Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0635

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
SBR 10/1198, SBR 10/1199, SBR 10/1200 en SBR 10/1201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kop: stillegging werkzaamheden o.g.v. de Arbowet

Trefwoorden: stillegging werkzaamheden, ernstig gevaar voor personen, opheffing stillegging, CROW-publicatie

Wetsartikelen: art. 28 van de Arbowet, artt.3.2, 3.17 en 7.3 van het Arbobesluit

Samenvatting:

Het betreft vier gevoegd behandelde zaken tegen twee bevelen tot stillegging van de werkzaamheden en de opheffing van die stilleggingen.

Bij de eerste stillegging vonden de werkzaamheden op of aan de openbare weg plaats. Volgens verweerder zou aanrijdgevaar voor de werknemers van eiseres bestaan en zouden zij terwijl dat gevaar bestond geen beschermingsmiddelen dragen. De rechtbank is van oordeel dat niet wordt voldaan aan figuur 96b-19 van de CROW-publicatie. De inspecteurs van de Arbeidsinspectie hebben in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de door eiseres verrichte werkzaamheden ernstig gevaar voor personen opleverden. Het beroep is ongegrond.

De tweede stillegging betreft werkzaamheden met een hydraulische kraanmachine op een in de vaart drijvend ponton. De werkzaamheden zijn door de inspecteurs stil gelegd, omdat afrijd- en afglijdgevaar zou bestaan. Over het afglijdgevaar oordeelt de rechtbank dat niet valt in te zien waarom niet vanaf de oever door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie kon worden geconstateerd dat de ponton een antislipvloer had en dat de graafmachine rubberen rupsen had Evenmin valt in te zien waarom hierover aan de medewerkers van eiseres geen vragen zijn gesteld. Over het afrijdgevaar overweegt de rechtbank dat niet is doorgevraagd waarvoor de graafmachine werd gebruikt. Ter zitting is verklaard dat niet met de graafmachine werd gereden. Niet valt in te zien waarom dat niet op de dag van stillegging geconstateerd kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ontoereikende wijze een oordeel gevormd over het gevaar voor afrijden en afglijden. Het beroep is gegrond, de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit.

Over de beroepen tegen de opheffingen van de stilleggingen overweegt de rechtbank dat eiseres met deze beroepsprocedures niet méér kon bereiken dan zij al heeft bereikt, te weten de intrekkingen van de bevelen tot stillegging. Dat eiseres het niet eens is met de motivering die aan die beslissingen ten grondslag is gelegd, creëert geen procesbelang. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/1198, SBR 10/1199, SBR 10/1200 en SBR 10/1201

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2012 in de zaken tussen

[eiseres] te [woonplaats] eiseres

(gemachtigden: [A] en [B]),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigden: mr. E.M. Scheffer en S.I.A. Hensen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2009 (het primaire besluit I) heeft verweerder het aan eiseres op 9 november 2009 door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie mondeling gegeven bevel om de baggerwerkzaamheden vanaf de Amsterdamsestraatweg te Naarden - wegens aanrijdgevaar voor de werknemers van eiseres en wegens de omstandigheid dat, terwijl dit gevaar aanwezig was of kon ontstaan, de werknemers van eiseres geen beschermingsmiddelen droegen - stil te leggen, schriftelijk bevestigd. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 februari 2010 (het bestreden besluit I), heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk SBR 10/1198.

Bij besluit van 13 november 2009 (het primaire besluit II) heeft verweerder voornoemde stillegging ingetrokken. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 februari 2010 (het bestreden besluit II), heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk SBR 10/1199.

Bij besluit van 10 november 2009 (het primaire besluit III) heeft verweerder het aan eiseres op 9 november 2009 door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie mondeling gegeven bevel om de werkzaamheden met een hydraulische graafmachine op een ponton in de trekvaart tussen Naarden en Muiden - wegens afrijd- en afglijdgevaar - stil te leggen, schriftelijk bevestigd. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 februari 2010 (het bestreden besluit III), heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk SBR 10/1200.

Bij besluit van 16 november 2009 (het primaire besluit IV) heeft verweerder voornoemde stillegging ingetrokken. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 februari 2010 (het bestreden besluit IV), heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit IV beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk SBR 10/1201.

Verweerder heeft in elke beroepszaak een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Het beroep met het kenmerk SBR 10/1198

1. Ter zitting heeft de rechtbank met partijen - aan de hand van de foto’s die tot de processtukken behoren en die ter zitting door verweerder nogmaals, maar nu in kleur en genummerd, zijn overgelegd - het volgende vastgesteld met betrekking tot de feitelijke situatie ten tijde van de inspectie op 9 november 2009:

(i) De baggerwerkzaamheden hebben, deels vanaf een openbare weg van het wegtype E (de Amsterdamsestraatweg), plaatsgevonden in de trekvaart tussen Naarden en Muiden. De Amsterdamsestraatweg is ter plekke een rijweg die toegankelijk is voor verkeer uit beide richtingen. Het is een enkelbaans weg met één rijstrook per rijrichting zonder rijstrookindeling.

(ii) Partijen verschilden ter zitting van mening over de maximumsnelheid die op de Amsterdamsestraatweg ter plekke was toegestaan, maar niet bleek in geschil dat deze ofwel 50 ofwel 60 kilometer per uur bedraagt.

(iii) Op de openbare weg waren een baggerkraan (foto’s 2 en 5) en een actiewagen (foto 6) geplaatst.

(iv) De baggerkraan was geplaatst tot over de as van de weg (foto 6).

(v) Tussen de stabilisatiepoten van de baggerkraan waren twee langsbakens geplaatst (foto 6); langs het overige gedeelte van het werkvak waren geen langsbakens geplaatst. Er was derhalve niet langs het gehele werkvak sprake van een vrije ruimte (de ruimte tussen de werkruimte en de langsafzetting).

(vi) Er was een veiligheidsruimte (de ruimte tussen de actiewagen en het begin van de werkruimte) aan de zijde van het achteropkomend verkeer van meer dan tien meter (foto 6).

(vii) Aan de kant van het tegemoetkomend verkeer was geen veiligheidsruimte van ten minste vijf meter (foto 5).

2. Verweerder heeft eiseres op 9 november 2009 mondeling bevolen de werkzaamheden op of aan de openbare rijweg stil te leggen. In het primaire besluit I is daartoe overwogen dat door eiseres niet in afdoende mate was voorzien in het realiseren van een veilige werkplek op de voor openbaar verkeer openstaande rijweg. Daardoor ontstond er aanrijdgevaar voor de werknemers van eiseres. Dit is volgens verweerder in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Voorts heeft eiseres, terwijl gevaar voor de werknemers aanwezig was of kon ontstaan en voor de werknemers die aan dat gevaar blootstonden of konden blootstaan voldoende beschermingsmiddelen beschikbaar waren, er niet voor gezorgd dat de werknemers deze beschermingsmiddelen gebruikten. Dit is volgens verweerder in strijd met artikel 8.3, tweede lid, van het Arbobesluit. Om deze redenen heeft verweerder mondeling bevolen dat de werkzaamheden op of aan de openbare rijweg gestaakt moesten worden.

3. Eiseres heeft aangevoerd, samengevat weergegeven, dat de op 9 november 2009 uitgevoerde werkzaamheden semidynamische werkzaamheden betroffen. Hierbij kon worden gekozen uit twee soorten afzettingen: een stationaire of een rijdende. Bij de werkzaamheden op 9 november 2009 was gekozen voor een rijdende afzetting. De werkzaamheden voldeden aan alle maatregelen die genomen moesten worden bij het gebruik van een rijdende afzetting op een wegtype E. De langsafzetting, die wel (gedeeltelijk) was geplaatst, was in principe overbodig. De punten waaraan het werkvlak volgens verweerder niet voldeed ten tijde van het stilleggen van de werkzaamheden op 9 november 2009 waren ten onrechte gebaseerd op het toepassen van een stationaire afzetting. De werkzaamheden werden derhalve niet onveilig uitgevoerd. Daarnaast werden de werkzaamheden machinaal uitgevoerd, waarbij de machines werden bediend vanuit gesloten cabineruimtes. De persoon die de schoonmaakwerkzaamheden verrichtte deed dit in de berm, tussen de watergang en de machines. Gelet op het feit dat de werknemers hun werkzaamheden in cabineruimtes of in de luwte van de machines verrichtten, had zowel een vrije ruimte als een veiligheidsruimte geen meerwaarde voor de veiligheid van de werknemers in het werkvak. Het ernstig aanrijdgevaar was dan ook niet aanwezig, aldus eiseres.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de werkplek tijdens het uitvoeren van werkzaamheden op of langs de openbare weg, niet zijnde een autosnelweg, als veilig wordt beoordeeld als deze voldoet aan het gestelde in - bijvoorbeeld – de publicatie ‘Maatregelen op de rijbaan, Werk in Uitvoering 96b’ van CROW - een kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte - (de CROW-publicatie). Uit de door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie gemaakte foto’s blijkt dat de situatie op de werkplek niet voldoet aan de hierin neergelegde normen. Tevens is door de inspecteurs waargenomen dat twee werknemers van eiseres zonder verkeershesjes op de openbare weg liepen. De inspecteurs hebben daarom in redelijkheid kunnen oordelen dat aanrijdgevaar, en dus ernstig gevaar voor personen, aanwezig was.

5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) is een daartoe aangewezen toezichthouder bevoegd mondeling of bij gedagtekend schrijven te bevelen, dat personen niet mogen blijven in door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen werkzaamheden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen, indien naar zijn redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit zijn arbeidsplaatsen veilig toegankelijk en kunnen veilig worden verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts worden zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de veiligheid van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden.

6. De rechtbank overweegt dat het bij het bestreden besluit I gehandhaafde primaire besluit I een belastend besluit is, waarbij het aan het bestuursorgaan is de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. De bewijslast voor het standpunt van verweerder dat de werkzaamheden op 9 november 2009 ernstig gevaar opleverden voor personen, rust dus op verweerder.

7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft bij uitspraak van 15 december 2004 (LJN: AR7575) bepaald dat, gelet op de tekst van artikel 28, eerste lid, van de Arbowet, en in het bijzonder de woorden ‘naar zijn redelijk oordeel’, verweerder bij de beoordeling van de vraag of de werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De invulling daarvan behoort primair tot de verantwoordelijkheid van verweerder. Indien ernstig gevaar voor personen aanwezig wordt geacht, is verweerder bevoegd om een bevel als bedoeld in voormeld artikellid te geven. Bij de beantwoording van de vraag of al dan niet van die bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt, komt verweerder beleidsvrijheid toe.

8. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling of sprake is van ernstig gevaar moet worden verricht aan de hand van de omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling betrekt verweerder onder meer of wordt voldaan aan de in de CROW-publicatie opgenomen normen. De rechtbank acht dit een redelijk uitgangspunt en ook zij zal bij de beoordeling of eiseres heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Arbowet de in de CROW-publicatie opgenomen normen betrekken.

9. Semidynamische werkzaamheden zijn volgens de CROW-publicatie (pagina 19) kortdurende werkzaamheden die kort stilstaan en zich vervolgens verplaatsen naar een volgende werkplek (blokwerken). Voor semidynamische werkzaamheden wordt in beginsel gekozen voor een stationaire afzetting, zeker wanneer op niet-autosnelwegen en wegen binnen de bebouwde kom de werkzaamheden op dezelfde plek langer duren dan twee uur. Alleen wanneer de lengte van het werkvak te lang wordt en het plaatsen, instandhouden en verwijderen van een stationaire afzetting onevenredige risico’s met zich brengt in verhouding tot de risico’s bij rijdende afzettingen, kan worden gekozen voor een rijdende afzetting. Deze mag dan per werkplek maximaal twee uur stilstaan. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat de werkzaamheden aan de Amsterdamsestraatweg ongeveer drie tot vier uur op dezelfde plek werden uitgevoerd, waarna deze bloksgewijs, naar de volgende werkplek, werden verplaatst. Er is sprake van werkzaamheden van categorie IV als bedoeld in de CROW-publicatie (pagina 62). Deze werkzaamheden werden uitgevoerd vanaf een openbare weg van het wegtype E, waar een maximumsnelheid van ofwel 50 ofwel 60 kilometer per uur gold. Gelet hierop is figuur 96b-19 van de CROW-publicatie van toepassing op de situatie die door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie op 9 november 2009 werd aangetroffen. Verweerder is dan ook terecht van de toepasselijkheid van deze figuur in de CROW-publicatie uitgegaan.

10. Figuur 96b-19 van de CROW-publicatie schrijft voor dat aan de kant van het tegemoetkomend verkeer een veiligheidsruimte wordt toegepast van een ½b, waarbij als b geldt een afstand van ten minste tien meter. Daarnaast schrijft figuur 96b-19 een vrije ruimte voor langs de gehele lengte van het werkvak. Zoals is opgemerkt in rechtsoverweging 1. en zoals ter zitting ook met partijen is vastgesteld, was op 9 november 2009 aan deze beide normen niet voldaan. Eiseres heeft de werkzaamheden op 9 november 2009 dan ook niet in overeenstemming met deze beide normen van figuur 96b-19 verricht. Ter zitting is door verweerder nader toegelicht wat de functie van deze normen bij de door eiseres verrichte werkzaamheden was, te weten het voorkomen van aanrijdgevaar voor de werknemers. De veiligheidsruimte is noodzakelijk om een verkeersdeelnemer in staat te stellen in noodgevallen tijdig tot stilstand te komen. Nu in dit geval de veiligheidsruimte aan de kant van het tegemoetkomend verkeer te kort was, bestond volgens verweerder aanrijdgevaar voor de machinist van de baggerkraan. De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat de inspecteurs van de Arbeidsinspectie in redelijkheid tot het oordeel hebben kunnen komen dat de door eiseres verrichte werkzaamheden ernstig gevaar voor personen opleverden, zodat zij op grond van artikel 28 van de Arbowet gerechtigd waren de werkzaamheden stil te leggen.

11. Hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd met betrekking tot de feitelijke manier van handelen van de inspecteurs tijdens de inspectie(s), wat daar verder van zij, kan - mede gelet op het voorgaande - niet leiden tot het oordeel dat de werkzaamheden niet mochten worden stilgelegd. Deze beroepsgrond kan reeds daarom niet slagen.

12. Evenmin kan de beroepsgrond slagen die ziet op de tijdigheid van het opstellen van het boeterapport. Dit boeterapport is opgesteld in het kader van de aan eiseres opgelegde boete. Dit betreft een andere procedure dan de onderhavige.

13. Hetgeen overigens door eiseres in beroep is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep met het kenmerk SBR 11/1200

15. Verweerder heeft eiseres op 9 november 2009 bevolen de baggerwerkzaamheden vanaf een ponton in de trekvaart tussen Muiden en Naarden stil te leggen. De inspecteurs van de Arbeidsinspectie hebben tijdens de inspectie geconstateerd dat de op de ponton opgestelde hydraulische graafmachine zodanig stond opgesteld dat deze te water kon raken. Dit is volgens verweerder in strijd met de artikelen 7.3, vierde lid, en 3.17 van de Arbobesluit. In het bevel tot stillegging heeft verweerder opgenomen dat eiseres maatregelen diende te nemen om ervoor te zorgen dat de graafmachine niet ongewild van de ponton zou kunnen afrijden of afglijden, bijvoorbeeld door het plaatsen van een houten dek, het vastzetten van de machine of een vergelijkbare maatregel.

16. Eiseres heeft aangevoerd dat uit het bevel tot stillegging niet blijkt dat sprake is geweest van een preventieve stillegging, nu in het bevel staat dat de situatie, zoals omschreven in het bevel, door de inspecteur is geconstateerd. Eveneens zou zijn geconstateerd dat er gevaar bestond en werden er maatregelen genoemd om het geconstateerde gevaar op te heffen. Niet wordt in het bevel tot stillegging aangegeven dat er slecht kon worden vastgesteld of er op de ponton beveiligingen waren aangebracht. De stelling van de inspecteur dat hij de ponton niet goed kon zien, omdat deze aan de overkant van de vaart lag, is volgens eiseres onjuist. Tijdens de inspectie hebben de werknemers van eiseres desgevraagd verklaard de graafmachine op de ponton af en toe te gebruiken. De inspecteurs hebben niet gevraagd of er beschermende maatregelen waren getroffen, maar hebben de werkzaamheden meteen preventief stilgelegd en hebben maatregelen genoemd om het gevaar op te heffen. Op de ponton waren echter al beschermende maatregelen getroffen, die ook vanaf de oever te zien waren. Ook was duidelijk dat de graafmachine in het midden van de ponton stond.

17. Verweerder heeft zich hierover in het bestreden besluit III op het standpunt gesteld dat ten tijde van de inspectie door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie slechts kon worden vastgesteld dat op de ponton geen beveiligingen waren aangebracht. De ponton kon niet worden betreden. De werknemers van eiseres deelden mee dat af en toe gebruik werd gemaakt van de graafmachine. Om die reden is de stillegging bevolen. Op 10 november 2009 werd aan de inspecteurs medegedeeld dat sprake was van een antislipvloer en rubberen rupsen. Op vrijdag 13 november 2009 werd medegedeeld dat de graafmachine slechts incidenteel werd gebruikt. Ten tijde van de inspectie kon niet worden vastgesteld dat sprake was van zodanige maatregelen dat werkzaamheden op de ponton veilig verricht konden worden. Wegens ernstig gevaar voor personen is terecht bevolen dat geen werkzaamheden op de ponton verricht mochten worden, aldus verweerder.

18. Artikel 3.17 van het Arbobesluit bepaalt dat het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk wordt beperkt. Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, is van toepassing.

Artikel 7.3, vierde lid, van het Arbobesluit bepaalt dat, voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is de gevaren bij het gebruik van de arbeidsmiddelen te voorkomen, zodanige maatregelen worden getroffen dat de gevaren zoveel mogelijk worden beperkt.

19. Over het ernstig gevaar voor afglijden overweegt de rechtbank dat uit de door verweerder ter zitting overgelegde foto’s 2 en 3 blijkt dat de ponton vlakbij de oever lag waar de werkzaamheden werden uitgevoerd en vanaf waar de inspectie op 9 november 2009 heeft plaatsgevonden. Daarom valt niet in te zien waarom niet vanaf de oever door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie kon worden geconstateerd dat de ponton een antislipvloer had en dat de graafmachine rubberen rupsen had. Evenmin valt in te zien waarom hierover door de inspecteurs, indien er bij hen onduidelijkheid had bestaan of indien zij meer behoefte hadden gehad aan informatie over de feitelijke toestand, niet tijdens de inspectie aan de werknemers van eiseres vragen werden gesteld. Uit de stukken blijkt niet, zoals door verweerder ter zitting gesteld, dat de werknemers van eiseres hun medewerking niet wilden verlenen. Uit de in het verslag van de hoorzitting weergegeven verklaring van de inspecteur van de Arbeidsinspectie blijkt juist dat een werknemer van eiseres tijdens de inspectie wel een verklaring heeft afgelegd over de frequentie van het gebruik van de graafmachine op de ponton. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de werknemers van eiseres geen medewerking aan de inspectie hebben willen verlenen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de inspecteurs zich op 9 november 2009 op ontoereikende wijze een oordeel hebben gevormd over het gevaar voor afglijden.

20. Over het gevaar voor afrijden overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet blijkt dat door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie op 9 november 2009 vragen zijn gesteld over de werkzaamheden die met de graafmachine op de ponton werden uitgevoerd. Er is wel gevraagd hoe vaak de graafmachine werd gebruikt, maar niet is gebleken dat de inspecteur heeft doorgevraagd waarvoor de graafmachine werd gebruikt. Ter zitting heeft eiseres, door verweerder onweersproken, toegelicht dat de graafmachine vanuit stilstand werd gebruikt om de palen op de hoeken van de ponton mee op te tillen. Er werd derhalve met de graafmachine niet gereden over de ponton. Niet is gebleken dat verweerder deze feiten niet tijdens de inspectie op 9 november 2009 had kunnen vaststellen door hiernaar te vragen. Zoals onder rechtsoverweging 19. is overwogen, is niet gebleken dat de werknemers van eiseres niet bereid waren vragen hierover te beantwoorden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inspecteurs zich op 9 november 2009 op ontoereikende wijze een oordeel hebben gevormd over het gevaar voor afrijden.

21. Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 6. en 7., ter zake van het bestaan van ernstig gevaar door werkzaamheden voor personen, op grond waarvan de preventieve stillegging gerechtvaardigd was. De werkzaamheden op de ponton zijn derhalve ten onrechte (preventief) stilgelegd.

22. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit III wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om, ter finale beslechting van het geschil, op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit III tot preventieve stillegging van de werkzaamheden op de ponton te herroepen. Dit gelet op de omstandigheid dat dit besluit op dezelfde feiten en omstandigheden en op hetzelfde onvolledige onderzoek is gestoeld als het bestreden besluit III. De uitspraak van de rechtbank zal in de plaats treden van het bestreden besluit III.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

24. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De beroepen met de kenmerken SBR 10/1199 en SBR 10/1201

25. Nadat op 11 november 2009 door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie was vastgesteld dat de in het bevel tot stillegging van 10 november 2009 geconstateerde ernstig gevaar voor personen door de werkzaamheden op de Amsterdamsestraatweg was opgeheven, heeft verweerder bij het (bij het bestreden besluit II gehandhaafde) primaire besluit II het bevel tot stillegging ingetrokken.

Nadat bij een overleg op 13 november 2009 door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie was geconstateerd dat het in het bevel tot stillegging van 10 november 2009 geconstateerde ernstig gevaar voor personen door de werkzaamheden op de ponton was opgeheven, heeft verweerder bij het (bij het bestreden besluit IV gehandhaafde) primaire besluit IV het bevel tot stillegging ingetrokken.

26. Eiseres heeft in ter zitting verklaard het niet oneens te zijn met de intrekkingen van de stilleggingen, maar wel met de door verweerder gegeven motivering van die intrekkingen.

27. De rechtbank overweegt dat eiseres met het indienen van beroep tegen de intrekkingen enkel de beslissingen aanvecht die met deze besluiten zijn genomen. De overwegingen die in die besluiten staan zijn geen onderdeel van die beslissingen. Gelet op het door haar ter zitting ingenomen standpunt, kan eiseres met deze beroepsprocedures niet méér bereiken dan zij al heeft bereikt, te weten de intrekkingen van de bevelen tot stillegging. Dat eiseres het niet eens is met de motivering die aan die beslissingen ten grondslag is gelegd, creëert geen procesbelang. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de uitspraak van de ABRvS van 28 april 2000 (LJN: AI5522). Er is derhalve geen sprake van procesbelang.

28. Dit betekent dat de beroepen tegen de bestreden besluiten II en IV niet-ontvankelijk zijn. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van zaaknummer SBR 10/1198

- verklaart het beroep ongegrond.

ten aanzien van zaaknummer SBR 10/1200

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit III gegrond;

- vernietigt dit besluit;

- herroept het primaire besluit III;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit III;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 298,- aan eiseres te vergoeden.

ten aanzien van de zaaknummers SBR 10/1199 en 10/1201

- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, en mr. J. Schukking en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.