Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0213

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
: 08/963019-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:2048, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor vrouwenhandel. De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 611.360,- in verband met de verdiensten aan de vrouwenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/963019-07

Datum beslissing: 2 juli 2012

Beslissing op tegenspraak van de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in het arrondissement Almelo ten aanzien van de veroordeelde:

[verrdachte],

geboren op [1974] in [geboorteplaats] ([geboorteland]),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Onjuist uitgangspunt van de rechtbank

In het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 januari 2012 staat de volgende passage opgenomen:

De rechtbank stelt vast dat betrokkene bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2011 is veroordeeld voor:

-mensenhandel in de periode 1 oktober 200 tot en met 30 april 2007 ten aanzien van [slachtoffer 10]

-mensenhandel in de periode 1 oktober 2000 tot en met 30 april 2007 ten aanzien van [slachtoffer 10] en

-mensenhandel in de periode 1 december 2006 tot en met 30 april 2007 ten aanzien van [slachtoffer 11] en

-mensenhandel in de periode 1 januari 2005 tot en met 1 september 2007 ten aanzien van [slachtoffer 12] en

-mensenhandel in de periode 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2006 ten aanzien van [slachtoffer15] en

-deelname aan en leiding geven aan criminele organisaties met het oogmerk mensenhandel in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2007.

Deze constatering is onjuist, aangezien in voormeld vonnis uitsluitend een veroordeling is gevolgd voor mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 12] en deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank herstelt daarom deze omissie in de onderhavige beslissing.

2. De vordering van de officier van justitie

De voordeelsberekening van 5 juni 2009 heeft betrekking op het slachtoffer [slachtoffer 12] en sluit op een totaal berekend voordeel van € 328.490,-. In haar conclusie van eis van

6 augustus 2011 stelt de officier van justitie de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 351.350,-. In haar conclusie van repliek en in haar requisitoir verlaagt de officier van justitie dit bedrag weer tot € 328.490,-

De officier van justitie vordert derhalve dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 328.490,-.

3. De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 31 oktober 2011; 16 januari 2012; 30 januari 2012 en 21 mei 2012. De raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, is op de terechtzittingen van 16 januari 2012 en 21 mei 2012 verschenen en op de vordering gehoord.

Op de terechtzitting van 21 mei 2012 heeft de officier van justitie mr. E.E.G. Duijts haar vordering gehandhaafd.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, nu door de raadsman geen conclusie van dupliek is ingediend, eventueel bij pleidooi aan te voeren nieuwe standpunten tardief zijn. De rechtbank is evenwel van oordeel dat door de verdediging geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, anders dan door de raadsman zijn verwoord in zijn conclusie van antwoord van 15 december 2011.

4. De beoordeling van de vordering

4.1 Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2011 onder meer veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:

feit 1 ten aanzien van [slachtoffer 12]: medeplegen van mensenhandel

feit 6 en 7 telkens: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

4.2. De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.2.1 de periode waarin voordeel is genoten

De officier van justitie baseert haar vordering op de periode augustus 2005 tot februari 2007. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet, maar zal uitgaan van de bewezenverklaarde periode zoals genoemd in voormeld vonnis, te weten 1 januari 2005 tot en met 1 september 2007. Omgerekend betekent dit dat de rechtbank uitgaat van een periode van 32 maanden waarin door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten.

Hoewel er aanleiding is om te veronderstellen dat het slachtoffer 7 dagen per week moest werken, zal de rechtbank, net als de officier van justitie, uitgaan van 6 dagen per week waarop het slachtoffer moest werken. In de berekening van de officier van justitie van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden 52 dagen in mindering gebracht waarop het slachtoffer niet zou hebben gewerkt als gevolg van vakantie, ziekte en incidentele vrije dagen. Dit aantal dagen ziet op de periode augustus 2005 tot februari 2007, in casu 18 maanden. Nu de rechtbank op grond van de bewezenverklaarde periode uitkomt op 32 maanden, dient het aantal niet gewerkte dagen hieraan gerelateerd te worden. Concreet leidt dit tot het volgende aantal niet gewerkte dagen:

32 maanden : 18 maanden x 52 dagen = 92 dagen.

De rechtbank zal dit aantal in mindering brengen op het totale aantal dagen over 32 maanden, zodat resteren 868 gewerkte dagen (32 maanden x 30 dagen minus 92 niet gewerkte dagen).

4.2.2 de inkomsten per dag en de kosten

De rechtbank zal evenals de officier van justitie uitgaan van een bedrag van € 800,- per dag dat het slachtoffer aan veroordeelde diende af te dragen. De rechtbank acht hiervoor voldoende redengevende feiten en omstandigheden in het dossier aanwezig, onder andere uit de volgende telefoontaps. In een tapgesprek van 3 mei 2003 tussen [slachtoffer 10] en [medeverdachte] zegt [slachtoffer 10] dat het niet goed liep; ze heeft 12. Op 5 mei 2003 vraagt [medeverdachte] hoeveel ze al verdiend heeft. [slachtoffer 10] zegt 750. Op 31 mei 2003 zegt [slachtoffer 10] dat ze 1250 heeft. Op 1 juni 2003 zegt [slachtoffer 10] tegen [medeverdachte] dat ze 7 heeft, maar dat hij nog niet bezorgd hoeft te zijn.

Op 2 juli 2007 verklaart [slachtoffer 11] tegenover de politie als volgt. U vraagt mij wat ik zo gemiddeld verdien. De ene keer is het 300 euro en de andere keer is het 600 euro. Je hebt ook wel eens twee klanten en dan heb je al 1000 euro verdiend.

[slachtoffer 12] verklaart op 17 februari en 3 maart 2010 tegenover de rechter-commissaris dat op een gegeven moment 800 euro ook niet meer genoeg was.

In een tapgesprek van 17 maart 2006 zegt [slachtoffer 12] 1.000 euro gemaakt heeft. In haar verhoor bij de rechter-commissaris van 29 januari 2010 verklaart [slachtoffer 12] dat zij duizend euro per dag moest verdienen van veroordeelde.

De rechtbank zal net als de officier van justitie een bedrag van € 2.595,- per maand in mindering brengen voor gemaakte kosten. Dit betreft kosten voor huisvesting (€ 1.500,-); kosten voor levensonderhoud (€ 575,-) en bedrijfskosten (€ 520,-).

4.2.3 resumé

Aantal gewerkte dagen: 32 maanden x 30 dagen -/- 92 dagen = 868 dagen

Afgedragen verdiensten: 868 dagen x € 800,- = € 694.400,-

Gemaakte kosten: 32 maanden x € 2.595,- = - 83.040,- -/-

____________

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 611.360,-,-

De raadsman heeft betoogd dat, voor het geval de rechtbank een bedrag ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel weet te schatten, slechts de helft daarvan kan worden vastgesteld, aangezien veroordeelde in gemeenschap van goederen met [slachtoffer 12] is getrouwd, hetgeen hem wettelijk recht geeft op de helft van haar inkomsten.

De rechtbank passeert dit verweer aangezien zij het voldoende aannemelijk acht dat het geld uitsluitend aan veroordeelde ten goede is gekomen, hetgeen onverlet laat dat het gehele bedrag op de huwelijksgoederengemeenschap en haar deelgenoten kan worden verhaald.

4.3

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 611.360,-. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij deze beslissing.

4.4 De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 611.360,-.

5. De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

6. De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 611.360,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 611.360,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen, voorzitter, mr. M.M. Lorist en

mr. P.L. Alers, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2012.