Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0130

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
16-440662-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl dit misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep. Verdachte bouwde een balkon en balustrade in opdracht van medeverdachte. Constructie balustrade bleek ondeugdelijk, mensen zijn hierdoor van het balkon gevallen. Twee personen hadden zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-440662-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 28 februari 2012 en 18 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 april 2010 te Baarn met een ander of anderen

Feit 1 primair:

opzettelijk een ondeugdelijk geconstrueerde balustrade aan een balkon heeft gebouwd welke balustrade is bezweken nadat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hier tegenaan leunden tengevolge waarvan zij van het balkon zijn gevallen en vervolgens zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen;

Feit 1 subsidiair:

die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op voormelde wijze zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, terwijl dit aan de schuld van verdachte te wijten is, terwijl dit in de uitoefening van het beroep van verdachte is begaan;

Feit 2:

heeft geprobeerd [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of anderen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door opzettelijk een ondeugdelijk geconstrueerde balustrade aan een balkon te bouwen welke balustrade is bezweken nadat [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of anderen hier tegenaan leunden tengevolge waarvan zij van het balkon zijn gevallen.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Met betrekking tot deze feiten heeft zij gesteld dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de balustrade zou afbreken waardoor de in de tenlastelegging genoemde personen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Door de bouw van het balkon in eigen beheer te nemen, werd [medeverdachte] zowel opdrachtgever als hoofdaannemer van de bouw van het balkon, inclusief de daarop bevestigde balustrade. Daarmee heeft [medeverdachte] de verantwoordelijkheid op zich genomen voor alle aspecten, die met de bouw van het balkon en de balustrade samenhingen. [A] was feitelijk de projectleider van de bouw van het balkon. [verdachte] had bij de bouw hiervan slechts een uitvoerende rol.

Volgens de raadsman is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet of schuld aan het zwaar lichamelijk letsel dat bij de slachtoffers is ontstaan.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

[getuige] was op 24 april 2010 aanwezig bij een bijeenkomst in het [naam] van [bedrijf 2] te [woonplaats]. Zij stond daar omstreeks 12.05 uur op het balkon. Haar echtgenoot en drie andere personen stonden met hun rug naar de balustrade. Haar man en ook een vrouw naast haar man leunden met hun rug tegen de balustrade. [getuige] hoorde plotseling een knallend geluid links van haar. Kort hierna hoorde [getuige] nog een knallend brekend geluid en zag ze dat de houten rand van de balustrade was afgebroken. Vervolgens zag [getuige] een vrouw liggen. Verder links zag zij een man liggen .

[slachtoffer 2] was op 24 april 2010 ook aanwezig bij voormelde bijeenkomst in [bedrijf 2] en stond kort voor lunchtijd met een aantal personen op het balkon van het gebouw. [slachtoffer 2] leunde met zijn rug tegen de balustrade en viel ineens naar beneden. Hij kwam vervolgens op zijn rug op de grond terecht op een soort muurtje. [slachtoffer 2] heeft als gevolg hiervan een ruggenwervel gebroken .

Op 24 april 2010 omstreeks 12.19 uur kwam de politie ter plaatse bij het [naam] naar aanleiding van een melding dat er personen van een balkon waren gevallen. De politie zag [slachtoffer 1] op haar rug liggen in de beplanting van een open betonnen bak, deel uitmakende van een trapsgewijs opgebouwd talud onder het bewuste balkon. [slachtoffer 1] zei dat ze geen gevoel meer in haar benen had. [slachtoffer 2] lag op dezelfde betonnen bak in de beplanting. Na aankomst van ambulancepersoneel werden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestabiliseerd en naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht (hierna: UMC Utrecht) gebracht .

[slachtoffer 1] heeft een dwarslaesie op het niveau C7 hetgeen betekent dat zij vanaf haar armen naar beneden volledig verlamd is. Dit letsel is blijvend. Zij is blijvend rolstoelafhankelijk. [slachtoffer 1] is vanaf 24 april 2010 tot 1 februari 2011 verpleegd in revalidatiecentrum Heliomare. Zij kan haar werkzaamheden niet meer verrichten. Haar woning is volledig aan haar handicaps aangepast.

[slachtoffer 2] heeft een T12 fractuur opgelopen als gevolg van de val van het balkon. Hij is hiervoor op de afdeling orthopedie van het UMC Utrecht opgenomen van 25 april 2010 tot en met 3 mei 2010. [slachtoffer 2] is in het UMC Utrecht aan zijn rug geopereerd. Hij heeft langdurig fysiotherapie nodig .

Op 28 april 2010 heeft de politie forensisch onderzoek verricht bij [bedrijf 2] te [woonplaats] waar op 24 april 2010 een aantal personen van het balkon was gevallen. Dit balkon was omgeven door een balustrade die was opgebouwd uit houten staanders. In de staanders waren aan de bovenzijde draadeinde aangebracht. Over de draadeinden was een bus geschoven die een afstand creëerde tussen de staander en de leuning aan de bovenzijde van de balustrade. De leuning bestond uit twee aan elkaar gelijmde hard houten delen onder een hoek van 90 graden. Deze delen hadden een breedte van 115 millimeter. De kopse delen van de leuning waren aan elkaar verbonden met een dominoverbinding waarbij in beide zijden van een plank een freesgat is gemaakt waarin een koekie werd verlijmd. Aan de kopse kanten van de leuningen waren in de binnenhoek klossen gelijmd. In deze klossen werd een gat van 24 millimeter geboord. De draadeinden van 19 millimeter vielen vervolgens in het gat van voornoemde klossen. De klossen en draadeinden werden door middel van bruislijm aan elkaar verbonden en verlijmd. De draadeinden zitten tussen 15 en 17 millimeter in de klossen en zijn voor een klein gedeelte opgevuld met bruislijm .

TNO heeft onderzoek verricht naar de deugdelijkheid van de constructie van de balustrade van het balkon van het gebouw het [naam] van [bedrijf 2] te [woonplaats]. Uit dit onderzoek bleken de volgende zes aanleidingen tot afkeur van de constructie.

Aansluiting balusters op balkonconstructie.

Gezien de gelijkheid in geometrie van de afscheidingsconstructie is voor de vijf balusters die zich niet op de hoeken van het balkon bevinden, alle een zelfde geometrie van de verbinding met de balkonconstructie verwacht. In de verbindingen zijn echter tussen één en drie bouten waargenomen. Aanleiding voor het variëren van de geometrie van de verbindingen zou de unieke aanwezige doorsnede van elke baluster ter plaatse van de verbinding en de daarmee variërende aanwezige randafstand kunnen zijn, echter:

1. Met één bout is het in geen geval mogelijk het op de afscheidingsconstructie optredende moment op te nemen. Dit moment ontstaat door horizontale belasting in twee richtingen op de afscheidingsconstructie.

Aansluiting draadeind balusters.

2. De afstand van het draadeind tot de rand van de doorsnede van de balusters is variabel. De minimale aanwezige randafstand van baluster B tot en met H ligt tussen 0 en 45 millimeter. De diameter van het draadeind is 20 millimeter, waarmee de benodigde randafstand 80 millimeter is. Geen van de verbindingen voldoet aan deze minimale eis.

Aansluitingen balustrade.

3. De afstand van het draadeind tot de rand van de doorsnede van de koppelstukken is variabel. De minimale aanwezige randafstand van het baluster B tot en met H ligt tussen 20 en 60 millimeter. De diameter van het draadeind is 20 millimeter, waarmee de minimaal benodigde randafstand 80 millimeter is. Geen van de verbindingen voldoet aan deze minimale eis.

Afscheiding als geheel - constructief.

De afscheiding moet de voorgeschreven stootbelasting kunnen doorstaan. De bouwconstructie is in staat om de stootbelasting te weerstaan als tijdens het uitvoeren van de proef het stootlichaam niet door de afscheidingsconstructie heen gaat en na het uitvoeren van de proef de onderlinge samenhang van de afscheidingsconstructie behouden is gebleven.

4. De onderlinge samenhang van de afscheidingsconstructie is na het uitvoeren van de proef niet behouden gebleven daar een aantal aansluitingen is bezweken.

Afscheiding als geheel - functioneel.

De aanwezigheid van een afscheiding ter plaatse van de rand van het balkon van het [naam] is vereist. De aanwezige afscheiding bestaat uit een balustrade op 1 meter boven het vloerniveau van het balkon en twee staaldraden op respectievelijk 280 millimeter en 560 millimeter boven het vloerniveau van het balkon. De afscheiding voldoet daarmee niet aan de volgende eisen.

5. De afscheiding in een gedeelte van een gebruiksfunctie dat mede bestemd is voor bezoekers heeft tot een hoogte van 0,7 meter boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan 0,1 meter.

6. In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers heeft een afscheiding ter voorkoming van het overklauteren geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 meter en 0,7 meter boven de vloer.

Naar aanleiding van voormelde zes aanleidingen tot afkeur voor het niet voldoen aan de gestelde eisten, betreft het baluster geen deugdelijke constructie .

[medeverdachte] is eigenaar van [bedrijf 2] te [woonplaats]. [naam] is het ontvangstgebouw van dit [bedrijf 2]. De bouw van het balkon aan het gebouw van [naam] is in september 2008 gestart en in april 2009 voltooid . [verdachte] heeft de uitvoering en constructie van de balustrade vervaardigd, aldus [medeverdachte]. [verdachte] heeft hiervoor met [medeverdachte] overlegd over de esthetica. [medeverdachte] wilde geen zichtbare schroeven, bouten, moeren of draadeinden. [medeverdachte] bedacht hoe het er uit moest zien en [verdachte] heeft het gebouwd .

Architect [architect] heeft in 2008 op verzoek van [medeverdachte] een balkon voor het gebouw het [naam] te [woonplaats] ontworpen en heeft hiervan tekeningen gemaakt. Deze tekeningen werden met een prijsopgave aan [medeverdachte] voorgelegd. [medeverdachte] besloot het ontwerp van [architect] niet uit te voeren en het ontwerp van het balkon en de constructie en uitvoer hiervan in eigen beheer te nemen. De door [medeverdachte] in de arm genomen projectleider [A] en constructeur hebben vervolgens de tekeningen van [architect] als onderlegger gebruikt voor de bouw van het balkon. De constructie is echter niet uitgewerkt zoals [architect] deze had ontworpen. Op de tekeningen van [architect] was een balustrade getekend maar niet in detail. [architect] heeft tijdens de bouw van de balustrade geen enkele input gehad ten aanzien van de constructie en heeft hier nooit naar gekeken . Hij heeft voor of tijdens de bouw van het balkon met de balustrade nooit opmerkingen gemaakt met betrekking tot de deugdelijkheid of veiligheid van de constructie. [architect] was niet bekend met de wijze waarop de reling was verbonden met de kolommen van de balustrade .

[A] heeft uit de door [architect] geleverde tekeningen de hoofdmaatvoering afgeleid en materialen besteld. [A] heeft een aantal schetsen gemaakt en heeft met praktische aannames basisberekeningen uitgevoerd. Daar is geen constructeur aan te pas gekomen. [A] heeft nooit een tekening of schets van de reling gemaakt en heeft zich niet bemoeid met de constructie of de uitvoering daarvan. [A] heeft meegedacht over de esthetica maar heeft nooit iets getekend. [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) heeft van [medeverdachte] gehoord hoe het er ongeveer uit moest zien, naar aanleiding waarvan [verdachte] een leuning heeft gemaakt .

[verdachte] is werkzaam in de bouw maar heeft daar geen opleiding voor gevolgd. [verdachte] heeft het balkon van het [naam] gebouwd met een paar Poolse jongens. [verdachte] heeft met [medeverdachte] gesproken over de reling van het balkon. [medeverdachte] besloot hoe de reling er uit moest zien en hoe de bouw ervan moest worden uitgevoerd. De reling moest hoekig zijn zodat er niets op kon worden gezet. [verdachte] heeft bedacht om de klosjes op de draadeinden vast te maken met bruislijm omdat [medeverdachte] niet wilde dat er bouten zichtbaar zouden zijn. Dit was voor [verdachte] de enige mogelijkheid om de reling vast te maken. [verdachte] heeft met [medeverdachte] besproken dat bruislijm de enige mogelijkheid was om het hout goed en mooi aan elkaar te lijmen. [medeverdachte] was het hiermee eens. [verdachte] heeft de reling precies gebouwd zoals [medeverdachte] hem vertelde dat het er uit moest gaan zien. [verdachte] heeft nooit een tekening van de reling gezien. [verdachte] gaf de Poolse jongens aanwijzingen en stuurde hen aan. Zij werden ook door [medeverdachte] aangestuurd. [medeverdachte] had alles in eigen hand .

Op het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat [bedrijf 1] ingeschreven als eenmanszaak met als bedrijfsomschrijving: “klussenbedrijf; werkzaamheden bestaan uit bouwwerkzaamheden van niet bouwtechnische aard”. [verdachte] drijft deze onderneming .

4.3.2 De vrijspraken

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen niet af dat verdachte boos opzet heeft gehad om de in de tenlastelegging genoemde personen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door een ondeugdelijk geconstrueerde balustrade te bouwen. Verdachte heeft zich door aldus te handelen ook niet willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij deze personen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank zal verdachte daarom van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten vrijspreken.

4.3.3 De bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat ten behoeve van de bouw van de balustrade van het balkon aan het gebouw [naam] geen constructietekeningen- of berekeningen zijn gemaakt.

[verdachte] staat met zijn bedrijf [bedrijf 1] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als een klusbedrijf, waarvan de werkzaamheden bestaan uit bouwwerkzaamheden van niet bouwtechnische aard. Desondanks heeft [verdachte] in samenspraak met [medeverdachte] een balustrade gebouwd zonder daaraan ten grondslag liggende constructieberekeningen en -tekeningen en zonder zich ervan te vergewissen dat de constructie sterk genoeg zou zijn.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat de reling van het balkon niet op deugdelijke wijze is gebouwd waardoor het ook aan de schuld van verdachte te wijten is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die tegen deze reling hebben geleund, van dit balkon zijn gevallen en hierdoor zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 subsidiair

hij, handelend onder de naam [bedrijf 1], in de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 april 2010, te Baarn, tezamen en in vereniging met een ander aanmerkelijk onachtzaam en nalatig een balustrade/reling op/aan een balkon aan een gebouw, te weten het "[bedrijf 2]", heeft gebouwd,

- zonder daartoe een afdoende officiële opleiding te hebben gevolgd en

- zonder daarbij gebruik te hebben gemaakt van afdoende en voldoende specifieke bouw/constructietekeningen en

- zonder daarbij gebruik te hebben gemaakt van voldoende sterke constructies en

- zonder daarbij telkens niet deskundige hulp in te roepen,

tegen welke balustrade/reling [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gestaan en/of geleund en/of gehangen, in elk geval in de directe nabijheid hebben verkeerd, welke balustrade/reling daartegen niet bestand was en waardoor vervolgens die personen tengevolge van het gedeeltelijk bezwijken van die balustrade/reling, vervolgens enkele meters naar beneden zijn gevallen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten voor wat betreft [slachtoffer 1] een dwarslaesie en voor wat betreft [slachtoffer 2] een gebroken ruggenwervel, hebben bekomen, zulks terwijl dat feit is begaan in de uitoefening van zijn beroep.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1 subsidiair:

Medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl dit misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zonder bouwtechnische kennis in opdracht van [medeverdachte] een balustrade gebouwd. Verdachte heeft bij de bouw van de balustrade geen constructieberekeningen- en tekeningen gebruikt. Verdachte heeft de balustrade aldus gebouwd zonder zich ervan te vergewissen dat de constructie hiervan deugdelijk en veilig was. De constructie bleek ondeugdelijk te zijn toen diverse personen hier tegenaan leunden, waardoor de balustrade bezweek en vervolgens diverse personen van het balkon vielen tengevolge waarvan één van hen een dwarslaesie en een verlamming vanaf de armen naar beneden en een ander een gebroken ruggenwervel heeft opgelopen. Hiermee heeft verdachte de lichamelijke gezondheid en integriteit van deze twee slachtoffers ernstig aangetast.

De rechtbank houdt er bij de straftoemeting rekening mee dat verdachte bij het bouwen van de balustrade heeft voldaan aan de (uiterlijke) eisen die zijn opdrachtgever [medeverdachte] hieraan stelde.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld maar niet wegens soortgelijke feiten.

De rechtbank zal verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen nu het bewezen verklaarde feit ruim twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en verdachte van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht, alles afwegende, een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. De rechtbank ziet geen toegevoegde waarde in het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 308 en 309 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1 subsidiair: Medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl dit misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 juli 2012.