Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0489

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
16-655385-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door meer verenigde personen in een winkel, gedurende de nacht. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Behandeling van verdachte in het kader van een voorwaardelijk strafdeel lijkt niet haalbaar. Daarom geen oplegging van een voorwaardelijke straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655385-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein

raadsman mr. X.B. Sijmons, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen heeft ingebroken in een winkel en hierbij een grote hoeveelheid goederen heeft meegenomen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, gelet op:

- de aangifte namens [aangever 1] ;

- de bekennende verklaring van verdachte .

4.2. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 07 februari 2012 te Houten, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel ([aangever 1]) heeft weggenomen een pinautomaat en tassen (onder meer van het merk Claudio Ferrici) en handschoenen en portemonnees en een hoeveelheid brief- en/of kleingeld, toebehorende aan [aangever 1], waarbij zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door braak, immers hebben zijn mededaders de cilindersloten van die winkel verwijderd en (vervolgens) in het magazijn van de winkel de kluis opengebroken;

Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft medegedeeld zich te kunnen vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met drie mededaders in de nachtelijke uren ingebroken in een winkel en daarbij een grote hoeveelheid goederen weggenomen. Daartoe hebben zijn mededaders zich met geweld – door de cilindersloten van de voordeur te verbreken – de toegang tot die winkel verschaft. Hierdoor hebben zij een financiële schade aan het pand veroorzaakt. In de winkel is er door verdachte en zijn mededaders een enorme ravage aangericht. De inbraak moet een grote impact hebben gehad op de eigenaar van de getroffen winkel. Meer in het algemeen veroorzaakt een dergelijk brutaal misdrijf in de samenleving gevoelens van grote onrust en onveiligheid. Verdachte heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor anderen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 maart 2012, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld, waaronder ook voor vermogensdelicten.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend rapport van het Leger des Heils d.d. 6 april 2012, opgemaakt door D. van den Hazel. Uit dit rapport volgt dat binnen het juridisch kader van een voorwaardelijk strafdeel een ambulant traject niet haalbaar is. Gezien de complexe problematiek van verdachte is klinische opname wenselijk. Voor klinische opname toont verdachte zich niet gemotiveerd waardoor de inschatting is dat dit binnen een juridisch kader van een voorwaardelijk strafdeel niet te realiseren is. Verdachte onttrekt zich aan hulpverlening, is onbereikbaar en gaat zijn eigen weg.

Gezien de problematiek wordt er door de betrokken hulpverleners gedacht aan een rechterlijke machtiging om verdachte op die manier de noodzakelijke hulp te kunnen bieden.

Gelet op de inhoud van het rapport van het Leger des Heils is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte behandeld dient te worden. Nu een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel niet haalbaar lijkt, ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het openbaar ministerie, om de mogelijkheid van een voorlopige machtiging in de zin van de Wet BOPZ te onderzoeken en een verzoek daartoe in te dienen. Tegen de achtergrond hiervan zal de rechtbank er in dit vonnis dan ook van af zien om verdachte, in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, te bewegen om een behandeling te ondergaan.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit, acht de rechtbank, gelet op enerzijds het strafblad van verdachte en anderzijds het advies van het Leger des Heils, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mrs. H.A. Brouwer en E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 april 2012.