Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9616

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
16/712035-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het tezamen met anderen plegen van een woningoverval, waarbij de in de woning aanwezige moeder en dochter zijn gedwongen geld en ringen af te geven. Daarbij zijn de slachtoffers bedreigd, er is geweld toegepast.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 45 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712035-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juni 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in HvB Wolvenplein te Utrecht,

raadsman mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 juni 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: tezamen met anderen een woning heeft overvallen, waarbij de in de woning aanwezige mevrouw [slachtoffer 1] en haar dochter [slachtoffer 2] zijn gedwongen geld en ringen af te geven en waarbij ook diverse andere goederen, waaronder telefoons, zijn gestolen;

Feit 2: tezamen met anderen mevrouw [slachtoffer 1] en haar dochter [slachtoffer 2] van hun vrijheid heeft beroofd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat een persoon met de naam Zmok betrokken is geweest bij de overval. Evenmin kan volgens de verdediging worden vastgesteld dat de bijnaam Zmok gekoppeld kan worden aan verdachte. Zo is in het ovc-gesprek vooral medeverdachte [medeverdachte 1] aan het woord en kent [A] verdachte helemaal niet. Verder heeft de verdediging betoogd dat de naam Zmok niet uniek is. Voorts is de verdediging van mening dat niet is komen vast te staan dat een Zmok in de woning is geweest of dat er op een andere manier sprake is van medeplegen. Het bewijs dat verdachte medepleger is van de tenlastegelegde feiten is onvoldoende sluitend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zich op 3 november 2011 samen met haar dochter [slachtoffer 2] ([slachtoffer 2]) in hun woning te Woerden bevond, toen omstreeks 19:10 uur werd aangebeld. Haar dochter, [slachtoffer 2], was op dat moment 11 jaar oud. Zij liepen samen naar de voordeur. Nadat ze die hadden geopend, zagen zij een jongen staan, die zij herkenden als de jongen die twee dagen daarvoor ook had aangebeld omdat hij pech had met zijn auto. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat deze jongen haar moeder beet pakte. Daarop zagen zij nog vier jongens aankomen lopen, van wie twee met pistolen. De leider van de groep vroeg meermalen om geld. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij daarop naar haar slaapkamer is gegaan en een envelop met geld en een kistje met geld aan de leider heeft overhandigd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat haar moeder ondertussen aan beide kanten werd vastgepakt door een dader. Zelf werd zij gedwongen door het huis te lopen en geld te zoeken. Ze gingen ook met z’n allen naar de garage, aldus [slachtoffer 2]. Op verzoek van de leider hebben de daders haar en haar moeder daar bij hun handen vastgebonden. Nadat ze haar handen hadden losgemaakt, gingen ze met haar naar het kantoor. Daar hield de leider haar vast terwijl om de kluis werd gevraagd. Daarna moest zij weer naar de garage. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze haar, nadat haar handen bij elkaar waren gebonden, aan de CD-stelling in de garage hadden vastgebonden. Ook werd zij geblinddoekt en geslagen tegen haar hoofd. Op meerdere momenten tijdens de overval vroeg de leider haar om meer geld. Hij hield daarbij het pistool tegen haar hoofd en haalde de slede naar achteren. Zij vond dat dit als plastic klonk. Toen zij geblinddoekt was, hoorde zij op enig moment een klap, gevolgd door een gil. Zij herkende de gil als die van haar dochter, maar omdat zij geen paniek in de gil hoorde, maakte zij op dat het gespeeld was, aldus [slachtoffer 1]. Volgens [slachtoffer 2] werd zij drie keer gedwongen om te gillen, nadat de leider een klapgeluid had gemaakt. Zo deden de leider en de kleinste alsof ze haar aan het mishandelen waren.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de daders naast het geld uit de envelop en het geldkistje twee ringen hebben weggenomen. Deze hebben ze eerst zelf geprobeerd van haar vingers te halen, maar dat lukte niet. Ze heeft daarom zelf de ringen van haar vingers gehaald en in ieder geval één van de ringen aan de daders gegeven. Van de andere kan zij zich dat niet herinneren, maar die is wel weg, aldus aangeefster [slachtoffer 1]. Verder heeft zij gezien dat de leider haar portemonnee heeft gepakt en daaruit een pinpas heeft weggenomen. Ten slotte hebben ze nog meer geld dat ze op overige plekken in het huis hebben gevonden weggenomen en twee mobiele telefoons.

In de kruipruimte van de woning is een - naar later bleek - imitatie pistool aangetroffen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het pistool een voorwerp betreft dat voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een echt bestaand vuurwapen en dat het derhalve voor be- en afdreiging geschikt is. Ook in de woning van medeverdachte [verdachte] is een nepvuurwapen aangetroffen.

De betrokkenheid van verdachte

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de aanbeller een blanke jongen betrof met (donker) blond, licht golvend haar naar achteren en een licht groene gewatteerde driekwart jas. [slachtoffer 2] heeft daaraan toegevoegd dat deze jongen een slotjesbeugel droeg.

Op de website ‘Woerden dichtbij’ is melding gemaakt van de overval, waarbij onder meer het signalement van ‘de aanbeller’ is genoemd. Een burger, de heer [getuige], heeft zich bij de politie gemeld, omdat hij dacht in het signalement van de aanbeller [medeverdachte 2], wonende aan de [adres] te [woonplaats] te herkennen. Gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie laten zien dat op genoemd adres woont [medeverdachte 2], geboren op [1994]. De heer [getuige] heeft verklaard dat zijn zoon [A] omgaat met deze jongen.

Tevens heeft de heer [getuige] msn gesprekken aan de politie overhandigd van zijn zoon van 2 tot en met 4 november 2011, waarin mogelijk over de overval wordt gesproken. In de gesprekken d.d. 2 november 2011 tussen Bajes en [A] wordt onder meer gezegd: ‘je mag mee morgen’ , ‘huisovtje’, ‘wie kwam eigenlijk met de tip’, ‘broertje van [B], hij komt in die osso’, ‘is grote kloesso, in muur ofwat, details moet je aan blanke vragen’ , ‘krijg nog 60 euro van bami, daarom haat ik met hem gaan, maar zmok is erbij dus je krijgt gelijk jouw do, wordt gelijk verdeeld’ . In de gesprekken d.d. 3 november 2011 tussen Bajes en [A] wordt onder meer gezegd: ‘hun zijn wel gegaan maar ik kon niet’, ‘bami zei niet bellen’, ‘volgens mij hebben ze niks gepakt, anders zou bami of blanke wel belle’, kvraag wel morgen op school aan [medeverdachte 3] wat geklaard, hij doet net of getapt’. In de gesprekken d.d. 4 november 2011 tussen Bajesklantt en [A] wordt onder meer gezegd: ‘ze hebben geklaard he’, ‘bami heeft geluk, zijn signalement staat er niet’, een verwijzing naar het nieuwsbericht van de desbetreffende overval op internet, ‘kweet blanke, zag ik direct’ , ‘alleen moeder was thuis en dochter’ , ‘[medeverdachte 3] zei konden kluis niet vinden’, ‘bami zei koppe buit gemaakt’, ‘opeens zmok zij tegen paki’, was hij boos zmok, niks gepakt’ en ‘blanke herken je direct door die jas’ .

Voornoemde msn gesprekken vormen een aanwijzing dat de personen met bijnamen Zmok, [medeverdachte 3], Bami en Blanke zich schuldig hebben gemaakt aan de overval. [medeverdachte 3] heeft dit voor wat betreft hemzelf ook als verdachte bekend.

De heer [getuige] heeft aan de politie eveneens telefoonnummers overhandigd van [medeverdachte 3], Bami en Blanke, welke namen hij heeft gevonden in de laptop van zijn zoon. Naar deze nummers is onderzoek verricht, bestaande uit zowel het afluisteren van gesprekken als het bepalen van de paallocaties. Tijdens de gesprekken komt ook de naam Zmok weer terug. Deze persoon blijkt zich veelvuldig in de wijk Hoograven op te houden. De wijkagent van deze wijk heeft aangegeven, dat de personalia van de jongen behorende bij de bijnaam Zmok zijn: [verdachte], geboren op [1993]. Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] is een simkaart aangetroffen. Het nummer van deze sim-kaart komt terug in een sms-bericht afkomstig van Bami, dat ook weer is gericht aan ene Zmok. Ook komt de naam Zmok nog voor in een telefoongesprek tussen Bami en een anoniem gebleven persoon. Deze persoon vraagt op enig moment naar Zmok. Als iemand de telefoon vervolgens overneemt, reageert deze even later op de naam Zmok. Daarna noemt diezelfde persoon zichzelf [verdachte]. Ten slotte komt de naam Zmok voor tijdens afgeluisterde gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1], zoals door hen gevoerd tijdens een transport van het APU te Houten naar de rechtbank te Utrecht op 2 december 2011. Tijdens deze gesprekken zegt [medeverdachte 1] om 07:47 uur: [getuige] heeft gezegd: Zmok is [verdachte]. En ter afsluiting zegt [medeverdachte 1] om 08:12 uur: sterkte Zmok.

De rechtbank stelt aan de hand van al deze feiten en omstandigheden vast dat de bijnaam Zmok, voorkomend in de msn gesprekken, toebehoort aan [verdachte], verdachte in deze zaak.

Dat verdachte, Zmok, één van de daders was van de overval, vindt bevestiging in het onderzoek naar de paallocaties van de diverse telefoonnummers. Het nummer dat in dit onderzoek aan verdachte wordt toegeschreven , is het nummer van de sim-kaart die in zijn woning is aangetroffen en waarnaar een sms-bericht is gestuurd afkomstig van Bami, dat is gericht aan Zmok. Dit nummer heeft op 3 november 2011 gedurende het tijdbestek waarin de overval heeft plaatsgevonden een zendmast aangestraald die gemeten is bij de netwerkmeting vanuit de overvallen woning te Woerden. Dit geldt ook voor de nummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. Dit plaatst hen alle drie dus in de nabijheid van de plaats van het delict. Voorts laat het onderzoek zien dat het nummer van [medeverdachte 2] op 1 november 2011 naar deze zendmast heeft aangestraald omstreeks het moment dat bij de overvallen woning is aangebeld door één van de jongens die twee dagen later betrokken was bij de overval. Deze [medeverdachte 2] heeft dezelfde avond telefonisch contact gehad met zowel verdachte, als zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Gelet op de combinatie van deze contacten, alsmede gelet op het tijdstip ervan, acht de rechtbank het aannemelijk dat hier gesproken is over de voorbereidingen van de overval.

Ten slotte vindt de rechtbank steun voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval in de inhoud van de afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1], zoals door hen gevoerd tijdens het transport van het APU te Houten naar de rechtbank te Utrecht op 2 december 2011. Verdachte zegt dan onder meer: ‘bami heeft geluk, zijn signalement staat er niet bij’. Medeverdachte [medeverdachte 1] zegt: ‘[A]’. Verdachte zegt: ‘11 A4tjes heeft ie ingeleverd met msn gesprekken en 4 nummers’. [medeverdachte 1] zegt dan: ‘We zijn gewoon getapt. Ik zei Albino zit vast. Jij zegt ik maak hem dood als hij praat. Maar blijven zwijgen he’. [medeverdachte 1] zegt eveneens: ‘[A] heeft gepraat. Hij heeft gezegd: blanke is [medeverdachte 2], Zmok is [verdachte], bami is [medeverdachte 3]. Hij heeft ons verraden. Blanke heeft niets gezegd’. Voorts heeft hij gezegd: ‘Luister, ze kunnen ons pakken met telefoongesprekken, tapgesprekken en met verklaringen van andere mensen. Verder niks’. En even later: ‘…hebben ze gevonden, die nep. Hebben ze bivakmuts nog gevonden. Ik had hem weggegooid’. Ook zegt [medeverdachte 1]: ‘ze hebben DNA gevonden in dat huis, ik denk van [medeverdachte 3]. Hij zat steeds met zijn muts en haar te spelen. Ik had toch zo’n tillie van die meisje. [medeverdachte 3] had die gepakt’. Verdachte zegt: ‘ik ga tegen mijn advocaat zeggen: ga praten met moeder en tegen haar zeggen dat ik thuis was’.

De rechtbank is van oordeel dat deze uitspraken van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zo concreet zijn en zodanig in overeenstemming met de overige bewijsmiddelen, dat op grond hiervan de betrokkenheid van verdachte bij de overval kan worden vastgesteld. Uit niets is gebleken dat dergelijke gedetailleerde informatie “op straat” lag zoals de verdediging heeft gesuggereerd. De eerder genoemde MSN-gesprekken zijn veel algemener van aard. Uit die gesprekken valt eerder af te leiden dat de deelnemers aan die gesprekken juist erg weinig details weten van de overval.

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, is de rechtbank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde woningoverval.

Medeplegen

Bij de politie heeft medeverdachte [medeverdachte 3] alleen verklaard over zijn rol in de overval, niet over zijn mededaders. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat daders van te voren overleg hebben gehad over de overval. Zij hadden onder meer afgesproken dat ze samen met de auto naar de woning toe zouden gaan. Ook heeft medeverdachte [medeverdachte 3] bij de politie verklaard dat de mededaders aan hem hebben verteld dat ze twee dagen voor de overval bij die woning zouden gaan aanbellen om te kijken of er iemand was en om te kijken wie daar woonden. Ook dit duidt op vooroverleg. Vervolgens zijn de daders op de dag van de overval met z’n vieren de woning binnengedrongen en aldaar hebben zij samengewerkt bij het plegen van de gewelddadige en bedreigende handelingen, zoals blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Niet kan worden vastgesteld dat één van de daders zich ten tijde van die handelingen van de anderen heeft gedistantieerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de feitelijke handelingen zoals vermeld in de tenlastelegging aan alle verdachten kunnen worden toegerekend in de zin van het tezamen en in vereniging plegen van een strafbaar feit.

Kwalificatie feit 1

Voor zover de handelingen van de verdachten hebben ingehouden dat zij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door geweld en bedreiging met geweld hebben gedwongen geld uit de envelop op de slaapkamer en uit het geldkistje en/of ringen af te geven, kunnen de feiten naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als een afpersing in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht. De overige goederen hebben de verdachten eigenhandig weggenomen zonder dat [slachtoffer 1] en/of mans daaraan een actieve bijdrage hebben geleverd. De handelingen die tot het wegnemen van de pinpas, telefoons en het overige geldbedrag hebben geleid, kunnen dan ook worden gekwalificeerd als een diefstal met geweld en bedreiging met geweld in de zin van artikel 312 Wetboek van Strafrecht.

Kwalificatie feit 2

Verdachten hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een toestand gebracht waarin zij niet meer in staat waren vrijelijk door hun eigen huis te bewegen. Allereerst hebben verdachten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedwongen onder bedreiging met een vuurwapen naar bepaalde ruimtes in de woning te gaan. Voorts hebben zij de handen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij elkaar gebonden en hebben zij [slachtoffer 1] vastgebonden aan een stellingkast. [slachtoffer 1] hebben zij bovendien geblinddoekt, waardoor zij haar afhankelijke positie hebben versterkt. Door ten slotte voortdurend in de nabijheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te verblijven, hebben verdachten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van hun vrijheid beroofd in de zin van artikel 282 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht de uitvoeringshandelingen van feit 1 zo met elkaar verweven en acht de overeenkomsten in strekking van de twee verschillende strafbare feiten zo groot dat zij hier sprake vindt van eendaadse samenloop. Tussen feit 1 en feit 2 zitten zoveel verschillen - theoretisch gezien - dat er veel verschillende aspecten zijn te onderkennen, zoals de verschillende strekking van de strafbepalingen dat eendaadse samenloop niet voor de hand ligt. Het gegeven dat de uitvoeringshandelingen nauw met elkaar verweven zijn en er feitelijk eenheid van tijd en plaats is, maakt dit niet anders. Wel heeft dit betekenis voor de strafmaat nu er één kluwen van uitvoeringshandelingen en strafbare feiten is. De rechtbank is voorts van oordeel dat er evenmin sprake is van een voortgezette handeling bij feit 1 en 2 aangezien de feiten zijn voortgekomen uit twee afzonderlijke ongeoorloofde wilsbesluiten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 3 november 2011 te Woerden, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], zijnde de elfjarige dochter van

die [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en twee gouden ringen, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of de gezinsleden van die [slachtoffer 1], welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder andere) hierin bestonden dat

verdachte en/of zijn mededaders

- naar de woning van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zijn gegaan en nadat die

[slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] de deur na aanbellen hadden opengedaan

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] hebben vastgepakt en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] vuurwapens, althans op een vuurwapen gelijkende voorwerpen hebben getoond en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gehouden en daarbij de slede van dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, naar achter hebben gehaald en

- die [slachtoffer 1] tegen haar lichaam hebben geslagen en

- nadat die [slachtoffer 1] geblinddoekt was meermalen een klapgeluid hebben gemaakt en

die dochter van de [slachtoffer 1] telkens na dat klapgeluid hebben gedwongen om te gaan

gillen teneinde de indruk te wekken dat die dochter mishandeld werd;

en

op 3 november 2011 te Woerden tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een pinpas, en een hoeveelheid geld en telefoons toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of de gezinsleden van die [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], zijnde de elfjarige dochter van die [slachtoffer 1], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

bestaande dat geweld en/of die bedreiging van geweld onder andere uit

- het naar de woning van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gaan en nadat die

[slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] de deur na aanbellen hadden opengedaan

- het vastpakken van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en

- het tonen van vuurwapens, althans op een vuurwapen gelijkende voorwerpen aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en

- het houden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en daarbij het naar achteren halen van de slede van dat vuurwapen, athans een op een vuurwapen gelijkende voorwerp en

- het slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- nadat die [slachtoffer 1] geblinddoekt was het meermalen maken van een klapgeluid en daarna die dochter van de [slachtoffer 1] telkens te dwingen om te gaan gillen teneinde de indruk te wekken dat die dochter mishandeld werd;

2.

op 03 november 2011 te Woerden, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zijnde de elfjarige dochter van die

[slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers hebben verdachte

en/of zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] vastgepakt en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gedwongen om naar de garage behorende bij de woning van die [slachtoffer 1]

te gaan en

- aldaar die handen van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] vastgebonden en

- die [slachtoffer 1] en aldaar aan een stellingkast vastgebonden en

- die [slachtoffer 2] gedwongen om met hun door de woning te lopen en hun waardevolle voorwerpen aan te wijzen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: eendaadse samenloop van

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zij strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Aangezien de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten houdt de rechtbank allereerst rekening met de omstandigheid dat het om een goed voorbereide woningoverval gaat. Er is een tip geweest, er is nagedacht over de invulling en er heeft een voorverkenning plaatsgevonden. Dat er op voorhand uitvoerig over de overval is gesproken en geenszins sprake was van een opwelling, kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat niet alleen de uiteindelijke daders, maar ook bekenden van hen op de hoogte waren van hetgeen zou gaan plaatsvinden. Bovendien zijn er bivakmutsen meegenomen en vuurwapens of op een vuurwapen gelijkende voorwerpen.

[slachtoffer 1] en haar 11-jarige dochter [slachtoffer 2] waren op het moment van de overval met z’n tweeën thuis. Nadat zij de deur gezamenlijk hadden geopend, hebben de daders meteen bedreigend en gewelddadig jegens hen gehandeld. Door hen vast te binden en zelfs te blinddoeken en onderwijl het geluid te laten klinken van het naar achteren halen van de slede van een pistool, hebben de daders een enorme angst bij de slachtoffers aangewakkerd. De omstandigheid dat de slachtoffers zich niet vrijelijk konden bewegen en zij als het ware in gevangenschap verkeerden, moet de bedreigingen hebben versterkt. De intentie van de daders om bij mevrouw [slachtoffer 1] de indruk te wekken dat zij haar dochter hard aan het slaan waren terwijl zij zelf vastgebonden en geblinddoekt was en dus geen kant op kon, getuigt bovendien van een zeer harde en respectloze houding. Dat dit alles plaatsvond in de woning van de slachtoffers, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen, maakt de impact van het gebeurde des te groter. De gevolgen van de woningoverval zijn voor de slachtoffers dan ook buitengewoon ernstig geweest, zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. In het bijzonder heeft deze gebeurtenis grote wonden achtergelaten bij de 11-jarige [slachtoffer 2]. Tijdens de overval heeft zij geroepen: “niet schieten, niet slaan”, hetgeen laat zien dat zij daadwerkelijk voor haar eigen leven en dat van haar moeder heeft gevreesd. Sindsdien is zij bang voor het donker, bang voor insluipers en bang voor mensen die onverwachts achter haar lopen.

Verdachte heeft voor al het voorgaande geen oog gehad en heeft puur uit eigen gewin gehandeld. Ook na afloop heeft verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven van gevoelens van medeleven met de slachtoffers, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent. Zij is dan ook van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.

Voor wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank gelet op de justitiële documentatie d.d. 4 mei 2012. Hierin is te zien dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak. Voor het overige heeft hij een beperkte delictgeschiedenis. Voorts heeft de rechtbank gelet op het rapport van de reclassering d.d. 15 februari 2012. Hierin wordt onder meer opgemerkt dat de wijkagent aangeeft dat verdachte optrekt met jongeren die een negatieve invloed op hem hebben en dat deze jongeren tezamen een criminele groep vormen. De rechtbank acht dit een zorgelijke ontwikkeling. Mede gelet echter op de ontkennende houding van verdachte acht de rechtbank toezicht door de reclassering niet geïndiceerd.

In de LOVS-richtlijnen wordt als oriëntatiepunt voor de op te leggen straf in geval van een woningoverval met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren gehanteerd en in geval van ander geweld wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren gehanteerd. Alhoewel de toepassing van geweld in deze zaak relatief beperkt is gebleven, spelen de bedreigende en vrijheidsbenemende omstandigheden een zo zwaar wegende rol, dat de rechtbank boven het oriëntatiepunt van drie jaren uit zal gaan. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met de strafoplegging in de zaken van de medeverdachten. De rechtbank acht geen essentieel verschil in de omvang van ieders rol. Het verschil tussen de verdachten is voornamelijk gelegen in het strafblad van de diverse verdachten en de aanwezigheid of afwezigheid van bereidheid om mee te werken aan een gedragsverandering ter voorkoming van recidive. Bij verdachte is van een dergelijke bereidheid tot gedragsverandering niet gebleken.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ten tijde van het strafbare feit net 18 jaar was geworden en dat op hem het volwassenen strafrecht met voorwaardelijke invrijheidsstelling van toepassing is. Het resultaat van de strafoplegging zal zijn dat de twee meerderjarige verdachten voorafgaande aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling een enkele maanden langduriger vrijheidsbenemende straf zullen ondergaan dan de ene minderjarige verdachte, die evenmin de bereidheid heeft getoond om tot gedragsverandering te komen.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.750,-- voor de feiten 1 en 2 ter zake immateriële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 5.379,98 voor de feiten 1 en 2, waarvan € 2.500,-- ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat beide vorderingen zullen worden toegewezen, in die zin dat overeenkomstig de eis van de officier van justitie elk van de vier verdachten voor een kwart van de schade aansprakelijk zal worden gesteld. De schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen vuurwapens en het inbeslaggenomen mes vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van deze voorwerpen.

8.2 De verbeurdverklaring

De in beslaggenomen Nokia telefoons zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 55 lid 1, 57, 282, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: eendaadse samenloop van

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 45 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] een kwart van de door haar gelden schade welke is begroot op € 5.379,98, waarvan € 2.879,98 ter zake van materiële schade en € 2.500,-- ter zake van immateriële schade, welk bedrag voor verdachte neerkomt op € 1.345,--, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de dag van de overval op 3 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] € 1.345,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] een kwart van de door haar gelden schade welke is begroot op € 2.750 ter zake van immateriële schade, welk bedrag voor verdachte neerkomt op € 675,13, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de dag van de overval op 3 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] € 675,13 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 13 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: de vuurwapens en het mes;

Beslag

- verklaart verbeurd de twee inbeslaggenomen Nokia telefoons.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. E.A. Messer en E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juni 2012.