Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0125

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
206096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn niet geslaagd in het hun opgedragen bewijs dat de dierenartsenpraktijk is tekortgeschoten in de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam dierenarts. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206096 / HA ZA 10-1909

Vonnis van 13 juni 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. T.J. Dorhout Mees te Zwolle,

tegen

de maatschap

[gedaagde]

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en [dierenartsenpraktijk] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 januari 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben aan hun vordering in vrijwaring ten grondslag gelegd dat [dierenartsenpraktijk] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot mocht worden verwacht. Zij stellen onjuist en/of onvolledig te zijn geadviseerd ten aanzien van het door [dierenartsenpraktijk] aan hen verkochte en geleverde diergeneesmiddel Tribex 10%. Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft [dierenartsenpraktijk] bij het voorschrijven van dit middel niet gesproken over het in acht nemen van een wachttijd, maar laten weten dat het behandelen van een aantal melkgevende koeien per bepaalde periode geen nadelige gevolgen voor de melkkwaliteit zou hebben. Ook op de verpakking van het geleverde diergeneesmiddel stond geen wachttijd voor melk vermeld, zodat er voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen aanleiding bestond voor nader onderzoek, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2].

2.2 Bij tussenvonnis van 19 januari 2011 is [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [dierenartsenpraktijk] bij het voorschrijven van het diergeneesmiddel Tribex 10% heeft meegedeeld dat het behandelen van een aantal melkgevende koeien per bepaalde periode geen nadelige gevolgen voor de melkkwaliteit zou hebben en dat droogstaande koeien zonder meer met het middel behandeld konden worden, terwijl daarbij niet is gesproken over het in acht nemen van een wachttijd.

2.3 Partijen hebben vier getuigen doen horen: [eiser sub 1] en [eiser sub 2], en [ ]. [betrokkene 2], als dierenarts en maat verbonden aan de maatschap [dierenartsenpraktijk], en [ ]. [betrokkene 1], dierenarts in dienst van [dierenartsenpraktijk] in de periode 1 februari 2005 tot en met 30 september 2008.

Met uitzondering van de laatstgenoemde getuige dienen de overige drie getuigen te worden aangemerkt als partijgetuigen in de zin van artikel 164 lid 1 Rv.

2.4 Zoals in het tussenvonnis van 19 januari 2011 is overwogen rust de bewijslast van de stelling, kort gezegd, dat [dierenartsenpraktijk] niet adequaat heeft geïnformeerd over het gebruik van Tribex 10%, op [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Op grond van artikel 164 lid 2 Rv geldt dat indien een partij op wie de bewijslast en het bewijsrisico rust als getuige is gehoord, diens partijgetuigenverklaring geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren voor de door deze partij te bewijzen feiten, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Aan deze maatstaf voor het steunbewijs is alleen voldaan indien er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (vgl. HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592). Aangezien de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook afzonderlijk behandeld kunnen worden (in plaats van tezamen zoals in deze procedure het geval is), geldt dat in de van elkaar te onderscheiden zaken van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen sprake is van partijgetuigenverklaringen van respectievelijk [eiser sub 2] (in de zaak van [eiser sub 1]) en van [eiser sub 1] (in de zaak van [eiser sub 2]) (vgl. HR 4 mei 2007, NJ 2007, 274).

2.5 Volgens [eiser sub 2] heeft hij in 2007, nadat hij in vakbladen had gelezen over de mogelijkheid van leverbotbesmetting, hierover gesproken met [betrokkene 2]. [eiser sub 2] verklaart hierover:

“(…) Zijn advies aan mij was om alvast risicogroepen te behandelen. Deze groepen waren de pinken en de droogstaande koeien. Deze dieren hadden het meest buiten gelopen, zodat daarbij de kans op een besmetting met leverbot het grootst was. In dit telefoongesprek adviseerde [betrokkene 2] om eventueel nog een bloedonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is er niet meer van gekomen omdat zich toen de verontreiniging van de melk al had voorgedaan. [betrokkene 2] heeft in dit gesprek aangegeven dat de vervolgstap zou kunnen zijn om ongeveer vijf melkgevende koeien per week te behandelen, eventueel aangevuld meet dieren die ziek zijn of werden behandeld met antibioticum. Het advies van [betrokkene 2] was om de behandeling te beginnen met de pinken en de droogstaande koeien en daarvoor het middel Tribex te gebruiken. (…) Ik heb het middel toegediend aan de pinken en de droogstaande koeien. Ik kan mij herinneren de gebruiksaanwijzing bij het middel Tribex te hebben gelezen. Daarop stond dat het niet aan melkgevend mee mocht worden gegeven. U vraagt mij hoe ik het eerder genoemde advies van [betrokkene 2] voor een vervolgbehandeling van melkgevende dieren kan rijmen met de voorschriften op het etiket. Ik kan dit niet rijmen, ik weet niet hoe hij dat bedoeld heeft. Ik heb hierover niet met hem gesproken. (…)

Hij heeft niet tegen mij gezegd dat Tribex uitsluitend gebruikt mocht worden voor koeien aan het begin van de droogstand.”

[eiser sub 1] heeft verklaard dat zijn dieren in 2007 gezondheidsproblemen hadden. Uit een onderzoek van de Gezondheidsdienst voor Dieren is vervolgens gebleken dat sprake was van een leverbotbesmetting. Deze uitslag was ook bekend bij de [dierenartsenpraktijk], aldus [eiser sub 1]. Hij verklaart als getuige verder:

“(…) Ik weet nog dat de heer [betrokkene 1] persoonlijk bij mij is langs geweest en met mij heeft besproken op welke wijze de leverbot bestreden moest worden. [betrokkene 1] adviseerde mij om met behulp van het middel Tribex een aantal melkgevende dieren per periode te behandelen. Ik weet niet meer precies hoe hij het letterlijk heeft gezegd, maar het kwam er op neer dat ik ongeveer tweemaal in de week circa vijf koeien met het middel moest behandelen. Ik weet niet meer precies welke aantallen en welke periode hij nou precies heeft genoemd. [betrokkene 1] gaf aan dat als je op die manier behandelt, hoor je er niets van. Ik heb daaruit begrepen dat er op die manier geen nadelige effecten voor de melkkwaliteit, mens en dier te verwachten waren vanwege de toediening van Tribex. (…) [betrokkene 1] heeft bij zijn behandeladvies niet tegen mij gezegd dat melkgevende dieren niet met Tribex behandeld mochten worden. Het ging bij mij juist om melkgevende dieren, daar zat mijn probleem. (…)

U houdt mij voor mijn verklaring dat [betrokkene 1] mij heeft geadviseerd over de behandeling van melkgevend vee. U vraagt mij of hij ook heeft geadviseerd over het niet melkgevend vee. Hij heeft mij daar niet concreet over geadviseerd. (…) [betrokkene 2] adviseerde mij om koeien waarvan de melk werd gesepareerd omdat ze voor een andere ziekte werden behandeld, bijvoorbeeld een uierontsteking waarbij penicilline werd toegediend, tevens te behandelen met Tribex voor leverbot. Hierbij is van belang dat penicilline na vijf dagen na einde van de behandeling uit de melk is verdwenen.“

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in 2007 de bedrijven van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] regelmatig heeft bezocht voor advisering en het verrichten van de nodige werkzaamheden. Volgens [betrokkene 2] heeft hij destijds geen advies uitgebracht aan [eiser sub 1] in verband met de ziekte leverbot, maar heeft zijn collega [betrokkene 1] hier onderzoek naar gedaan op het bedrijf van [eiser sub 1]. Nadat uit dit onderzoek bleek dat sprake was van leverbot op het bedrijf van [eiser sub 1], heeft [betrokkene 2] om die reden contact opgenomen met [eiser sub 2], aldus [betrokkene 2]. [betrokkene 2] verklaart verder:

“Ik heb [eiser sub 2] geadviseerd om te gaan behandelen. Ik zal gezegd hebben dat hij moest gaan behandelen, daarmee bedoel ik dat het uitblijven van behandeling grote gevolgen zou kunnen hebben. Het gevolg van het uitblijven behandeling is een verminderde melkproductie en verminderde afweer. Door dit laatste zou een onbehandelde koe meer kans hebben op ziekte en chronische leverbeschadiging.

Ik heb tegen [eiser sub 2] gezegd: “je moet ze behandelen, maar eigenlijk kun je ze niet behandelen”. Er is voor de behandeling van leverbot namelijk alleen medicatie geregistreerd voor droogstaande koeien, aan het begin van de droogstand. Ik kan de letterlijke reactie van [eiser sub 2] mij niet meer herinneren, maar hij wees er op dat zijn andere koeien ook ziek konden zijn. Ik heb toen nog eens herhaald dat beschikbare medicatie alleen geschikt is voor droogstaande koeien. (…)

In oktober/november 2007, nadat de ziekte leverbot bij [eiser sub 1] was geconstateerd, waren de koeien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onbehandeld voor wat betreft leverbot. Ik heb toen tegen [eiser sub 2] gezegd om alle koeien te behandelen zodra de droogstand voor de betreffende koe zou beginnen, maar ook eenmalig bij wijze van inhaalslag de koeien waarvan de droogstandsperiode was begonnen tot halverwege de droogstandsperiode. Met halverwege de droogstandsperiode bedoel ik vier weken na aanvang van de droogstandsperiode. Ik heb het medicijn afgeleverd op het bedrijf van [eiser sub 2], waarna [eiser sub 2] is gaan behandelen. Op de verpakking van het leverbotmiddel staat uitdrukkelijk vermeld dat het niet geschikt is voor melkgevende koeien en dat het alleen toegediend mag worden aan het begin van de droogstand. (…)

Ik heb zojuist verklaard dat ik in oktober/november 2007 aan [eiser sub 2] heb gezegd om het middel toe te dienen aan dieren aan het begin van de droogstand. Ik wil benadrukken dat ik daarbij ook uitdrukkelijk aan [eiser sub 2] heb gezegd dat het middel niet aan melkgevende koeien mocht worden gegeven.”

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zich herinnert dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in 2007 te kampen hadden met leverbot onder hun koeien. [betrokkene 1] heeft vervolgens bloed afgenomen van koeien op het bedrijf van [eiser sub 1]. Nadat gebleken was dat de koeien van [eiser sub 1] besmet waren met leverbot, heeft [betrokkene 1] contact opgenomen met [eiser sub 1]. [betrokkene 1] verklaart hierover:

“Ik kan het mij niet allemaal meer precies herinneren, maar volgens mij is er kort telefonisch contact geweest waarin wij vanzelfsprekend het advies hebben gegeven om te behandelen. Die behandeling houdt in dat het middel alleen mag worden toegediend aan droogstaande koeien aan het begin van de droogstand en dat het niet mag worden gebruikt voor melkgevende dieren. (…) Ik heb er geen concrete herinnering aan, maar ik ga er van uit dat destijds ook gesproken is over de wijze waarop het middel moet worden gebruikt. Naar mijn mening is het ook algemeen bekend onder melkveehouders dat uitsluitend droogstaande dieren aan het begin van de droogstand met Tribex behandeld mogen worden en geen melkgevende koeien. Volgens mij staat dat ook zo beschreven in vakbladen. Bovendien is Tribex al een vrij oud middel en waren er destijds geen alternatieve geneesmiddelen beschikbaar voor leverbot. Ik herinner mij dat ik in die tijd een bezoek bracht aan het bedrijf van [eiser sub 1] om een andere reden dan leverbotbesmetting. Bij het weggaan vroeg hij aan mij wat mag ik behandelen. Ik heb toen geantwoord de droogstaande koeien aan het begin van de droogstand. U vraagt mij of deze vraag van [eiser sub 1] mij destijds verbaasde. Een beetje wel, maar ik denk dat het meer een vraag van hem was voor de zekerheid en om bevestiging te zoeken. (…)”

2.6 [eiser sub 2] heeft verklaard dat [betrokkene 2] hem heeft geadviseerd om ongeveer vijf melkgevende koeien per week te behandelen. Daarbij zou [betrokkene 2] niet tegen hem hebben gezegd dat Tribex uitsluitend gebruikt mocht worden voor koeien aan het begin van de droogstand, aldus [eiser sub 2]. [eiser sub 1] heeft verklaard dat [betrokkene 1] hem adviseerde om met behulp van het middel Tribex een aantal melkgevende dieren per periode te behandelen. [betrokkene 1] zou bij zijn behandeladvies niet hebben gezegd dat melkgevende dieren niet met Tribex behandeld mochten worden, aldus [eiser sub 1].

Hier tegenover staan de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij herhaaldelijk aan [eiser sub 2] heeft laten weten dat de beschikbare medicatie alleen geschikt is voor droogstaande koeien. Volgens [betrokkene 2] heeft hij ook uitdrukkelijk aan [eiser sub 2] gezegd dat het middel niet aan melkgevende koeien mocht worden gegeven. Volgens [betrokkene 1] heeft hij [eiser sub 1] telefonisch geadviseerd om te behandelen, waarbij het middel alleen mocht worden toegediend aan droogstaande koeien aan het begin van de droogstand, en niet voor melkgevende dieren. [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat hij tijdens een bezoek op een vraag van [eiser sub 1] heeft geantwoord dat uitsluitend de droogstaande koeien aan het begin van de droogstand met het middel mochten worden behandeld.

De verklaringen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en die van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] anderzijds spreken elkaar tegen. Aangezien geen reden bestaat om aan de ene getuigenverklaring meer waarde te hechten dan de andere(n), geldt dat deze niet bewijzen dat – zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen – [dierenartsenpraktijk] bij het voorschrijven van dit middel niet heeft gesproken over het in acht nemen van een wachttijd, maar heeft laten weten dat het behandelen van een aantal melkgevende koeien per bepaalde periode geen nadelige gevolgen voor de melkkwaliteit zou hebben.

2.7 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verder betoogd dat niet aannemelijk is dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben geadviseerd om het middel aan het begin van de droogstand toe te dienen omdat pas vanaf 23 juli 2008 – dus na 2007 – in de bijsluiter van Tribex 10% staat dat het middel uitsluitend aan het begin van de droogstand mag worden toegediend en niet aan melkgevende dieren mag worden gegeven.

Dit blijkt echter niet uit de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als productie 5 overgelegde toelatingsbeschikking van 8 augustus 2002, zoals die gold in november 2007. In deze beschikking staat op pagina 2, Par. II:

“Bij de toepassing van dit diergeneesmiddel dienen de navolgende voorschriften in acht genomen te worden:

1. Diersoorten waarbij het diergeneesmiddel uitsluitend mag worden gebruikt bij de opgegeven doseringen en indicaties:

- Niet-melkgevend rund. (…)”

Hieruit blijkt dat ook volgens de in de periode van 2002 tot en met 2008 geldende voorschriften Tribex 10% uitsluitend mocht worden gebruikt voor niet melkgevende runderen.

2.8 Ook het argument van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat destijds in 2007 – in tegenstelling tot de situatie vanaf 2008 – op het etiket niet stond vermeld dat het middel niet geschikt is voor melkgevende dieren, gaat niet op. Uit het door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als productie 6 overgelegde etiket (zoals dat in 2007 op de verpakking van Tribex 10% was aangebracht) blijkt dat daarop twee keer in grote letters het volgende staat vermeld:

“Leverbot drench voor niet melkgevend rundvee”.

2.9 Aldus kan ook uit de in 2007 geldende beschikking en het etiket van Tribex 10% niet worden afgeleid dat [dierenartsenpraktijk] destijds heeft geadviseerd om ook melkgevende koeien met het middel te behandelen. Bovendien konden ook [eiser sub 1] en [eiser sub 2] – die het middel zelf aan hun dieren hebben toegediend – uit het etiket van Tribex 10% afleiden dat dit niet geschikt was voor “niet-melkgevend rundvee”.

2.10 Verder hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] erop gewezen dat de door [dierenartsenpraktijk] geleverde hoeveelheid erop duidt dat laatstgenoemde wel degelijk heeft beoogd om meer koeien te behandelen dan alleen de droogstaande koeien aan het begin van de droogstand.

2.11 Ook de geleverde hoeveelheid Tribex 10% kan geen bewijs vormen voor de stelling dat [dierenartsenpraktijk] onjuist heeft geadviseerd. [betrokkene 2] heeft verklaard dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] – hetgeen laatstgenoemden niet hebben weersproken – de hoeveelheid van de te leveren Tribex 10% hebben bepaald. Bovendien is het aantal koeien aan het begin van de droogstand ten tijde van de levering van Tribex 10 niet doorslaggevend. [betrokkene 2] heeft immers verklaard dat hij heeft geadviseerd: “om alle koeien te behandelen zodra de droogstand voor de betreffende koe zou beginnen”. Bovendien diende ook al het niet-melkgevend jongvee met het middel behandeld te worden.

2.12 Hieruit volgt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet zijn geslaagd in het hen opgedragen bewijs dat [dierenartsenpraktijk] is tekortgeschoten in de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam dierenarts. Dit brengt mee dat de vraag of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [dierenartsenpraktijk] geen behandeling meer behoeft.

2.13 Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zal worden afgewezen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [dierenartsenpraktijk]. De proceskosten aan de zijde van [dierenartsenpraktijk] worden begroot op:

vast recht € 4.938,00

salaris advocaat € 7.000,00 (3,5 punt, tarief VI à € 2.000,00)

totaal: € 11.938,00.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1 wijst de vordering af,

3.2 veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [dierenartsenpraktijk] begroot op € 11.938,00,

7.3 verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.