringen is niet gebleken dat voorafgaand aan de brand enige zaak van [eiseres] gestolen is, zodat het uitgieten van de benzine en het veroorzaken van de ontploffing als vandalisme in de zin van artikel 2.29 van de Algemene voorwaarden aangemerkt moet worden (zie r.o. 2.2). Ook hierom is de schade die [eiseres] zegt te hebben geleden, niet gedekt.

3.11. Uiterst subsidiair voert Reaal Schadeverzekeringen aan dat [eiseres] niet aan haar informatie- en medewerkingsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.1 van de Algemene voorwaarden heeft voldaan. Reaal Schadeverzekeringen stelt hierdoor in haar belangen geschaad te zijn.

3.12. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid

4.1. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] het verweer van Reaal c.s. dat zij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vorderingen tegen Reaal N.V. en SRLEV N.V. niet nader heeft weersproken. Gelet hierop en gelet op het feit dat in de polisvoorwaarden wordt vermeld dat Reaal Schadeverzekeringen de verzekeraar is, zal de rechtbank in haar eindvonnis [eiseres] in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Opzet

4.2. Niet in geschil is dat in de nacht van 21 op 22 december 2008 brand in de snackbar is uitgebroken en dat er zich daar een ontploffing heeft voorgedaan. Evenmin in geschil is dat in het pand vier brandhaarden aanwezig waren en dat er bij drie ervan benzineresten zijn gevonden (zie p. 9 van het rapport van BTB). Als vaststaand moet daarom worden aangenomen dat sprake is van brandstichting in de snackbar. Beantwoord moet worden de vraag of [eiseres] negatief bij deze brandstichting is betrokken, zoals Reaal Schadeverzekeringen stelt; of anders gezegd: of [eiseres] deze brand heeft gesticht dan wel bij de brandstichting betrokken is.

4.3. In dit licht stelt de rechtbank het volgende voorop. Reaal Schadeverzekeringen beroept zich op de uitsluitingsclausule van artikel 5 van de Algemene voorwaarden (zie r.o. 2.2). Anders dan zij aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat Reaal Schadeverzekeringen feiten en omstandigheden moet stellen en deze, bij voldoende betwisting, moet bewijzen waaruit volgt dat [eiseres] de schade met opzet dan wel merkelijke schuld heeft veroorzaakt (zie ook HR 12 januari 2001, NJ 2001, 419).

4.4. Begrijpt de rechtbank het goed, dan baseert Reaal Schadeverzekeringen haar stellingen in de kern op de volgende vaststellingen (zie de samenvatting op p. 28 van het bij het rapport van BTB behorende Deelrapport II):

• “Met het ontbreken van alarmmeldingen, kan een inbraak voorafgaande aan de thermische explosie / brand, geheel worden uitgesloten.

• Aan de hand van het sporenbeeld staat vast dat de sirene van het alarmsysteem vóór het evenement is uitgeschakeld.”

Volgens Reaal Schadeverzekeringen is, anders dan [eiseres] aanvoert, geen sprake van inbraak. Uit een reconstructie is namelijk gebleken dat als iemand door het raampje van het kantoor binnenkomt, de sensoren Z2 en Z3 vrijwel gelijktijdig reageren. Sensor Z3 heeft evenwel om 4.55.10 uur een melding gegeven en sensor Z2 om 4.55.43 uur, dus 33 seconden later. Dit blijkt onder meer uit p. 23 van het deelrapport II van BTB. Deze meldingen zijn het gevolg van de explosie, aldus Reaal Schadeverzekeringen, en niet van een inbraak. Ter onderbouwing van haar stelling dat geen inbraak heeft plaatsgevonden, wijst Reaal Schadeverzekeringen er ook op dat de sporen bij het kantoorraam duiden op een gefingeerde inbraak (zie r.o. 2.10).

Verder staat volgens Reaal Schadeverzekeringen vast dat de sirene van het alarmsysteem is uitgeschakeld, omdat niemand van de door BTB ondervraagde personen een sirene heeft gehoord.

Samengevat betekent het voorgaande dat alleen iemand die de beschikking heeft over de sleutel tot de snackbar (een zogenaamde sleutelhouder) en de code van het alarmsysteem, binnengekomen kan zijn zonder dat de sensoren een melding gaven en de sirene hebben uitgeschakeld.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat partijen er niet in geslaagd zijn duidelijkheid te verschaffen over de werking van de sensoren Z3 en Z2 in het geval van insluiping door het kantoorraam. Enerzijds geven bijlage 1 bij het rapport van CCF (zie r.o. 2.10), de door haar gegeven toelichting in het rapport en haar brief van 6 augustus 2010 geen aanleiding te veronderstellen dat deze sensoren in het geval van insluiping door het kantoorraam vrijwel gelijktijdig reageren, zoals Reaal Schadeverzekeringen stelt. Uit deze stukken lijkt te volgen dat sensor Z2, die zich in de winkelruimte bevindt, anders dan sensor Z3 geen vrij zicht heeft op het raam in het kantoor. Anderzijds is op bijlage 1 bij het rapport van CCF vermeld dat de “Lokatie sensoren niet helemaal duidelijk” is. Niet uitgesloten kan daarom worden dat ook sensor Z2 reageert op insluiping door het raam.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan Reaal Schadeverzekeringen in elk geval niet gevolgd worden in haar stelling dat beide sensoren met een tussenpoos van 33 seconden hebben gereageerd op de explosie. Bij een krachtige explosie als de onderhavige mag namelijk worden aangenomen dat de periode waarbinnen beide sensoren reageren, aanmerkelijk korter is dan 33 seconden.

4.6. [eiseres] heeft niet betwist dat de sirene van het alarmsysteem is uitgeschakeld. Zij heeft evenwel – met verwijzing naar het rapport van CCF – aangevoerd dat voor het uitschakelen van de sirene geen kennis van de code van het alarmsysteem vereist is (zie r.o. 3.2). Dit verweer is niet nader door Reaal Schadeverzekeringen weersproken, zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Dit leidt ertoe dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat [eiseres] of iemand die de beschikking had over de code van het alarmsysteem, de sirene heeft uitgeschakeld.

4.7. Reaal Schadeverzekeringen stelt met verwijzing naar het rapport van BTB dat “niet (kan) worden uitgesloten dat de brand uit een financieel motief is gesticht” (zie r.o. 2.7). Daarnaast kan er volgens haar in de aanwezigheid van de opvang voor dak- en thuislozen eveneens een motief schuilgaan.

De rechtbank is van oordeel dat deze stelling een tamelijk hoog speculatief karakter heeft. Uit niets is gebleken dat deze opvang feitelijk tot een omzetdaling heeft geleid. In dit licht wijst de rechtbank er ook op dat de verhuurder van het pand, [B], op 20 januari 2009 aan BTB heeft meegedeeld dat [eiseres] geen huurachterstanden heeft, met uitzondering van een achterstand van EUR 500,- voor de maand december.

4.8. Het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om reeds nu aan te nemen dat [eiseres] negatief betrokken is bij de brandstichting. In het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat het rapport van BTB waarop Reaal Schadeverzekeringen zich beroept, zich kenmerkt door veel aannames en conclusies waarvan niet duidelijk is hoe deze tot stand zijn gekomen. Hier staan echter de volgende omstandigheden tegenover die niet in het voordeel van [eiseres] spreken.

4.9. Volgens [eiseres] is (door een derde) in haar snackbar ingebroken. Tijdens de zitting heeft zij gesuggereerd dat sprake is van inbraak door een junk die niet blij was met het feit dat zij in de snackbar “een nieuwe wind wilde laten waaien”. Kennelijk bedoelt zij hiermee te zeggen dat een of meer junks bewust brand hebben gesticht om haar dwars te zitten. Dit niet nader gemotiveerde standpunt valt niet te rijmen met de vaststelling in het door [eiseres] in het geding gebrachte rapport van CCF dat de (braak)sporen aan de buitenkant van het kantoorraam duiden op een gefingeerde inbraak. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien waarom iemand brand sticht en doet alsof hij heeft ingebroken. Daarentegen geeft een gefingeerde inbraak veeleer het beeld van mogelijke betrokkenheid van de verzekerde.

4.10. Dit beeld wordt versterkt door het feit dat [eiseres] tijdens het onderzoek door BTB verschillende malen tegenstrijdige, althans onduidelijke informatie heeft gegeven over ontvreemde of vermiste zaken, de betrokkenheid van haar ouders bij de bedrijfsvoering van de snackbar en het sluiten van de ramen.

Op 3 april 2009 heeft zij verklaard dat er twee collectebussen, die uitgezet zijn door de El Fath vereniging in Amersfoort, zijn ontvreemd. Deze collectebussen stonden volgens haar op de toonbank in de zaak. Deze verklaring wekt enige bevreemding. In haar aangifte bij de politie Utrecht maakt zij namelijk melding van slechts één ontvreemde collectebus. Verder hebben volgens het rapport van BTB [D] en [C] verklaard dat zij nooit een tweede collectebus in de snackbar hebben gezien. Ook heeft de [E] van de El Fath vereniging telefonisch verklaard dat drie collectebussen aan [eiseres] zijn afgegeven. Twee daarvan waren al door haar als gestolen opgegeven, waarna de laatste volgens [E] ongeveer twee maanden voor de brand is afgegeven (zie p. 49 van het rapport van BTB). Deze verklaring kan niet anders worden begrepen dan dat er ten tijde van de brand maar één collectebus aanwezig was.

4.11. Uit het onderzoek door BTB blijkt verder dat [eiseres] heeft verklaard dat haar ouders niet in de zaak hielpen; vader kwam wel af en toe kijken. [C] heeft evenwel verklaard dat de vader van [eiseres] bijna elke dag in de zaak was en zich bezighield met maaltijdbereiding en bezorging. Hij heeft verder verklaard dat de vader van [eiseres] vaak alleen in de zaak was en de winkel meestal ook afsloot. Deze verklaring wordt ondersteund door die van [D]. [D] heeft bovendien verklaard dat hij zag dat de moeder van [eiseres] in de zaak stond.

4.12. Voorts heeft [eiseres] niet eenduidig verklaard over het sluiten van de ramen. Immers verklaart zij op 5 februari 2009 dat zij gecontroleerd heeft of alle ramen en deuren (slotvast) gesloten waren. Volgens haar heeft zij dit zeker gedaan, omdat het controleren een automatisme is (zie r.o. 2.8). Nadat CCF in haar rapport schreef dat het kantoorraam door de explosie dicht is geslagen en dus voorafgaand aan die explosie niet dicht kan zijn geweest en heeft geconcludeerd dat de gevelsporen de indruk van een gefingeerde braak geven, verklaart [eiseres] echter dat het raam vermoedelijk toch niet goed dicht was.

4.13. Tot stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat [eiseres] op zondag 21 december 2008 een ongebruikelijk kleine hoeveelheid benzine van 8,79 liter heeft getankt. [eiseres] heeft geen verklaring hiervoor gegeven, terwijl dit – mede omdat bij drie brandhaarden benzineresten zijn gevonden (zie r.o. 4.2) – wel op haar weg had gelegen.

4.14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat betrokkenheid van [eiseres] bij de brandstichting niet zonder meer kan worden uitgesloten. Hierom zal de rechtbank Reaal Schadeverzekeringen in de gelegenheid stellen te bewijzen dat [eiseres] negatief bij de brand is betrokken.

4.15. Als Reaal Schadeverzekeringen het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Als Reaal Schadeverzekeringen het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit in de akte vermelden en de verhinderdata opgeven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon (bij een rechtspersoon: rechtsgeldig vertegenwoordigd) aanwezig zijn. Als een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

De rechtbank gaat ervan uit dat bij het tijdstip van oproeping van de getuigen rekening wordt gehouden met de te verwachten duur van het verhoor per getuige, waarbij als leidraad kan worden aangehouden dat het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, ten minste 60 minuten pleegt te duren, en dat van een getuige die ook partij is, ten minste 90 minuten.

Als Reaal Schadeverzekeringen verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt Reaal Schadeverzekeringen op te bewijzen hetgeen is weergegeven onder r.o. 4.14,

5.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 11 juli 2012 om Reaal Schadeverzekeringen in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren,

5.3. bepaalt dat, als Reaal Schadeverzekeringen (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat, als Reaal Schadeverzekeringen bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden,

5.5. bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- als Reaal Schadeverzekeringen geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten,

5.6. bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.