Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0521

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
325433/FT RK12-671 en 325844/FT RK 12-733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Verzoek dwangakkoord ex art. 287a Fw ingediend tijdens procedure tot faillietverklaring. Verzoek verbeterd gelezen, geen proceskostenveroordeling weigerachtige schuldeisers. Bedrag akkoord momenteel beschikbaar, geen driejarig minnelijk traject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummers: 325433/FT RK12-671 en 325844/FT RK 12-733

uitspraakdatum: 28 juni 2012

dwangakkoord

enkelvoudige kamer

in de zaak van

de schuldenaren:

[verzoeker ]

voorheen handelend onder de naam [bedrijf B],

en zijn echtgenote:

[verzoekster],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers,

tegen

de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Rijswijk ZH,

de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Woerden,

de Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Rijswijk ZH,

gemachtigde GGN Mastering Credits te Rotterdam,

en

de besloten vennootschap [bedrijf 1] gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats]

gemachtigde BBU Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s te Amersfoort,

verweerders.

Verzoekers zullen hierna [verzoeker ] en [verzoekster], verweerders de Pensioenfondsen en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 7 juni 2012 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschriften tot toelating van verzoekers tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.),

- de op 19 juni 2012 ingekomen faxberichten van de schuldhulpverlener J.M.A. Wagener van Intova, organisatie voor schuldhulp voor ondernemers,

- het verweerschrift dat op 21 juni 2012 door de heer E.A.C. Appels van BBU Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s te Amersfoort namens [A] is ingediend,

- de op 21 juni 2012 gehouden mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de daarin genoemde stukken,

- het faxbericht d.d. 27 juni 2012 van E.A.C. Appels van BBU Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s te Amersfoort.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1. [verzoeker ] heeft de activiteiten van zijn eenmanszaak [bedrijf B] op 19 maart 2012 beëindigd. De inventaris is verkocht, de debiteuren geïnd. Van de opbrengst zijn schulden betaald. De materialen zijn waar mogelijk aan de leveranciers teruggegeven. Het restant van de voorraad is onverkoopbaar. De overwaarde van de woning van verzoekers is gering doordat zakelijke kredieten onder de hypothecaire zekerheid zijn gebracht en door de tendens van dalende woningprijzen.

2.2 Verzoekers zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. [verzoeker ] is in loondienst werkzaam tegen een salaris van € 1.844,33 netto per maand. Het inkomen van [verzoeker ] bedraagt volgens de overgelegde berekening van het vrij te laten bedrag, inclusief het vakantiegeld en de heffingskortingen netto € 2.414,49 per maand. [verzoekster] ontvangt heffingskortingen van € 303,67. De gemeenschappelijke concurrente schulden bedragen € 95.560,36, aan de preferente schuldeiser de Belastingdienst is € 28.337,69 verschuldigd. De schuldenlast van verzoekers bestaat voor het grootste deel uit de zakelijke schulden die uit de exploitatie van [bedrijf B] zijn voortgevloeid.

2.3. De heer J.M.A. Wagener van Intova heeft op 2 mei 2012 namens [verzoeker ] en [verzoekster] een schuldregeling aan de schuldeisers aangeboden. De aangeboden schuldregeling houdt, samengevat, in dat aan alle concurrente schuldeisers 12% van de hoofdsom inclusief rente aangeboden, plus 100% van de kosten, berekend volgens de tabel van de commissie Voorwerk II. Aan de preferente schuldeiser de Belastingdienst is het dubbele percentage aangeboden. Het voor de uitdeling aan de crediteuren op grond van het akkoord vereiste bedrag van € 31.891,96 is op de boedelrekening onder het beheer van de schuldhulpverlener gestort.

2.4. [A] heeft een vordering van € 12.120,56 op verzoekers.

2.5. De Pensioenfondsen hebben op 24 april 2012 een verzoekschrift tot faillietverklaring van [naam] bij deze rechtbank ingediend. De vordering van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek is voor € 9.935,17 in de bij het verzoekschrift ex artikel 287a Fw gevoegde schuldenlijst opgenomen. [bedrijf 2], de administrateur van de pensioenfondsen in de metaalnijverheid, heeft de vordering van € 9.935,17 onder de dossiernummers 3027034, 3063996 en 3099481 geadministreerd.

2.6. Bij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zullen [verzoeker ] en [verzoekster] ten minste € 2.142,00 (= 36 x € 59,50) aan salaris van de bewindvoerder en € 552,00 aan griffierecht verschuldigd zijn. Dit betekent dat er bij ongewijzigde omstandigheden en indien geen rekening is gehouden met de verdiencapaciteit van mevrouw [verzoeker ], in het wettelijke traject naar verwachting minder dan in het minnelijke traject, volgens de berekening van de schuldhulpverlener € 15.234,45, zal worden uitgekeerd aan de schuldeisers.

3. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1. [verzoeker ] en [verzoekster] hebben tegelijk met hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling verzocht de Pensioenfondsen en [A] te bevelen in te stemmen met de onder 2.2. bedoelde schuldregeling. Tevens verzoeken [verzoeker ] en [verzoekster] deze weigerachtige schuldeisers in de kosten van de procedure te veroordelen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2. De gemachtigde E.A.C. Appels heeft de bezwaren van [A] ten aanzien van het dwangakkoord op de terechtzitting van 21 juni 2012 toegelicht. De gemachtigde heeft in zijn faxbericht van 27 juni 2012 vermeld dat [A] haar bezwaren tegen de aangeboden schuldregeling intrekt. De bezwaren waren gebaseerd op onvoldoende feitelijke informatie. Die informatie is kennelijk na de zitting ten behoeve van [A] verstrekt. Niet gesteld of gebleken is dat deze informatie pas na de zitting beschikbaar was. Dit is de reden om het verzoek om [A] in de proceskosten te veroordelen, zal worden afgewezen, ongeacht de uitkomst van deze procedure.

3.3. De via haar gemachtigde opgeroepen Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek is niet op de terechtzitting verschenen.

4. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1. Aangezien uit bovenstaand faxbericht van de gemachtigde blijkt dat [A] met het aangeboden akkoord heeft ingestemd, is het niet langer mogelijk en ook niet nodig deze schuldeiser te bevelen met de aangeboden schuldregeling in te stemmen. Het verzoek zal dan ook uitsluitend voor zo ver het is gericht tegen de pensioenfondsen worden beoordeeld.

4.2 Het verzoekschrift is gericht tegen de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, welk pensioenfonds volgens bijgevoegde schuldenlijst een vordering van € 9.935,17 op verzoekers heeft. In dit bedrag zijn mede begrepen de vorderingen van de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf en de Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek. Aangezien uit de correspondentie van de schuldhulp- verlener met Mn Services en de door deze administrateur aangelegde dossiers met de nummers 3027034, 3063996 en 3099481 blijkt dat € 9.935,17 de som is van de vorderingen van de drie pensioenfondsen, zal de rechtbank het verzoekschrift verbeterd lezen als tegen genoemde pensioenfondsen gericht, hetgeen in de aanhef van dit vonnis tot uitdrukking is gebracht.

4.3. In artikel 287a van de Faillissementswet is bepaald dat een verzoek als het onderhavige slechts kan worden toegewezen indien de pensioenfondsen in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door [verzoeker ] en [verzoekster] voorgestelde schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de pensioenfondsen hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker ] en [verzoekster] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

4.4. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de vorderingen van de pensioenfondsen, staat het belang van de pensioenfondsen bij weigering van die regeling vast. In deze procedure staat de vraag centraal of door de weigering van de pensioenfondsen de belangen van de overige schuldeisers en verzoekers worden geschaad en zo ja, of die belangen zwaarder wegen dan het belang van de pensioenfondsen bij het uitoefenen van hun bevoegdheid tot weigering van de voorgestelde schuldregeling.

4.5. De pensioenfondsen hebben in de contacten met de schuldhulpverlener als reden voor

hun weigering om met het akkoord in stemmen aangevoerd dat hun vorderingen betrekking hebben op gelden die bestemd zijn voor de toekomstige uitbetaling van pensioenen van werknemers en dat de werknemers schade zouden lijden indien de pensioenfondsen vrijwillig akkoord gaan met een verlaging van de premies die door werkgevers verschuldigd zijn. De schuldhulpverlener heeft overgelegd een brief van 3 oktober 2011 van mevrouw mr. J.A.M. Anedda, jurist van het UWV Amsterdam. Mevrouw Anedda vermeldt in haar brief het volgende. "Het UWV stelt een situatie van een dwangakkoord, als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet, gelijk aan een situatie van blijvende betalingsonmacht. Het voorgaande betekent dat, indien de betreffende werknemers daartoe een aanvraag bij UWV indienen, een uitkering kan worden verstrekt in het kader van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (artt. 61 t/m 68). Deze uitkering kan o.a. worden verstrekt als de werknemers geldelijk nadeel ondervinden doordat de werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemers aan derden is verschuldigd, niet heeft betaald. Hieronder worden ook pensioenpremies verstaan. Het UWV kan in geval van een dwangakkoord achterstallige pensioenpremies overnemen. Daartoe zijn aanvragen van de desbetreffende werknemers noodzakelijk." Uit de brief van het UWV leidt de rechtbank af dat de werknemers geen schade behoeven te lijden indien de pensioenfondsen worden gedwongen met de voorgestelde regeling akkoord te gaan. Het door de bewindvoerder geformuleerde bezwaar van de pensioenfondsen kan op grond van het in bedoelde brief verwoorde beleid van het UWV niet tot afwijzing van het verzoek leiden. Het feit dat de pensioenfondsen geen verweer hebben gevoerd doet vermoeden dat zij zich niet langer tegen toewijzing van het verzoek verzetten, welk vermoeden overigens niet voldoende is om de pensioenfondsen te dwingen aan de schuldregeling mee te werken.

4.6. Het gezinsinkomen van verzoekers bestaat uit het salaris dat [verzoeker ] ontvangt. De schuldhulpverlener heeft het voor de crediteuren in drie jaar schuldsanering beschikbare bedrag berekend op € 15.234,45. [verzoekster] heeft verklaard dat zij tot werken in staat is, zodat zij in de schuldsaneringsregeling de verplichting zou hebben naar een volledige baan te solliciteren. Gelet op haar leeftijd van 46 jaar, het feit dat zij vanwege de zorg voor de kinderen gedurende lange tijd niet aan haar arbeidsproces heeft deelgenomen en de economische omstandigheden, bestaat twijfel of zij een zodanige substantiële bijdrage aan het gezinsinkomen kan leveren dat verzoekers tijdens de schuldsaneringsregeling een hoger bedrag dan € 31.891,96 voor de schuldeisers kunnen sparen. De waarborgen die de schuldsaneringsregeling de schuldeisers biedt, wegen niet op tegen het voordeel dat de schuldeisers hebben bij de uitdeling van het mede door leningen van de ouders en broer van [verzoeker ] bijeengebrachte som van € 31.891,96. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de heer Wagener dit bedrag binnen een maand na de datum van het vonnis op de grondslag van het akkoord aan de crediteuren uit zal delen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de pensioenfondsen niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, zodat het verzoek zal worden toegewezen. Daarbij is in aanmerking genomen dat onevenredigheid bestaat tussen enerzijds de belangen die de pensioenfondsen hebben bij uitoefening van hun bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van de overige schuldeisers en verzoekers, welke belangen door die weigering worden geschaad.

4.8. Aangezien verzoeker [verzoeker ] eerst onder de dreiging van het verzoekschrift tot zijn faillietverklaring is gaan werken aan een buitengerechtelijk schuldregeling en de pensioenfondsen vanwege de hiervoor onder 4.5. vermelde risico’s voor de werknemers niet op vrijwillige basis aan het akkoord kunnen meewerken, is voor een veroordeling van de pensioenfondsen in de proceskosten geen grond aanwezig.

4.9. Het verzoek om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan, gelet op de toewijzing van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord, onbesproken blijven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 beveelt de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Rijswijk ZH,

de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Woerden, de Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Rijswijk in te stemmen met de aangeboden schuldregeling;

5.2 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 wijst de verzochte veroordeling in de proceskosten af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op

28 juni 2012.