Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0829

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
16-601071-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1390, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag op vader. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 6 jaar gevangenisstraf. Bij het opleggen van de lagere straf hield de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en de slechte relatie die vader en zoon hadden. Voor de rechtbank was tevens van belang dat de man een leven voor zich heeft, waarin hij zich zal kunnen ontwikkelen tot een volwaardig lid van de samenleving. De moeilijkheden die hij daarbij in zijn persoonlijke situatie zal ondervinden – gelet op het strafbare feit waarvoor hij nu is veroordeeld – zijn groot. Naast de bekennende verklaring van verdachte, gebruikte de rechtbank een aangetroffen DNA-spoor en schoenafdrukken voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601071-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

Gedetineerd PI Utrecht, HvB Nieuwegein

raadsman mr. G.I. Roos, advocaat te Almere

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 19 juni 2012 en 25 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op of omstreeks 12 november 2008 opzettelijk, al dan niet met voorbedachte rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn vader [slachtoffer]. De officier van justitie baseert zich daarbij op de door verdachte bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting afgelegde verklaringen en op de overige bewijsmiddelen in het dossier die wijzen in de richting van verdachte. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld, en heeft verzocht verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij te spreken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens vrijspraak van de ten laste gelegde voorbedachte rade bepleit. Naar de mening van de verdediging ontbreekt voor dat onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewijs, nu niet is gebleken van een reëel moment van bezinning bij verdachte. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

Op 12 november 2012 hoorde [getuige], woonachtig aan de [adres] te [woonplaats], omstreeks 20.30 uur een hoop geschreeuw en kabaal - van voorwerpen die gegooid werden of omvielen - afkomstig uit de woning van zijn buren aan de [adres]. Hij ving de woorden op: “Ik hou van jou” of “ik hou toch van jou”. Korte tijd later zag en hoorde hij dat de voordeur van de woning aan de [adres] werd geopend en zag hij een persoon naar buiten komen die haastig wegliep. Hij zag aan de lichaamsbouw dat deze persoon een man was. Hij schatte dat het een jonge man was, gelet op zijn slanke postuur en manier van bewegen. Bij het zien weglopen van de man - die hij niet in zijn gezicht heeft gezien - ging zijn eerste gedachte uit naar de zoon van zijn buurman, [verdachte], die hij in het voorjaar kort had gesproken.

Op 13 november 2008 trof de politie in de woonkamer van de woning aan de [adres] te [woonplaats] het levenloze lichaam van een man aan. Bij het hoofd van de man lag een plas bloed. Tevens lag er een plas bloed links van de eettafel en werden op de grond een grote hoeveelheid bloedspetters in waaiervorm gezien. In de hal bij de voordeur was een loopspoor van bebloede schoenprofielen zichtbaar. Op 15 november 2008 is het slachtoffer geïdentificeerd door zijn zoon [zoon], die het slachtoffer herkende als zijn vader [slachtoffer].

Een patholoog van het NFI heeft sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. Bij de sectie zijn er tekenen van heftig en herhaaldelijk uitwendig botsend geweld op het lichaam aangetroffen. Dit botsend geweld heeft geleid tot uitgebreide breuken van de schedelbeenderen, een traumatische bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de zachte hersenvliezen en de hersenkamers. Voorts zijn snijletsels in de hals aangetroffen. Deze letsels zijn, aldus het rapport van de patholoog, het gevolg van uitwendig mechanisch klievend geweld zoals kan worden opgeleverd door snijden met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een of meerdere messen. Gezien het feit dat er tekenen van bloedinademing waren, heeft het slachtoffer bij het toebrengen van de halsletsels nog geademd en dus nog geleefd. De patholoog is tot de conclusie gekomen dat het overlijden van [slachtoffer] volledig wordt verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van snijletsels in de hals.

Door het Nederlands Forensisch instituut (NFI) is het oplegslot, bevestigd aan de binnenzijde van de voordeur van de woning van het slachtoffer onderzocht op de aanwezigheid van DNA-sporen. Op het haakje van het oplegslot is een mengprofiel verkregen, dat twee volledige DNA-profielen bevat: van slachtoffer [slachtoffer] en van [verdachte]. De berekende frequentie van de combinatie van de afgeleide DNA-kenmerken is kleiner dan 1 op 1 miljard. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een derde persoon in deze bemonstering.

[verdachte] heeft in eerste instantie verklaard dat hij begin oktober 2008 voor het laatst in de woning van zijn vader was geweest. Na begin oktober 2008 zijn naast het slachtoffer [slachtoffer] verschillende personen in de woning geweest. Onder anderen mevrouw [A], de levenspartner van het slachtoffer, die ieder weekend in de woning was , de werkster [B] die iedere woensdag de woning schoonmaakte en dat voor het laatst op 12 november 2008 heeft gedaan en de vader van het slachtoffer, [C] senior die op 9 november 2008 bij het slachtoffer op bezoek is geweest.

Op verzoek van de officier van justitie heeft het NFI twee mogelijke scenario’s onderzocht:

A) dat het celmateriaal van [verdachte] is achtergelaten op het haakje van het oplegslot tijdens het laatste bezoek aan slachtoffer [slachtoffer] dat hij volgens zijn verklaring begin oktober 2008 zou hebben gebracht

B) dat het celmateriaal van [verdachte] is achtergelaten op het haakje van het oplegslot op 12 november 2008.

Naar aanleiding hiervan heeft het NFI gerapporteerd dat de bevindingen van het DNA- onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer hypothese B waar is dan wanneer hypothese A waar is. Hierbij heeft het NFI er op gewezen dat er onder hypothese A een termijn van circa 6 weken is verstreken na het deponeren van het DNA en dat volgens de verwachting gedurende deze periode het DNA van [verdachte] niet meer of minder prominent zichtbaar zal zijn in het DNA-mengprofiel. Voorts heeft het NFI er in haar rapportage op gewezen dat het onwaarschijnlijk is dat het celmateriaal van [verdachte] sinds begin oktober 2008 op het haakje aanwezig is en dat aanrakingen door andere personen hebben plaatsgevonden zonder dat het celmateriaal van [verdachte] daarbij is verwijderd en/of vervangen door het celmateriaal van die personen. De omstandigheid dat er in het DNA-mengprofiel geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van een derde persoon geeft, aldus het NFI, eveneens steun aan hypothese B.

Bij forensisch onderzoek in de woning van het slachtoffer zijn de aangetroffen schoensporen, die zichtbaar waren in bloed, onderzocht. Alle aangetroffen schoensporen waren identiek en bleken afkomstig te zijn van eenzelfde paar schoenen; het aangetroffen schoenprofiel bleek afkomstig van een sportschoen, merk Nike, type air. De maat van de schoen van het schoenspoor bevond zich tussen schoenmaat 44,5 en 46. [verdachte] heeft schoenmaat 46 en droeg toen hij op 23 maart 2009 voor de eerste keer als verdachte in deze zaak werd aangehouden, een paar sportschoenen, merk Nike, type air.

Na aanvankelijk in het voorjaar van 2009 te hebben ontkend bij de dood van zijn vader betrokken te zijn geweest, heeft [verdachte] zich op 2 november 2011 bij de politie gemeld en bekend dat hij zijn vader op 12 november 2008 van het leven heeft beroofd. Hij heeft verklaard dat hij op die dag naar de woning van zijn vader is gegaan omdat hij met zijn vader onder meer over zijn moeder wilde praten. Toen zijn vader iets negatiefs zei over zijn overleden moeder en zijn voogden dat verkeerd bij hem viel, is er, aldus verdachte, “ iets bij hem geknapt”. Hij verklaarde dat hij verschrikkelijk boos werd en iets van een staaf of zo pakte. Hij herinnerde zich dat hij zijn vader heeft geslagen, maar hij herinnerde zich niet meer hoe vaak. Vervolgens heeft hij, aldus zijn verklaring, een snijvoorwerp gepakt en de keel van zijn vader doorgesneden.

Bewijsoverweging

Gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn vader [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Door zijn vader met een hard voorwerp verscheidene keren tegen zijn hoofd te slaan en vervolgens de keel van zijn vader door te snijden, kan niet anders worden geoordeeld dan dat verdachte heeft gehandeld met het opzet zijn vader te doden, waarmee aan het bestanddeel “opzettelijk” is voldaan.

Partiële vrijspraak

Volgens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’ vereist dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Aan het bestanddeel ‘voorbedachte rade’ is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Uit het dossier is niet gebleken van een vooropgezet plan van verdachte om zijn vader van het leven te beroven. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over zijn handelingen. Verdachte zal dan ook van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’ worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 12 november 2008 te Soesterberg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [verdachte] meermalen met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen en met een scherp voorwerp de keel/hals van die [verdachte] doorgesneden tengevolge waarvan die [verdachte] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Doodslag.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Toerekeningsvatbaarheid van verdachte

In opdracht van de rechter-commissaris is naar de persoon van verdachte een multidisciplinair gedragskundig onderzoek uitgevoerd. Dit rapport van 2 mei 2012 bevat een psychologisch en een psychiatrisch onderzoek, uitgevoerd door drs. M. Drost, psychiater, en drs. J. Heerschop, psycholoog, en een milieu-onderzoek, uitgevoerd door W. van Kreel, medewerker bij Centrum Maliebaan.

M. Drost en J. Heerschop zijn als getuigen-deskundigen ter terechtzitting gehoord.

In het rapport is vermeld dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet handelde vanuit een psychiatrisch toestandsbeeld zoals een manie of psychose, en dat het onderzoek onvoldoende aanknopingspunten geeft om tot enige vermindering van de toerekenings-vatbaarheid te kunnen concluderen.

De rechtbank maakt de conclusies van de deskundigen tot de hare. De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het opleggen van een lagere straf bepleit. Naar de mening van de verdediging is een gevangenisstraf van 2 jaar passend en geboden. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat verdachte het feit op de jeugdige leeftijd van 18 jaar heeft begaan en heeft verzocht bij de strafoplegging aansluiting te zoeken bij het jeugdstrafrecht. Voorts heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de traumatische gebeurtenissen in de jeugd van verdachte en met de omstandigheid dat verdachte drie jaar lang met dit geheim heeft rondgelopen. De afgelopen drie jaar zijn voor verdachte, aldus de verdediging, behoorlijk traumatiserend geweest. Het feit is gebeurd vanuit zijn kind-zijn. Mede door het geheim dat verdachte gedurende deze tijd met zich meedroeg, lijken de psychische problemen van de afgelopen jaren zich bij verdachte te hebben ontwikkeld. De verdediging vraagt de rechtbank deze omstandigheden tot uitdrukking te brengen in de strafmaat. De verdediging stelt dat het gevaar voor herhaling nihil is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zijn vader op zeer gewelddadige en gruwelijke wijze van het leven beroofd, door met een hard voorwerp meermalen tegen zijn hoofd te slaan en vervolgens zijn keel door te snijden. Door zijn handelen heeft verdachte de nabestaanden van zijn vader, onder wie de partner van zijn vader en zijn eigen familieleden, onherstelbaar leed berokkend. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die de zus van het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen. Bovendien heeft verdachte, door niet meteen openheid van zaken te geven, de nabestaanden lange tijd in de waan gelaten dat hij niets met de dood van zijn vader te maken had. Pas na bijna drie jaar heeft verdachte zich bij de politie gemeld en heeft hij tot op zekere hoogte openheid van zaken gegeven door te vertellen dat hij de dood van zijn vader op zijn geweten heeft. De ernst van het feit spreekt overigens vanzelf.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd. De jeugdige leeftijd - verdachte was achttien jaar oud ten tijde van het feit - en de problematische relatie van verdachte met zijn vader zijn factoren waarmee de rechtbank in matigende zin rekening houdt.

Over de ontwikkeling van verdachte is in het hiervoor onder 5.2. genoemde multidisciplinair gedragskundig onderzoek onder meer het volgende vermeld:

“(pag. 18)Betrokkene groeide op als jongste kind in zijn gezin van herkomst. Hij heeft een broer die twee jaar ouder is. (…) Moeder kreeg kanker toen betrokkene op de kleuterleeftijd was. (…)Betrokkene moest reeds op jonge leeftijd verlieservaringen incasseren. Op vierjarige leeftijd scheidden zijn ouders en verliet vader het huis. De relatie tussen betrokkene en zijn vader zou zich volgens de referenten nooit naar tevredenheid hebben ontwikkeld. (…) Moeder overleed uiteindelijk na een lang ziekbed toen betrokkene 12 jaar oud was. (….) Na de dood van moeder nam vader de zorg voor de kinderen niet op zich, maar namen twee vriendinnen van moeder deze taak over. Betrokkene vertelt dat hij de aanwezigheid van zijn vader in zijn leven heeft gemist. Op voor hem cruciale momenten, zoals het overlijden van moeder en haar begrafenis, was zijn vader niet aanwezig hoewel hij daar erg op gehoopt had. Betrokkene is van mening dat zijn vader weinig naar hem heeft omgekeken, hetgeen hij een pijnlijke constatering vindt.(…)”.

Deze omstandigheden weegt de rechtbank mee in de bepaling van de strafmaat. Voor de rechtbank is tevens van belang dat verdachte een leven voor zich heeft, waarin hij zich zal kunnen ontwikkelen tot een volwaardig lid van de samenleving. De moeilijkheden die hij daarbij in zijn persoonlijke situatie zal ondervinden – gelet op het strafbare feit waarvoor hij nu wordt veroordeeld – zijn groot. Ook verdachte zal een weg moeten vinden voor het omgaan met de gevolgen van zijn daad. Het is de rechtbank gebleken dat hij daarbij steun van zijn familie ondervindt.

Tevens weegt de rechtbank mee dat het met verdachte na de dood van zijn vader bergafwaarts is gegaan. In het gedragskundig onderzoek is vermeld dat verdachte sinds november 2008 veelvuldig in contact is gekomen met de psychiatrie en een aantal keren opgenomen is geweest in verband met een manisch psychotisch toestandsbeeld. In 2010 is bij verdachte een schizoaffectieve stoornis gediagnosticeerd.

Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte blijkens zijn strafblad van 5 januari 2012 niet eerder is veroordeeld.

Doodslag is een levensdelict en daarom één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Een dergelijk delict rechtvaardigt naar zijn aard en ernst een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In al hetgeen hiervoor is overwogen en met name gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, ziet de rechtbank echter aanleiding de op te leggen straf te matigen.

Alles overziende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2012.