Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0641

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
SBR 10/4154-E
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: aanwijzing, examenbevoegde organisatie, Geneesmiddelenwet

Samenvatting:

In haar tussenuitspraak van 17 februari 2012 heeft de rechtbank overwogen dat verweerder zijn standpunt dat Drogisterijcollege voldoet aan de voorwaarden die redelijkerwijs gesteld kunnen worden aan een instantie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder qqq en rrr, van de Gnw, onvoldoende heeft gemotiveerd. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de onafhankelijkheid van Drogisterijcollege voldoende is gewaarborgd.

Verweerder heeft de motivering van het bestreden besluit aangevuld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de aanvullende motivering voldoende inzichtelijk gemaakt dat voor hem bij de toekenning van de examenbevoegdheid aan Drogisterijcollege de inrichting van de organisatie en de exameneisen als uitgangspunt hebben gegolden. Verder heeft verweerder thans voldoende gemotiveerd dat Drogisterijcollege de waarborgen heeft ingebouwd die redelijkerwijs kunnen worden geëist voor een onafhankelijke wijze van opereren. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn daarmee hersteld. Omdat het bestreden besluit aanvankelijk een ontoereikende motivering had, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Wetsverwijzingen
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2013/6 met annotatie van De Best
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/4154-E

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2012 in de zaak tussen

Stichting Drogistenfederatie Pharmacon, te Maarssen, eiseres

(gemachtigde: mr. M. van Wanroij),

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigde: mr. I.L. de Graaf en mr. R. Claessens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Drogisterijcollege B.V., te Hilversum (gemachtigde: [A], directeur).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het Drogisterijcollege van e-beat e-learning aangewezen als examenbevoegde organisatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder qqq en rrr van de Geneesmiddelenwet (Gnw).

Bij besluit van 26 oktober 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [Y], voorzitter, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en de derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [B], die was vergezeld door [C].

Bij tussenuitspraak van 17 februari 2012 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in de besluitvorming te herstellen, dan wel de rechtbank te laten weten geen gebruik te zullen maken van voornoemde mogelijkheid. Bij brief (aanvullend besluit) van 27 maart 2012 heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit aangevuld. Bij brieven van respectievelijk 27 april 2012 en 1 mei 2012 hebben eiseres en de derde-partij hierop hun zienswijze uitgebracht.

Bij brief van 21 mei 2012 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) heeft bepaald dat in deze zaak geen nader onderzoek ter zitting wordt gedaan. Daarmee heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 17 februari 2012 overwogen dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb op meerdere onderdelen niet deugdelijk is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak heeft verweerder zijn standpunt dat Drogisterijcollege voldoet aan de voorwaarden die redelijkerwijs gesteld kunnen worden aan een instantie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder qqq en rrr, van de Gnw, onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de onafhankelijkheid van Drogisterijcollege voldoende is gewaarborgd. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 17 februari 2012. De rechtbank neemt over en blijft bij al wat zij in deze tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Gelet hierop beperkt de rechtbank zich tot de vraag of verweerder met het aanvullend besluit van 27 maart 2012 de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld.

2. Verweerder heeft, samengevat, over het standpunt dat Drogisterijcollege voldoet aan de voorwaarden die redelijkerwijs gesteld kunnen worden aan een instantie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder qqq en rrr, van de Gnw, (aanvullend) het volgende overwogen. Bij de beoordeling van de aanvraag van Drogisterijcollege van 14 januari 2010 om aanwijzing als examenbevoegde instantie is, omdat er toen nog geen beoordelingskader was, uitgangspunt geweest de inrichting van de organisatie en de overgelegde exameneisen. Drogisterijcollege was ten tijde van de aanvraag onderdeel van e-beat e-learning. E-beat e-larning was in die periode een door het Centraal Bureau Drogisterijbedrijven erkend branche opleidingsinstituut voor een aantal standaardopleidingen in de drogisterij. Drogisterijcollege heeft bij de aanvraag om aanwijzing als examenbevoegde instantie een visie gegeven op de drogisterijsector die goed past in de dereguleringsvisie die ten grondslag lag aan de op 1 juli 2007 in werking getreden Geneesmiddelenwet en de kwaliteitsverbetering van de branche die de wetgever daarbij voor ogen stond. In de exameneisen legt Drogisterijcollege meer nadruk op adviesvaardigheden. Drogisterijcollege heeft bij de aanvraag om aanwijzing als examenbevoegde instantie uitvoerige exameneisern overgelegd. De exameneisen formuleren concreet op welke kennis bij kandidaten wordt getoetst ten aanzien van een achttal hoofdgebieden op het terrein van de Gnw en de rol van de (assistent)drogist daarbij. De door Drogisterijcollege bij haar aanvraag geformuleerde examengebieden vormen een evenwichtige afspiegeling van kennis en vaardigheden die voor een kandidaat (assistent-)drogist benodigd zijn bij de terhandstelling en advisering van zelfzorggeneesmiddelen. De exameneisen van Drogisterijcollege onderkennen volledig de wettelijke rol van de (assistent-)drogist en zijn een invulling van artikel 62, tweede lid, van de Gnw. De exameneisen bevatten per examengebied ook de minimum eindtermen voor de benodigde kennis en vaardigheden van de examenkandidaten.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de (aanvullende) motivering bij het aanvullende besluit van 27 maart 2012 voldoende inzichtelijk gemaakt dat voor hem bij de toekenning van de examenbevoegdheid aan Drogisterijcollege de inrichting van de organisatie en de exameneisen als uitgangspunt hebben gegolden. Van belang is geweest dat de werkwijze en visie van Drogisterijcollege passend zijn in de dereguleringsvisie van verweerder en dat bij Drogisterijcollege de nadruk ligt op adviesvaardigheden. Verder heeft verweerder waarde toegekend aan de door Drogisterijcollege bij haar aanvraag overgelegde referenties. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder nog steeds niet duidelijk heeft gemaakt welke factoren van belang zijn geweest bij de toekenning van de examenbevoegdheid aan Drogisterijcollege. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat verweerder slechts heeft volstaan met vast te stellen dat de exameneisen van Drogisterijcollege een invulling zijn van artikel 62 van de Gnw. Verweerder heeft gemotiveerd dat de exameneisen concreet formuleren op welke kennis de examenkandidaten worden getoetst en dat de exameneisen zowel algemene theoretische kennis van wet- en regelgeving als specifieke kennis ten aanzien van zelfzorgklachten, daarbij behorende zelfzorggeneesmiddelen, het onderkennen van risico’s alsmede de advisering omvatten. Daarbij merkt de rechtbank op dat aan verweerder - binnen het kader van de toepasselijke regelgeving - een ruime mate van discretie toekomt bij de beslissing om een organisatie al dan niet als examenbevoegd aan te wijzen. De opvatting van verweerder over de invulling van het vereiste van verantwoorde zorg is bepalend en niet de opvattingen van eiseres of Drogisterijcollege hierover, zoals eiseres lijkt te suggereren. Dat verweerder er daarbij voor kiest niet de maatstaven aan te leggen die eiseres hanteert en wenselijk acht, staat verweerder, gelet op zijn beoordelingsvrijheid, vrij.

4. Verweerder heeft vervolgens over het standpunt dat de onafhankelijkheid van Drogisterijcollega als examenbevoegde instantie voldoende is gewaarborgd (aanvullend) overwogen dat het in Nederland gebruikelijk is dat onderwijsinstellingen zelf ook examen afnemen. Op aangeven van verweerder is met het oog op vermijding van belangenverstrengeling toegewerkt naar afsplitsing van Drogisterijcollege als aparte juridische entiteit, los van e-beat e-learning. Vanaf augustus 2010 opereert Drogisterijcollege als B.V. in oprichting, vanaf 1 oktober 2010 is Drogisterijcollege operationeel geworden en vanaf 15 november 2010 is zij formeel afgescheiden van e-beat e-learning. Verder beschikte en beschikt Drogisterijcollege over een Raad van Toezicht, bestaande uit onafhankelijke deskundigen, heeft zij een examenreglement vastgesteld en ziet een aparte examencommissie toe op het afnemen van examens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd dat Drogisterijcollege de waarborgen heeft ingebouwd die redelijkerwijs kunnen worden geëist voor een onafhankelijke wijze van opereren.

5. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met zijn aanvullend besluit van 27 maart 2012 voldoende heeft gemotiveerd dat Drogisterijcollege voldoet aan de voorwaarden die redelijkerwijs gesteld kunnen worden aan een instantie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder qqq en rrr, van de Gnw. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het aanvullend besluit voldoende heeft gemotiveerd dat de onafhankelijkheid van Drogisterijcollege als examenbevoegde instantie voldoende is gewaarborgd. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn daarmee hersteld.

6. Omdat het bestreden besluit aanvankelijk een ontoereikende motivering had, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernieten besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.748,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 437,- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 298,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.748,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge, voorzitter, en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse en mr. M. Stapels-Wolfrat, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.

De griffier is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.